Tegenwoordig wil men van het Heuvelplein een belevingsplein
maken. Wat dit inhoudt is voor velen de vraag. Vroeger toen het plein nog
gewoon de Heuvel heette, was er al wel van alles te beleven. Negotie ging hand
in hand met devotie, zoals uit dit artikel zal blijken. Er werden op het plein
zogeheten jaarmarkten gehouden en in diezelfde periode werd de bestaande schuurkerk
de nodige keren opgeknapt en vergroot. We hebben het over de achttiende eeuw,
een hele poos terug in de tijd dus.
Jaarmarkten
In het jaar 1744 zou al sprake zijn, dat wij twee keer per
jaar een markt op de Heuvel mochten houden. Op beide jaarmarkten werd tol
geheven en voor ieder verkocht paard moest 2 stuivers worden betaald en voor elk
hoornbeest -koe of os- 1 stuiver en 8 penningen. Maar dat gold niet voor de
inwoners van Helmond en die van ons dorp zelf, zij waren daarvan vrijgesteld.
Meer is hierover niet bekend.
Meer informatie vinden we in het jaar 1757, als drossard
Gisbert de Jong de schepenen voorstelde om twee jaarmarkten te houden en wel de
eerste op 17 april en de tweede op de eerste maandag van augustus. Blijkbaar waren
de markten dus enige jaren opgehouden te bestaan. Hoe Gisbert aan deze vreemde
data kwam wordt niet duidelijk, wel dat hij overtuigd was, dat deze markten
profijtelijk konden zijn voor de inwoners. De schepenen gingen ermee akkoord
dit voor te leggen aan de Staten-Generaal, zoals dat toen gebruikelijk was en
deze vroegen op hun beurt weer advies aan de Raad van State. Uiteindelijk werd
op 7 augustus 1758 groen licht gegeven, met dien verstande dat als 17 april op
een zondag of bededag viel, de markt dan daags erna plaatsvond. Ook moest tol
worden betaald en er moest drie gulden betaald worden aan de Domeinen als
Recognitie-Chijns[1].
Bewijs van betaling van ƒ3,-
voor de jaarmarkt door de gemeente
Gisbert nam met strakke hand de regie bij de eerste marktdag
in 1759. Allereerst was elk gezin dat meer dan één koe had verplicht, een koe
vanaf 11 uur tot 1 uur 's middags naar de markt brengen. Blijkbaar waren het
gevaarlijke tijden, want ook werd bepaald dat elke rotmeester één persoon moest
leveren ter bewaking. Deze diende voorzien te zijn van snaphaan, kruit en lood
en deze personen moesten van acht uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds op de
markt blijven. Wat betreft de markt zelf had Gisbert de volgende indeling
bedacht:
1. houten kramen werden in een rechte lijn opgesteld van
paal tot paal;
2. andere winkels, zoals aardewerk en dergelijke, die niet
in houten kramen waren ondergebracht, werden achter de houten kramen geplaatst,
rondom de kaak en wel zodanig dat er vrije doorgang was;
3. alle laken- en linnenwinkels werden geplaatst vanaf de
school tot voor het erf van Jan van der Putten;
4. de paarden stonden voor het huis van eigenaar Jan van den
Broek, gehuurd door Pieter van der Putten, voor het huis van de secretaris, bedoeld
werd gemeentesecretaris Treffers, en vervolgens tot bij het huis van Luijcas
Kilsdonk, zonder dat dit 'n belemmering vormde voor de mensen;
5. de runderen en varkens stonden vanaf het Rooms
kerkenhuis, vervolgens voor het huis en erf van Francis van den Oever richting
de weg naar Herent. Met dien verstande dat op de 2e jaarmarkt de runderen van
plaats wisselden met de paarden. De varkensmarkt werd dan gehouden rondom de
kuil, brandkuil of de Poel, langs de publieke weg, voor het Rooms kerkenhuisje
en ook langs het erf van de kinderen van Peter Willem Martens en de erfgenamen
van Hendrik Deckers de Oude en anderen.
In onderstaande tekening is globaal de opstelling van kramen
en vee van de jaarmarkt in augustus verduidelijkt.
Enkele opmerkingen
bij voorgaande punten. In veel plaatsen werd vee van andere gemeenten, dat op
grondgebied van de ander was gekomen, bijeengedreven. Men sprak van het
schutten van vee. De andere gemeente kon dan tegen betaling het vee
terugkrijgen. We weten dat op de Heuvel ook zo’n plek was ingericht om het
geschutte vee naar toe te brengen. Het kan zijn dat “van paal tot paal” slaat op slagbomen die een gedeelte van dit
plein afzetten, zodat het vee niet weg kon lopen. Gezien het driehoekig
karakter van de Heuvel, zou het kunnen zijn dat een slagboom ongeveer stond daar
waar nu café Thuis is en de ander waar de Smalleweg begint. Richting
Berkendijkje was afgeschermd door de trekgraaf die daar liep. Het vee kon
zodoende niet van het plein af. Maar dit is een veronderstelling van de
schrijver, zonder hard bewijs.
De kaak of schandpaal stond vroeger vlakbij het raadhuis.
Raadhuis en kaak stonden ongeveer op de plek waar nu de lindeboom staat en dus
langs het huidige “Oude Raadhuis”.
Meteen langs het raadhuis stond ’n schooltje en het Rooms
kerkhuisje stond ongeveer op de hoek van de huidige Smalleweg en Heuvelplein,
daarover zometeen meer in ditzelfde artikel.
Francis v.d. Oever woonde ongeveer op de plek waar nu de
boerderij van Mari Vereijken zich bevindt. Hendrik Deckers de Oude woonde waar
nu Emté is.
Het plein werd op praktische gronden nog verfraaid in het
jaar 1774. Op voorstel van drossard Benjamin de Jong werd besloten om een
stenen put op het “Marktveld” te
metselen met daarop een pomp met twee zwengels en twee waterpijpen, waarvoor eerst
een kostenraming werd opgevraagd. Als hiervoor tenminste permissie verkregen
werd van de heren van de Leen- en Tolkamer; alsdan zouden ook de slechte emmers
vervangen worden door tien blikken emmers en tien houten emmers; ladders en
brandhaken werden aangevuld en verder zouden zes koperen handspuiten worden aangeschaft.
Bovendien werd het brugje voor de Raadkamer verbreed en aangepast, zodat de brandspuit
hierin kon worden ondergebracht.
We weten dat in het jaar 1787 Johannes Janssen marktmeester
was; hij was pachter van de twee tollen op beide jaarmarkten. En vanaf 1853 hadden
wij hier zelfs vier marktdagen, te weten op donderdag na halfvasten, woensdag
na 20 mei, woensdag na 15 augustus en de woensdag na 15 oktober. Je ziet, er
was genoeg te doen op het plein.
Schuurkerk
Maar er was nog meer bedrijvigheid op dit plein. Met het
eindigen van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 raakten de katholieken hun kerken
kwijt aan de protestanten. Wel kregen de katholieken toestemming van de Staten-Generaal
om zogeheten schuurkerken -door de Staten-Generaal steevast kerkschuren genoemd-
op te richten. Zo ook in ons dorp; de kerk met Oude Toren kwam in handen van de
protestanten. De schuurkerken moesten zowel aan de buiten- als aan de binnenkant
er sober uitzien. Maar sober hield ook in dat vaak aan en in de kerk getimmerd
moest worden om het gebouwtje in redelijke staat te houden.
In welk jaar de katholieken hier zo’n schuurkerk in Beek en
ook op Donk mochten bouwen is (nog) niet definitief achterhaald. Schrijvers van
het boekwerkje “De Michaelkerken”[2]
dateren het tussen 1680 en 1690. Nader onderzoek in Den Bosch leverde
informatie op over enkele aanpassingen aan en verbeteringen van de Beekse kerk[3],
aan de hand waarvan een goede schets kan worden gegeven hoe deze kerk er
daadwerkelijk uit moet hebben gezien. Wat reeds lang verondersteld werd, is de
ligging. Het is niet helemaal waar dat de Beekse kerk naast de oude pastorie in
de richting van de Pater Becanusstraat heeft gestaan, zoals beschreven in bovengenoemd
boekwerkje. Uit de Bossche onderzoeksgegevens valt af te leiden dat de
schuurkerk tussen de tegenwoordige Smalleweg en de boerderij van Vereijken aan
de Pater Becanusstraat stond, dus in feite iets naar rechts verschoven ten
opzichte van de aanname van beide schrijvers. Het stond tegenover de brandkuil,
de Poel genaamd.
Verbouwingen
De lemen muren waren in 1750 al zodanig aangetast en het
jaar daarvoor zelfs gedeeltelijk omgevallen dat de inwoners goedkeuring vroegen
en kregen van de Staten-Generaal deze te vernieuwen. De westmuur, liggend aan
een mestweg die liep tussen de kerk en een buurhuis, werd verhoogd, zodat de
ingangsdeur daarnaartoe verplaatst kon worden. Deze zat eerst in de zuidmuur,
de muur die uitkwam op de straat. Voordeel van deze verplaatsing zou zijn, dat
de gereformeerden geen aanstoot meer zouden nemen aan het volk dat de kerk in-
of uitging, werd kruiperig gesteld. Deze
muur werd van steen en aan de binnenzijde was dan ruimte voor een kleine zolder.
Elf jaar later werd weer goedkeuring gevraagd voor
vergroting en verbetering van de schuurkerk. De nok van het dak was belegd met
aarden russen of graszoden, daarvoor in de plaats wilde men nokpannen. In de
westmuur kwamen twee ramen aan weerszijden van de ingangsdeur. De zuidmuur werd
vijf voeten naar buiten toe verplaatst, waardoor het geheel ongeveer anderhalve
meter groter werd. In het dak aan de noordzijde kwam een raam van 1 x 1 meter
en in de noordelijke lange muur kwamen drie ramen, evenals in de andere lange
muur.
Zelfs de bleekblauwe kleur van het houtwerk van de ramen
werd voorgeschreven. Dezelfde kleur moest ook worden gebruikt voor de ramen en
deur van de pastoorswoning. Een planken verwulfsel (zoldering) boven de twee
altaren zou ervoor zorgen, dat er geen stof van het strooien dak op kon vallen.
Het stro wilde men vervangen door riet wat minder onderhoud betekende. De vloer
wilde men beleggen met de rode plaveien die uit de afgebroken kerkschuur op de
Donk kwamen. Voor dit alles werd goedkeuring verkregen, maar niet voor het verzoek
om de kerkornamenten en priestergewaden naar de kerk over te brengen, die uit
dezelfde Donkse schuurkerk kwamen en zolang opgeslagen lagen op het kasteel.
Bedoeld werd onder andere het houten beeld van Sint Leendert. Ook kreeg men
geen permissie een verwulfsel boven de twee altaren te plaatsen en over het
vervangen van het dakstro door riet werd niets gezegd. De reparatie zou moeten
worden bekostigd uit de opbrengst van de publieke verkoop van deze Donkse
schuurkerk, een bedrag van 212 gulden en 7 stuivers. Ook moest alles binnen
acht maanden gereed zijn. In datzelfde jaar mocht men in de zuidelijke lange
muur een vierde raampartij plaatsen, plus nog enkele andere werkzaamheden
verrichten. Voor de gevraagde vierde raam in de noordelijke lange muur werd niet
vastgelegd of men daarvoor goedkeuring kreeg.
In 1767 ging weer een aanvraag richting Den Haag. Nu wilde
men een deel van het dak voorzien van nieuw stro, de afgewaaide nokvorst
herstellen, en het glaswerk repareren dat door moedwilligen was ingegooid. Ook
moest de lemen wand tussen kerk en pastoorswoning in de oude staat worden teruggebracht
en men wilde enkele zitbankjes maken voor op de “zingzolder”. Nadat de kwartierschout van Peelland er zijn zegen
over had gegeven gingen ook de Staten-Generaal begin 1768 akkoord met de
verbouwingen. Gisbert de Jong moest erop toezien dat geen andere zaken dan
waarvoor goedkeuring was gekregen, aan de kerk zouden worden gedaan.
Begin januari 1782 trokken pastoor en kerkmeesters in Den
Haag aan de bel om de kerk vijf meter te vergroten, omdat deze te klein was
voor de zevenhonderd zielen tellende gemeente, kinderen niet meegerekend. Ook
andere reparaties stonden op het verlanglijstje van de indieners. Men wilde permissie
van de Heren Staten-Generaal om de godsdienstuitoefening in de kerk van een
naburig dorp te mogen verrichten, totdat de kerk gereed was. Dat zou dan in
Aarle-Rixtel zijn, want deze viel ook onder het rechtsgebied van de
Staten-Generaal. In eerste instantie werd geen fiat gegeven, waarop tekeningen
werden gemaakt, zodat te zien was hoe alles eruit zou komen te zien. Op 6 februari
1783 was het dan eindelijk zover, Den Haag ging overstag met de verbouwing
onder de volgende voorwaarden.
Het dak, de zoldering, het houtwerk en de muren die uit het
lood stonden mochten worden afgebroken. De schuurkerk mocht 17 voeten en 2
duimen Rhijnlands langer worden, “deselve
oostwaarts af aansluitende tegen de Gevel van de wooning van den Pastoor”.
De kerk werd zodoende in totaal 21 meter lang, de breedte bleef bijna 10½
meter.
De oude en nieuwe lange zijmuren mochten in steen worden
opgemetseld, niet hoger dan uiterlijk 10 voeten onder de muurplaat. De kreupele
gevel aan de westzijde niet hoger dan 16 voeten. In de lange zijmuren kwamen 5
nieuwe vierkanten bolkozijnen van 1,90 x 1,60 m. in ieder een opendraaiend raam
en de glazen waren in lood gezet. In de kreupele westgevel kwam een bolkozijn,
waar eerst de deur zich bevond. In de lange zijmuur aan de straatzijde werd een
deurkozijn aangebracht met een enkele vierkanten deur van 2,20 x 1,25 m. met
stenen dorpel en boven de deur een vierkant glaslicht in lood gezet. In de lange
zijmuur aan de noordzijde kwam een deurkozijn “6½ voet in de dag” met een
enkele vierkanten deur van 2,05 x 0,95 m. met stenen dorpel.
Het dak werd weer bekleed met stro, de vorst was belegd met
blauwe pannen.
Een resolutie van de Staten-Generaal uit 1771 had namelijk bepaald dat daken van schuurkerken bekleed moesten worden met hetzelfde materiaal als wat in het dorp gebruikelijk was, dus als de meeste huisjes in ‘n dorp belegd waren met stro moest de kerk dat ook zijn. Ze mochten niet al te veel opvallen. Het dak was van binnen beschoten met planken, niet wulfs- maar zoldersgewijs.
Een resolutie van de Staten-Generaal uit 1771 had namelijk bepaald dat daken van schuurkerken bekleed moesten worden met hetzelfde materiaal als wat in het dorp gebruikelijk was, dus als de meeste huisjes in ‘n dorp belegd waren met stro moest de kerk dat ook zijn. Ze mochten niet al te veel opvallen. Het dak was van binnen beschoten met planken, niet wulfs- maar zoldersgewijs.
Tegen de lange zijmuur in het noorden en de gevel in het
oosten kwam ’n kamertje of sacristie, breed 7 voeten en zo lang dat de houten
stijl der gebinten daarin kan worden vervat. De binnenmuren van de sacristie waren
van steen opgemetseld en van boven met ’n zoldertje overdekt. Daarin een
vierkanten deur, het bovengedeelte met glas in hout en sluitwerk. Tegen de
kreupele gevel aan de westzijde een oxaal of zangzolder, 14½ voet breed en 7½
voet diep [4,57 x 2,36 m] met leuning en met trap en deur. Naast het altaar in
de gevel aan de straatzijde kwam een deur met vierkanten deurkozijn van 1,90 x 1,00
m. met sluitwerk.
De vloer van de kerk werd met blauwe plavuizen belegd en de
sacristie met planken.
Een nieuwe communiebank ter breedte van de kerk werd
geplaatst, aan weerszijden met een opengaand deurtje. Tegen de gevel aan de oostzijde
kwam een nieuw altaar zonder sierwerk of snijwerk met daarvoor een tafel of
tree van 3 trappen. In het altaar was een schilderij en ‘n tabernakel met deur
en schutwerk voor berging der sieraden. In de kerk kwam een nieuwe biechtstoel
in eenvoudige stijl. Er waren twee banken voor de Regenten en Kerkmeesters,
eenvoudig en zonder ornamenten en zonder onderscheid van de andere banken. Er
moesten de nodige kniel- en zitbanken zijn voor de gemeente.
De buitenmuren werden gevoegd en aan de binnenzijde met kalk
bepleisterd. Het houtwerk binnen en buiten werd met een egale en bescheiden
kleur geverfd, want nog steeds gold dat de kerk er niet al te opzichtig mocht
uitzien. Zolang de bouw duurde, kregen de mensen van de Staten-Generaal de
zegen om voor hun godsdienstuitoefening gebruik te maken van een nabijgelegen
schuur. Drossard Johan de Jong hield toezicht op de verbouwing.
Bovenstaande gegevens leveren de volgende plattegrond van de
“nieuwe” kerk, die tot het jaar 1836 in gebruik is gebleven. Deze wijkt op
onderdelen af van de ingediende schets die te vinden was in het Nationaal
Archief in Den Haag. Niet bekend is waar het tweede altaar zich bevond, deze
stond ook niet vermeld op de ingediende tekening.
Bouwkundige begrippen
muurplaat = balk op de overgang van muur naar een hellend
vlak
kreupele gevel = dragende muur
bolkozijn = kozijn met 2 naast elkaar geplaatste ramen
“in de dag” = binnenvlak
wulf = gewelf
Rhijnlandse voet = 31,5 cm lang
Bronnen:
BHIC Den Bosch, Leen- en Tolkamer, inventarisnummer 92
Resoluties Staten-Generaal, diverse inventarisnummers
Domeinen, inventarisnummer 46
RHC Eindhoven, archief gemeentebestuur Beek en Donk 1300-1811,
inventarisnummer 13045
Noud van Eerd en Martin Filipsen [sic], 1985, “De Michaelkerken”
[1]
het bedrag dat betaald moet worden om toestemming te krijgen om bepaalde
activiteiten te ondernemen. Letterlijk betekent recognitie: erkenning
[2]
Schrijvers zijn Noud van Eerd en Martin Filipsen in 1985
[3]
Brabants Historich Informatie Centrum, Den Bosch, met name de resolutieboeken
van de Staten-Generaal geven een fraai inzicht

