Geschiedenis

zaterdag 11 augustus 2018

De Heuvel


Tegenwoordig wil men van het Heuvelplein een belevingsplein maken. Wat dit inhoudt is voor velen de vraag. Vroeger toen het plein nog gewoon de Heuvel heette, was er al wel van alles te beleven. Negotie ging hand in hand met devotie, zoals uit dit artikel zal blijken. Er werden op het plein zogeheten jaarmarkten gehouden en in diezelfde periode werd de bestaande schuurkerk de nodige keren opgeknapt en vergroot. We hebben het over de achttiende eeuw, een hele poos terug in de tijd dus.

Jaarmarkten
In het jaar 1744 zou al sprake zijn, dat wij twee keer per jaar een markt op de Heuvel mochten houden. Op beide jaarmarkten werd tol geheven en voor ieder verkocht paard moest 2 stuivers worden betaald en voor elk hoornbeest -koe of os- 1 stuiver en 8 penningen. Maar dat gold niet voor de inwoners van Helmond en die van ons dorp zelf, zij waren daarvan vrijgesteld. Meer is hierover niet bekend.

Meer informatie vinden we in het jaar 1757, als drossard Gisbert de Jong de schepenen voorstelde om twee jaarmarkten te houden en wel de eerste op 17 april en de tweede op de eerste maandag van augustus. Blijkbaar waren de markten dus enige jaren opgehouden te bestaan. Hoe Gisbert aan deze vreemde data kwam wordt niet duidelijk, wel dat hij overtuigd was, dat deze markten profijtelijk konden zijn voor de inwoners. De schepenen gingen ermee akkoord dit voor te leggen aan de Staten-Generaal, zoals dat toen gebruikelijk was en deze vroegen op hun beurt weer advies aan de Raad van State. Uiteindelijk werd op 7 augustus 1758 groen licht gegeven, met dien verstande dat als 17 april op een zondag of bededag viel, de markt dan daags erna plaatsvond. Ook moest tol worden betaald en er moest drie gulden betaald worden aan de Domeinen als Recognitie-Chijns[1].

Bewijs van betaling van ƒ3,- voor de jaarmarkt door de gemeente

Gisbert nam met strakke hand de regie bij de eerste marktdag in 1759. Allereerst was elk gezin dat meer dan één koe had verplicht, een koe vanaf 11 uur tot 1 uur 's middags naar de markt brengen. Blijkbaar waren het gevaarlijke tijden, want ook werd bepaald dat elke rotmeester één persoon moest leveren ter bewaking. Deze diende voorzien te zijn van snaphaan, kruit en lood en deze personen moesten van acht uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds op de markt blijven. Wat betreft de markt zelf had Gisbert de volgende indeling bedacht:
1. houten kramen werden in een rechte lijn opgesteld van paal tot paal;
2. andere winkels, zoals aardewerk en dergelijke, die niet in houten kramen waren ondergebracht, werden achter de houten kramen geplaatst, rondom de kaak en wel zodanig dat er vrije doorgang was;
3. alle laken- en linnenwinkels werden geplaatst vanaf de school tot voor het erf van Jan van der Putten;
4. de paarden stonden voor het huis van eigenaar Jan van den Broek, gehuurd door Pieter van der Putten, voor het huis van de secretaris, bedoeld werd gemeentesecretaris Treffers, en vervolgens tot bij het huis van Luijcas Kilsdonk, zonder dat dit 'n belemmering vormde voor de mensen;
5. de runderen en varkens stonden vanaf het Rooms kerkenhuis, vervolgens voor het huis en erf van Francis van den Oever richting de weg naar Herent. Met dien verstande dat op de 2e jaarmarkt de runderen van plaats wisselden met de paarden. De varkensmarkt werd dan gehouden rondom de kuil, brandkuil of de Poel, langs de publieke weg, voor het Rooms kerkenhuisje en ook langs het erf van de kinderen van Peter Willem Martens en de erfgenamen van Hendrik Deckers de Oude en anderen.
In onderstaande tekening is globaal de opstelling van kramen en vee van de jaarmarkt in augustus verduidelijkt.

Enkele opmerkingen bij voorgaande punten. In veel plaatsen werd vee van andere gemeenten, dat op grondgebied van de ander was gekomen, bijeengedreven. Men sprak van het schutten van vee. De andere gemeente kon dan tegen betaling het vee terugkrijgen. We weten dat op de Heuvel ook zo’n plek was ingericht om het geschutte vee naar toe te brengen. Het kan zijn dat “van paal tot paal” slaat op slagbomen die een gedeelte van dit plein afzetten, zodat het vee niet weg kon lopen. Gezien het driehoekig karakter van de Heuvel, zou het kunnen zijn dat een slagboom ongeveer stond daar waar nu café Thuis is en de ander waar de Smalleweg begint. Richting Berkendijkje was afgeschermd door de trekgraaf die daar liep. Het vee kon zodoende niet van het plein af. Maar dit is een veronderstelling van de schrijver, zonder hard bewijs.
De kaak of schandpaal stond vroeger vlakbij het raadhuis. Raadhuis en kaak stonden ongeveer op de plek waar nu de lindeboom staat en dus langs het huidige “Oude Raadhuis”.
Meteen langs het raadhuis stond ’n schooltje en het Rooms kerkhuisje stond ongeveer op de hoek van de huidige Smalleweg en Heuvelplein, daarover zometeen meer in ditzelfde artikel.
Francis v.d. Oever woonde ongeveer op de plek waar nu de boerderij van Mari Vereijken zich bevindt. Hendrik Deckers de Oude woonde waar nu Emté is.

Het plein werd op praktische gronden nog verfraaid in het jaar 1774. Op voorstel van drossard Benjamin de Jong werd besloten om een stenen put op het “Marktveld” te metselen met daarop een pomp met twee zwengels en twee waterpijpen, waarvoor eerst een kostenraming werd opgevraagd. Als hiervoor tenminste permissie verkregen werd van de heren van de Leen- en Tolkamer; alsdan zouden ook de slechte emmers vervangen worden door tien blikken emmers en tien houten emmers; ladders en brandhaken werden aangevuld en verder zouden zes koperen handspuiten worden aangeschaft. Bovendien werd het brugje voor de Raadkamer verbreed en aangepast, zodat de brandspuit hierin kon worden ondergebracht.

We weten dat in het jaar 1787 Johannes Janssen marktmeester was; hij was pachter van de twee tollen op beide jaarmarkten. En vanaf 1853 hadden wij hier zelfs vier marktdagen, te weten op donderdag na halfvasten, woensdag na 20 mei, woensdag na 15 augustus en de woensdag na 15 oktober. Je ziet, er was genoeg te doen op het plein.

Schuurkerk
Maar er was nog meer bedrijvigheid op dit plein. Met het eindigen van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 raakten de katholieken hun kerken kwijt aan de protestanten. Wel kregen de katholieken toestemming van de Staten-Generaal om zogeheten schuurkerken -door de Staten-Generaal steevast kerkschuren genoemd- op te richten. Zo ook in ons dorp; de kerk met Oude Toren kwam in handen van de protestanten. De schuurkerken moesten zowel aan de buiten- als aan de binnenkant er sober uitzien. Maar sober hield ook in dat vaak aan en in de kerk getimmerd moest worden om het gebouwtje in redelijke staat te houden.

In welk jaar de katholieken hier zo’n schuurkerk in Beek en ook op Donk mochten bouwen is (nog) niet definitief achterhaald. Schrijvers van het boekwerkje “De Michaelkerken[2] dateren het tussen 1680 en 1690. Nader onderzoek in Den Bosch leverde informatie op over enkele aanpassingen aan en verbeteringen van de Beekse kerk[3], aan de hand waarvan een goede schets kan worden gegeven hoe deze kerk er daadwerkelijk uit moet hebben gezien. Wat reeds lang verondersteld werd, is de ligging. Het is niet helemaal waar dat de Beekse kerk naast de oude pastorie in de richting van de Pater Becanusstraat heeft gestaan, zoals beschreven in bovengenoemd boekwerkje. Uit de Bossche onderzoeksgegevens valt af te leiden dat de schuurkerk tussen de tegenwoordige Smalleweg en de boerderij van Vereijken aan de Pater Becanusstraat stond, dus in feite iets naar rechts verschoven ten opzichte van de aanname van beide schrijvers. Het stond tegenover de brandkuil, de Poel genaamd.

Verbouwingen
De lemen muren waren in 1750 al zodanig aangetast en het jaar daarvoor zelfs gedeeltelijk omgevallen dat de inwoners goedkeuring vroegen en kregen van de Staten-Generaal deze te vernieuwen. De westmuur, liggend aan een mestweg die liep tussen de kerk en een buurhuis, werd verhoogd, zodat de ingangsdeur daarnaartoe verplaatst kon worden. Deze zat eerst in de zuidmuur, de muur die uitkwam op de straat. Voordeel van deze verplaatsing zou zijn, dat de gereformeerden geen aanstoot meer zouden nemen aan het volk dat de kerk in- of uitging, werd kruiperig gesteld.  Deze muur werd van steen en aan de binnenzijde was dan ruimte voor een kleine zolder.

Elf jaar later werd weer goedkeuring gevraagd voor vergroting en verbetering van de schuurkerk. De nok van het dak was belegd met aarden russen of graszoden, daarvoor in de plaats wilde men nokpannen. In de westmuur kwamen twee ramen aan weerszijden van de ingangsdeur. De zuidmuur werd vijf voeten naar buiten toe verplaatst, waardoor het geheel ongeveer anderhalve meter groter werd. In het dak aan de noordzijde kwam een raam van 1 x 1 meter en in de noordelijke lange muur kwamen drie ramen, evenals in de andere lange muur.
Zelfs de bleekblauwe kleur van het houtwerk van de ramen werd voorgeschreven. Dezelfde kleur moest ook worden gebruikt voor de ramen en deur van de pastoorswoning. Een planken verwulfsel (zoldering) boven de twee altaren zou ervoor zorgen, dat er geen stof van het strooien dak op kon vallen. Het stro wilde men vervangen door riet wat minder onderhoud betekende. De vloer wilde men beleggen met de rode plaveien die uit de afgebroken kerkschuur op de Donk kwamen. Voor dit alles werd goedkeuring verkregen, maar niet voor het verzoek om de kerkornamenten en priestergewaden naar de kerk over te brengen, die uit dezelfde Donkse schuurkerk kwamen en zolang opgeslagen lagen op het kasteel. Bedoeld werd onder andere het houten beeld van Sint Leendert. Ook kreeg men geen permissie een verwulfsel boven de twee altaren te plaatsen en over het vervangen van het dakstro door riet werd niets gezegd. De reparatie zou moeten worden bekostigd uit de opbrengst van de publieke verkoop van deze Donkse schuurkerk, een bedrag van 212 gulden en 7 stuivers. Ook moest alles binnen acht maanden gereed zijn. In datzelfde jaar mocht men in de zuidelijke lange muur een vierde raampartij plaatsen, plus nog enkele andere werkzaamheden verrichten. Voor de gevraagde vierde raam in de noordelijke lange muur werd niet vastgelegd of men daarvoor goedkeuring kreeg.

In 1767 ging weer een aanvraag richting Den Haag. Nu wilde men een deel van het dak voorzien van nieuw stro, de afgewaaide nokvorst herstellen, en het glaswerk repareren dat door moedwilligen was ingegooid. Ook moest de lemen wand tussen kerk en pastoorswoning in de oude staat worden teruggebracht en men wilde enkele zitbankjes maken voor op de “zingzolder”. Nadat de kwartierschout van Peelland er zijn zegen over had gegeven gingen ook de Staten-Generaal begin 1768 akkoord met de verbouwingen. Gisbert de Jong moest erop toezien dat geen andere zaken dan waarvoor goedkeuring was gekregen, aan de kerk zouden worden gedaan.

Begin januari 1782 trokken pastoor en kerkmeesters in Den Haag aan de bel om de kerk vijf meter te vergroten, omdat deze te klein was voor de zevenhonderd zielen tellende gemeente, kinderen niet meegerekend. Ook andere reparaties stonden op het verlanglijstje van de indieners. Men wilde permissie van de Heren Staten-Generaal om de godsdienstuitoefening in de kerk van een naburig dorp te mogen verrichten, totdat de kerk gereed was. Dat zou dan in Aarle-Rixtel zijn, want deze viel ook onder het rechtsgebied van de Staten-Generaal. In eerste instantie werd geen fiat gegeven, waarop tekeningen werden gemaakt, zodat te zien was hoe alles eruit zou komen te zien. Op 6 februari 1783 was het dan eindelijk zover, Den Haag ging overstag met de verbouwing onder de volgende voorwaarden.

Het dak, de zoldering, het houtwerk en de muren die uit het lood stonden mochten worden afgebroken. De schuurkerk mocht 17 voeten en 2 duimen Rhijnlands langer worden, “deselve oostwaarts af aansluitende tegen de Gevel van de wooning van den Pastoor”. De kerk werd zodoende in totaal 21 meter lang, de breedte bleef bijna 10½ meter.
De oude en nieuwe lange zijmuren mochten in steen worden opgemetseld, niet hoger dan uiterlijk 10 voeten onder de muurplaat. De kreupele gevel aan de westzijde niet hoger dan 16 voeten. In de lange zijmuren kwamen 5 nieuwe vierkanten bolkozijnen van 1,90 x 1,60 m. in ieder een opendraaiend raam en de glazen waren in lood gezet. In de kreupele westgevel kwam een bolkozijn, waar eerst de deur zich bevond. In de lange zijmuur aan de straatzijde werd een deurkozijn aangebracht met een enkele vierkanten deur van 2,20 x 1,25 m. met stenen dorpel en boven de deur een vierkant glaslicht in lood gezet. In de lange zijmuur aan de noordzijde kwam een deurkozijn “6½ voet in de dag” met een enkele vierkanten deur van 2,05 x 0,95 m. met stenen dorpel.

Het dak werd weer bekleed met stro, de vorst was belegd met blauwe pannen.
Een resolutie van de Staten-Generaal uit 1771 had namelijk bepaald dat daken van schuurkerken bekleed moesten worden met hetzelfde materiaal als wat in het dorp gebruikelijk was, dus als de meeste huisjes in ‘n dorp belegd waren met stro moest de kerk dat ook zijn. Ze mochten niet al te veel opvallen. Het dak was van binnen beschoten met planken, niet wulfs- maar zoldersgewijs.
Tegen de lange zijmuur in het noorden en de gevel in het oosten kwam ’n kamertje of sacristie, breed 7 voeten en zo lang dat de houten stijl der gebinten daarin kan worden vervat. De binnenmuren van de sacristie waren van steen opgemetseld en van boven met ’n zoldertje overdekt. Daarin een vierkanten deur, het bovengedeelte met glas in hout en sluitwerk. Tegen de kreupele gevel aan de westzijde een oxaal of zangzolder, 14½ voet breed en 7½ voet diep [4,57 x 2,36 m] met leuning en met trap en deur. Naast het altaar in de gevel aan de straatzijde kwam een deur met vierkanten deurkozijn van 1,90 x 1,00 m. met sluitwerk.

De vloer van de kerk werd met blauwe plavuizen belegd en de sacristie met planken.
Een nieuwe communiebank ter breedte van de kerk werd geplaatst, aan weerszijden met een opengaand deurtje. Tegen de gevel aan de oostzijde kwam een nieuw altaar zonder sierwerk of snijwerk met daarvoor een tafel of tree van 3 trappen. In het altaar was een schilderij en ‘n tabernakel met deur en schutwerk voor berging der sieraden. In de kerk kwam een nieuwe biechtstoel in eenvoudige stijl. Er waren twee banken voor de Regenten en Kerkmeesters, eenvoudig en zonder ornamenten en zonder onderscheid van de andere banken. Er moesten de nodige kniel- en zitbanken zijn voor de gemeente.

De buitenmuren werden gevoegd en aan de binnenzijde met kalk bepleisterd. Het houtwerk binnen en buiten werd met een egale en bescheiden kleur geverfd, want nog steeds gold dat de kerk er niet al te opzichtig mocht uitzien. Zolang de bouw duurde, kregen de mensen van de Staten-Generaal de zegen om voor hun godsdienstuitoefening gebruik te maken van een nabijgelegen schuur. Drossard Johan de Jong hield toezicht op de verbouwing.

Bovenstaande gegevens leveren de volgende plattegrond van de “nieuwe” kerk, die tot het jaar 1836 in gebruik is gebleven. Deze wijkt op onderdelen af van de ingediende schets die te vinden was in het Nationaal Archief in Den Haag. Niet bekend is waar het tweede altaar zich bevond, deze stond ook niet vermeld op de ingediende tekening.

Bouwkundige begrippen
muurplaat = balk op de overgang van muur naar een hellend vlak
kreupele gevel = dragende muur
bolkozijn = kozijn met 2 naast elkaar geplaatste ramen
“in de dag” = binnenvlak
wulf = gewelf
Rhijnlandse voet = 31,5 cm lang


Bronnen:
BHIC Den Bosch, Leen- en Tolkamer, inventarisnummer 92
                          Resoluties Staten-Generaal, diverse inventarisnummers
       Domeinen, inventarisnummer 46
RHC Eindhoven, archief gemeentebestuur Beek en Donk 1300-1811, inventarisnummer 13045
Noud van Eerd en Martin Filipsen [sic], 1985, “De Michaelkerken”



[1] het bedrag dat betaald moet worden om toestemming te krijgen om bepaalde activiteiten te ondernemen. Letterlijk betekent recognitie: erkenning
[2] Schrijvers zijn Noud van Eerd en Martin Filipsen in 1985
[3] Brabants Historich Informatie Centrum, Den Bosch, met name de resolutieboeken van de Staten-Generaal geven een fraai inzicht