De najaarsslapte van 1909 was voor de directie een geschikt
moment om vier goede bondsleden te ontslaan. De firma Van Thiel wilde hiermee
de vakbond een flinke klap toebrengen, aldus een ingezonden brief van
metaalbewerkersbond Sint Eloy, gericht aan diverse landelijke kranten. De bond
had voorgesteld om in plaats van ontslag zo nodig korter te werken. Al het
mogelijke was gedaan om het ontslag ingetrokken te krijgen om zo een conflict
te voorkomen. Terwijl de bond drie dagen bedenktijd nodig had voor het
definitieve besluit van de firma, benutte deze die tijd om door de deurwaarder
de huur te laten opzeggen aan tachtig bondsleden die in huizen van de firma
woonden. Deze opzegging geschiedde niet aan niet-leden van de bond.
Van Thiel schreef in een persbericht dat het opzeggen van de
huur van haar woningen volgens plaatselijk gebruik voor Kerstmis hoorde te
geschieden, ten einde de woningen met Pinksteren vrij te hebben. Maar het
gebeurde enkel en alleen omdat de firma het plan had een nieuw huurcontract aan
te gaan met een opzegtermijn van zes weken, met het doel om eerder dan toen het
geval was de beschikking te hebben over haar woningen. Maar bij de huuropzegging
was met de mensen niet over een nieuw contract gesproken, volgens de bond. Deze
twee gebeurtenissen, het aanstaande ontslag en aanpassing van het huurcontract,
waren voor de vakbond aanleiding tot de grootste en langste staking in de
historie van ons dorp. Op 20 december begon deze en zij eindigde pas op 4 juli
het jaar erop.
Maanden gingen voorbij en op pinksterdag 15 mei was de
opzegtermijn van de woninghuur verstreken. Tevoren had de firma een aantal
stakers nog schriftelijk eraan herinnerd dat zij moesten zorgen hun woningen
ontruimd te hebben, maar daarna hadden zij hier niets meer over vernomen. De
bond vroeg zich af of de firma de treurige moed zou hebben een rechterlijk
vonnis tot uitzetting uit te lokken. En het antwoord was, jazeker. Van Thiel
zette door en ging daarvoor naar het kantongerecht in Helmond.
Lang is onduidelijk geweest wie de stakers met hun gezinnen
waren die hun woningen werden uitgezet, totdat een archiefstuk van het
kantongerecht Helmond daar duidelijkheid over verschafte. 43 Personen werden
door de rechtbank aangeschreven en op één na werd de eis van uitzetting voor de
overigen overgenomen. Alleen Wilhelmina Bevers ontsprong de dans en mocht in
haar huis blijven wonen. Wilhelmina was de weduwe van Johannis Rooijakkers en
was zelf geen staakster. Wel twee zonen, waarvan Gerardus het huurcontract
begin 1909 had getekend
19 Vonnissen werden op maandag 23 mei uitgesproken, de
overige op 13 juni. Meteen werd actie ondernomen. Drie dagen na de uitspraak
werden door deurwaarder Van Moorssel een tiental mensen uit de beruchte
Heistraat in Helmond aangeworven om een dag te helpen bij het ontruimen van de
woningen, waarvoor zij ƒ10 loon zouden krijgen. Het waren mee van de beruchtste
mannen die in Helmond rondlopen, zo staat te lezen in dagblad Het Volk. De dag
daarop is met het uitzetten begonnen en verder valt te lezen:
“Een luitenant met een detachement marechaussees van twintig
man uit Eindhoven had de leiding. De troep was nog versterkt met
rijksveldwachters uit verschillende plaatsen. Het eerste gezin waarmee men
beginnen zou, bestond uit man, vrouw en vijf kinderen, terwijl de zesde spoedig
verwacht wordt. Toen het uitzetten begon, viel de vrouw in zwijm. Toen zij
bijgebracht was, stelde de vrouw zich zo woest aan dat iedereen dacht dat zij
gek geworden was. Men kon haar niet tot bedaren krijgen. Tot 4-maal toe trachtte
zij in de Zuid‑Willemsvaart te springen. Zij is de hele dag onder bewaking van
de boeren gebleven. Voordat de deurwaarder en zijn trawanten met uitzetten
begonnen, werd nog getracht de man over te halen om weer de fabriek in te gaan
en het werk te hervatten. Ook de wachtmeester probeerde het.” [1]
Je kunt je afvragen of Van Moorssel dit louche Heistraatvolk
nodig had voor de ontruiming, of was het soms bedoeld als een vorm van
intimidatie? In het kasboek van de fabriek vinden we twee rekeningen terug die
de deurwaarder indiende bij de firma. Op 6 juni betaalde de firma ƒ579,92½ en
op 11 juli nog eens ƒ189,40. Of in het eerste bedrag ook de “lonen” voor het
Helmondse rapalje begrepen was, is niet duidelijk. In totaal kostte het de
firma ƒ769,32½ (de halve cent werd pas in het jaar 1948 afgeschaft) om de
gezinnen het huis uit te jagen.
Een van de twee bedragen die
deurwaarder Van Moorssel indiende, terug te vinden in het kasboek van de firma.
Wie heeft de twijfelachtige eer als eerste het huis uitgezet
te worden? Uit combinatie van geboortes in het jaar 1910 en de vonnissen van 23
mei 1910 van het kantongerecht Helmond kan afgeleid worden dat het hier gaat om
Adrianus van der Heijden, getrouwd met Theodora de Haard.[2]
Zij krijgen namelijk op 27 september 1910 dochter Antonia Maria. Het krantenartikel
zit fout waar het schrijft dat het gezin bestaat uit vijf kinderen en de zesde
op komst. Op het moment van de huisuitzetting had het gezin nog maar één kind, Gerarda
Antonia, geboren op 29 aug 1909. Op vrijdagmorgen tien uur is het zover, eerst
dit gezin en later nog twaalf.
Ook burgemeester Verhaak schrijft aan de Commissaris van de
Koningin over deze ingrijpende gebeurtenis. Vanwege het slechte weer, het
regende, maakte het treurspel een geweldige indruk op het vele volk dat was
toegestroomd. Als ’s middags om vier uur nog niemand wist waar zij zouden
blijven, deed Verhaak een beroep op fabrikant Piet Jaspers en anderen om hen
tijdelijk onderdak te bezorgen. Dat lukte en een tiental boeren was met paard
en kar meteen bereid de gezinnen met hun meubels naar Beek te brengen. Deze
solidariteit van de boeren was uniek, want destijds voelden boeren zich ver
verheven boven het fabrieksvolk. Maar toen puntje bij paaltje kwam, vervulden
zij een grote rol. Niet alleen vervoerden zij de gezinnen met hun huisraad, ook
lieten zij een aantal stakers bij hen op het land werken.
Jaspers en Van de Rijdt
Achter het huizenblok ligt
de fabriek van Jaspers die van Jonkheer De Jong wordt gehuurd. Foto Beeldbank
De Lange Vonder.
Garenbleker en
verver Piet Jaspers huurde van Jonkheer De Jong van Beek en Donk gebouwen aan
het kanaal vlakbij waar nu restaurant Uniek is. Een leegstaand deel van het
bedrijf werd ter beschikking gesteld aan zes gezinnen, te weten aan Henri
Welten, Hubertus Claassen, Jan Scheepers, Christianus Smits, Mathijs van Eupen
en Nicolaas van den Elzen.[3]
Eenenveertig mensen hadden weer even een dak boven hun hoofd.
De Dijkstraat waar de
fabriek van Van de Rijdt heeft gestaan. Links op de achtergrond de Beekse brug.
Foto Zjon v.d. Laar.
De Zuidwillemsvaart van 29
juli 1893.
De verkoop ging uiteindelijk niet door.
Ook
Van de Rijdt ontfermt zich over een aantal ontheemde gezinnen. Zij worden
ondergebracht in de oude katoen- en bontfabriek, die aan de Dijkstraat langs
het kanaal stond. Waar nu vier woningen staan, was eerst het linker gedeelte
een fabriek en rechts was als woning in gebruik.
Een
geluk hierbij was dat in het jaar 1893 deze oude fabriek door de familie te
koop werd gezet, maar blijkbaar werd deze door notaris Van Kemenade niet
verkocht. Jaren later konden daarom de uit hun huizen geplaatste gezinnen
hiervan gebruikmaken. In het jaar 1912 heeft de weduwe van Johannes Mathias,
die stierf op de dag dat de staking eindigde, de oude fabriekshal laten
verbouwen tot drie woningen.
Die dag werden veertien huizen ontruimd die door 99 personen
bewoond werden. “De pastoor die anders het dorp plat liep heeft zich die
hele dag niet laten zien evenals de Van Thiels. Op last van B&W werden
vrijdagavond de brandspuiten nagezien en oefeningen gehouden. Dus erg vertrouwt
men de zaak niet, ondanks dat er een 40 man sterke politiemacht in het dorp is.
De hele straat lag vol stro uit de bedsteden en hele stapels brandhout waren
uitgedragen. Nergens zag men een goede stoel of kast. Alles versleten, alles
even oud of gebrekkig. Dat is de welvaart die er heerst onder de bevolking, na
50 jaren door de familie Van Thiel uitgezogen te zijn geweest”, aldus weer
dagblad Het Volk. De verslaggever van de krant was verontwaardigd dat de
hotemetoten zich die dag niet liet zien. Hij zal geen weet hebben gehad van de
spanningen en ongeregeldheden die al hadden plaatsgevonden, anders had ie kunnen
vermoeden dat een vechtpartij van stakers met zielenherder en industriëlen voor
de hand had gelegen als zij hun gezicht hadden laten zien.
Op 30 mei verschenen nog vier stakers voor het gerecht en
kregen hetzelfde vonnis opgelegd als de anderen, namelijk huisuitzetting. Deze
waren eerder al voor geweest, maar wegens een fout in de dagvaarding kon geen
vonnis gewezen worden. Tenslotte werden op 6 juni nog 24 stakers gevonnist. Ook
zij moesten hun huis verlaten, volgens de rechter. Een hardnekkig gerucht liep
hier, dat als deze hun woning uitgezet zouden worden, Jonkheer de Jong van Beek
en Donk zijn kasteel ter beschikking van deze mensen zou stellen. Dit laatste
is niet te bewijzen; helemaal onsympathiek zal hij niet tegenover de stakers
hebben gestaan, anders zou hij Jaspers geen toestemming hebben gegeven om in
zijn eigendom gezinnen op te nemen. Omdat er bijna nergens opvangplek voor deze
gezinnen meer was, dacht burgemeester Verhaak erover om hen dan in tenten onder
te brengen, in het belang van orde, zedelijkheid en gezondheid. Zover kwam het
niet.
Een klein lichtpuntje in deze kwestie is dat toen de staking
op 4 juli werd opgeheven, een aantal gezinnen gelukkig nog niet hun huis was
uitgezet. Men kon er blijven wonen. Zo meldt Verhaak op 26 juli dat de stakers
die nog niet uit hun woningen zijn gezet en niet door de firma zijn aangenomen
weer te komen werken, in hun huis mogen blijven wonen. Wel kan het betekenen
dat zij met andere huurders van de firma van huis moeten wisselen en naar Beek
moeten verhuizen. Zo dreigden in enkele weken tijd 42 gezinnen het huis
uitgezet te worden. 271 Personen zouden dan op straat komen te staan. Als je
nagaat dat in dat jaar Beek en Donk 2188 inwoners telde, betekent het dat ruim
een op tien mensen geen huis meer had. Gelukkig voor velen eindigde de staking
op tijd en konden er blijven.
De firma verhoogde wel de huishuur met 10 tot 20 cent per
week, terwijl voor velen het loon verlaagd was. Ook zouden de bewoners alle
onkosten van het uitzetten moeten betalen, alsook de huur die vanaf Pinksteren
niet opgehaald was. Direct bewijs hiervoor is overigens niet terug te vinden in
het kasboek van de firma.
Burgemeester Verhaak schrijft op 23 oktober aan de
Inspecteur Volksgezondheid in Den Bosch dat de woningnood als gevolg van de
staking voortduurt. Bij Jaspers zitten dan nog steeds drie gezinnen en in de
oude fabriek van weduwe Van de Rijdt verblijven ook drie gezinnen. Eén gezin
werd uit deze laatste verbannen en kwam op straat te staan waar het met acht
personen nog twee nachten onder de blote hemel verbleef. Waarom dit gezin uit
de oude fabriek is gezet, is niet duidelijk. Door de bemoeienis van Verhaak
konden deze mensen worden ondergebracht in een oud slecht boerenhuis. Er zijn
nog wel personen zonder werk gebleven, doch deze hebben zeer goede verblijven,
aldus Verhaak.
Ter afsluiting twee voorbeelden van de hardvochtigheid van
de Van Thiels tegenover vakbondsleden. In dagblad Het Volk van 6 aug. 1910 kunnen
we het volgende lezen: “In september 1909 [dit moet zijn januari 1909, zl]
huurde de werkman Panhuizen, bestuurslid van de afdeling "St. Eloy"
een stuk grond van Janus van Thiel, niet van de firma dus. Hij betaalde in
september de helft van de huursom en begon rogge te zaaien. Toen brak de
staking uit en, evenals de anderen, werd ook Panhuizen huis en land opgezegd,
hoewel hij niet van de firma, doch van Janus gehuurd had. Met de bekende
uitspraak van het kantongerecht te Helmond moest men alles op het land laten
wat er op stond. Dit gold in het eerst voor diegenen die van de firma gehuurd
hadden, maar even na Pinksteren liet Janus van Thiel een onderkruiper de helft
van de rogge omspitten (die inmiddels een halve meter hoog stond). Dit had
Panhuizen veel geld gekost aan mest en arbeid en nu liet Van Thiel er een
onderkruiper aardappelen op poten. Panhuizen moest dit lijdelijk aanzien. De
man had drie kinderen [hij heeft 7 kinderen, zl] en leed veel gebrek. De vrouw
werd tijdens de staking ziek en stierf in het kraambed. [ook dat is onjuist, Maria
Petronella van der Heijden, vrouw van Adrianus Panhuijzen, sterft op 2 aug
1922, zl]. Nu is de staking afgelopen en Panhuizen kan niet meer op de fabriek
komen. Ook in Helmond kreeg hij geen werk. Hij is een nogal ijverig
propagandist. Nu had dezer dagen de man de andere helft van de huursom bij
elkaar gescharreld en begaf hij zich naar het kantoor der firma, om de laatste
helft te betalen. Hij zei tegen Janus, dat hij deze week zijn rogge van het
land wou halen. Waarop Janus hem zei, dat hij zijn rogge maar bij de Bond moest
halen, bij "die snertrommel". De zoons moesten om die leuke uitval
van vader hartelijk lachen, waarop Panhuizen zei, dat hij het treurig vond,
dat, nu hij zonder werk en brood was en om zijn rechtmatig eigendom kwam
vragen, hij moest worden uitgelachen. Waarop Janus hem vertelde dat hij hem "er
uit zou donderen" als hij niet gauw ging. Panhuizen ging. Maar daags
daarna, dinsdag, kwam hij langs zijn land en daar was al een manier [man, zl]
van Janus er met de zeis onder geweest en al z'n rogge lag tegen de grond. De
rogge die er nog stond was nog zeker een ƒ45,- waard en daar had men het hele
jaar brood van moeten eten. Panhuizen heeft nu een advocaat in de arm genomen.”
Niet bekend is of het tot een rechtszaak is gekomen. Hopelijk
heeft Panhuijzen toch doorgezet om de “Tsaar van de Donk”, zoals de bijnaam van
hoofdfirmant Marianus van Thiel was, juridisch op z’n falie te geven.
En Verhaak schreef de Commissaris van de Koningin het
volgende: “Dat deze [bedoeld wordt hier de firma Van Thiel, zl] voor haar
voormalige werklieden niet veel gevoeld bewijst het volgende geval. Een dezer,
een man van 66 jaar en die gedurende 50 jaar voor de firma gewerkt heeft, kwam
verleden week namens de firma of namens een der firmanten bij mij om steun te
vragen. Hij behoorde tot de enkele die de firma van den beginne hadden gediend
en hem was verleden jaar juist voor de staking een pensioen van ƒ4,- in het
vooruitzicht gesteld. Hij was echter bij de organisatie, bleef daarbij en nu
schijnt hij met de staking arbeid en pensioen verspeeld te hebben. Althans hij
kwam bij mij met de complementen [toevoeging, zl] dat de heeren geen werk voor
hem hadden en hij maar naar de gemeente moest gaan. Waarlijk het lot van deze
man met een bejaarde vrouw, die geheel zijn leven in dezelfde zaak werkte en nu
geheel brodeloos gezet wordt, is wel diep grievend treurig.”
Tot slot een lijst met de mensen die door het kantongerecht
gevonnist zijn met uitzetting, met uitzondering van nr.15 Wilhelmina Bevers. De
eerste veertien personen zijn daadwerkelijk met hun gezin het huis uitgezet,
van de anderen is niet bekend wie het geluk had er nog wel te wonen toen de
staking werd opgeheven.
|
1
|
Jan
Scheepers
|
23
|
H. van
Neerven
|
|
2
|
Christianus
Smits
|
24
|
Piet
Vlemmings
|
|
3
|
Johannes
Lintermans
|
25
|
Wil
Martinali
|
|
4
|
Adrianus v.d.
Heijden
|
26
|
Cor v.d.
Putten
|
|
5
|
Mathijs van
Eupen
|
27
|
Gerardus
Bloemers
|
|
6
|
Nicolaas v.d.
Elzen
|
28
|
Piet v.d.
Burgt
|
|
7
|
Willem
Schriks
|
29
|
Antonius van
Berlo
|
|
8
|
Hubertus
Claassen
|
30
|
Gerardus v.d.
Heijden
|
|
9
|
Henri Welten
|
31
|
L. van
Heijnsbergen
|
|
10
|
Dorus v.d.
Elsen
|
32
|
Willem van
Schijndel
|
|
11
|
Johannes
Smits
|
33
|
Hendricus
Vlemmings
|
|
12
|
Adrianus
Panhuijzen
|
34
|
Ger van
Schijndel
|
|
13
|
Corn.
Goossens
|
35
|
Mart
Oosthoek
|
|
14
|
Theodorus
Kouwenberg
|
36
|
Hendricus
Kweens
|
|
15
|
Wilhelmina
Bevers
|
37
|
Adriaan v.d.
Putten
|
|
16
|
Christianus
Schriks
|
38
|
Toon Engels
|
|
17
|
Arnoldus
v.d. Kerkhof
|
39
|
Henricus
Otten
|
|
18
|
Johannes van
Neerven
|
40
|
Johannes v.d.
Heijden
|
|
19
|
Theodorus
van Oss
|
41
|
Henri van de
Laar
|
|
20
|
Johannes v.d.
Putten
|
42
|
Martinus
Martinali
|
|
21
|
Franciscus
Smits
|
43
|
Joannes
Martens
|
|
22
|
Willem
Pennings
|
|
|
Bronnen
BHIC, Den
Bosch, Toegangsnummer 34, Kantongerecht Helmond 1839-1930, inventarisnummers
244 en 252
Delpher.nl
diverse dagbladen over de staking en de huisuitzettingen
RHCe,
Eindhoven, Archief Gemeente Beek en Donk 13046, inventarisnummer 738,
correspondentie Verhaak
[1]
Het Volk, dagblad voor de arbeiderspartij, van 31 mei 1910
[2]
Theodora is verre familie van de auteur
[3]
Speurwerk wie bij Jaspers onderdak heeft gekregen is verricht door Mariet
Adriaans