Geschiedenis

dinsdag 17 december 2024

Dienstmaagd wordt dienstmeid

Brief aan Frans

Frans, we waren hier nog niet uitgebuurt, we hadden nog zoveel te vertellen en te vragen. Nu ben je daar ergens boven en zweef en zwerf je tussen zielen op zoek naar mooie verhalen, zoals je dat bij ons, levenden, ook deed. Dan buurt je wat met interessante figuren en krijg je leuke weetjes te horen.

Nu kreeg ik onlangs documenten onder ogen, waarbij ik mij na het lezen geschrokken afvroeg, wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. Ik bleef met de vraag zitten of jij dit document ook hebt gekend. Het gaat om het volgende.

We schrijven het jaar 1769. Catharina moet zich behoorlijk bezwaard gevoeld hebben door het gebeurde, hoewel zij er geen schuld aan had. Zij wilde haar verhaal kwijt en wie anders dan de pastoor was daarvoor de meest aangewezen persoon, dacht zij. Dus trok zij de stoute schoenen aan en ging enkele dagen voor kerst biechten bij de roomse priester Wilhelmus Beekmans.

De pastoor vroeg haar bij de biecht of zij het niet graag had laten doen en of zij het graag had gehad? Catharina antwoordde: “Neen Mijnheer Pastoor, Leendert heeft mij daer toe gedwongen.” Nog botter werd Beekmans door haar recht voor haar raap te vragen of zij hem “bij sijn Lulleke had gevat.” Catharina dacht nog bij haarzelf: maar mijnheer pastoor toch, zoiets vraagt u niet aan een meisje. Maar netjes antwoordde zij: “Neen, kon ik het Schurkxke maer eens bij mij krijgen, wat soude ik hem heekelen, maar hij koomt niet bij mij.

Enkele maanden na haar biecht wordt zij gevangen gezet en mijn vraag is, Frans, kan jij eens naar de zwervende ziel van pastoor Beekmans gaan en hem vragen eerlijk te antwoorden of hij hier een rol in heeft gespeeld? Heeft hij het biechtgeheim soms geschonden en Catharina aangegeven bij drossard Gisbert en de schepenen? Ik ben benieuwd naar zijn antwoord, hoewel je dit niet naar mij kunt doorseinen.

Ja, Frans, misschien voel je al aankomen over wie Catharina het heeft. Het gaat over Leendert Leendert Leenders, je verre familie.

Leendert pacht een hoeve van de heer van Beek en Donk, Gisbert de Jong. Hij is getrouwd met Ida Tonij Bartels van de Reijt die in juli van dat jaar zwanger is. De Catharina waar het hier over gaat is Catharina Lambert Strijbosch, bijgenaamd Roosen. Zij is negentien jaar oud en dienstmaagd bij Leendert. Als Leendert in die maand met paard en kar naar de Peel gaat om turf te halen gaat Catharina mee. Zij zit naast hem. Zij zijn de Leekerstraat nog niet uit of hij stoot haar achterover en zegt “Blijft stil liggen.” Ondertussen tilt hij haar rokken op, maakt zijn broek los en ging op haar blote buik liggen en verkracht haar. Zij wil hem tegenhouden, schreeuwt en springt van de kar af. Maar zij moet mee en in de Peel gebeurt het nog twee keer, een keer voor de middag en een keer na de middag!

Dit vreselijke relaas staat bijna letterlijk opgetekend in het verhoor dat Catharina heeft bij de schepenen van ons dorp.

Maar, Frans, het wordt nog erger.
In november van datzelfde jaar is het kermis op de Donk. Leendert komt dan thuis van een bezoek aan zijn broer, Tonij Leendert Leenders, en zijn vrouw Ida ligt al in bed. Leendert zegt haar:
Caat, gij moet nog wat opblijven om de paarden wat hooi te geven.” Zij kruipt de schelft op om hooi te pakken. Hij is haar achternagegaan en trekt haar in het hooi. Weer zei hij: “Blijft stil liggen dan zal ik Uw een sestehalff geeven.” Zij weigert het geld aan te nemen en wil van de schelft gaan, maar hij hield haar vast en weer verkracht en misbruikt hij haar. En drie weken voor kerstmis, kort na de middag, zijn Catharina en Leendert in de schuur om stro op te binden, waarop hij haar op de grond drukt, zijn broek losmaakt, haar rokken optrekt en haar met geweld verkracht, ondanks dat zij dit wil beletten. Terwijl hij bezig was, zei hij haar dat als zij hem zijn zin liet doen, hij haar weer zou huren. Zij antwoordde: “Ik wil mij niet meer verhuren, ik ga naar mijn ouders.”

In de verklaring aan de schepenen spreekt zij niet alleen over deze drie verkrachtingen, maar zegt dat zij meerdere keren ermee geconfronteerd is geweest. Hoeveel keer wist Catharina niet, wel dat zij tot drie keer in het veld door hem “vleeselijk is gebruikt gewerden.” Steeds krijgt zij te horen: “Sijt maer gerust, daer sal niets van koomen, Gij moet daer tegen niemand van seggen.” Niet alleen is zij door Leendert verschillende keren verkracht, ook heeft hij haar tot tweemaal toe met de dood bedreigd door te zeggen dat hij haar de keel zal doorsnijden als zij dit aan anderen vertelt.

Frans, het is verschrikkelijk wat er gebeurd is, maar het ergste van dit alles is nog wel dat Catharina niet het slachtoffer is, maar tot dader wordt bestempeld! Dit komt door wat honderd jaar eerder in wetgeving is vastgelegd. In het zogeheten Echtreglement uit 1656 zegt ’n artikel dat een ongehuwde vrouw een maand op water en brood wordt gezet als zij overspel pleegt en gemeenschap heeft met een getrouwde man. Maar dat is hier met Catharina niet gebeurd, zij heeft niet met wederzijdse goedkeuring gemeenschap gehad, zoals we dat tegenwoordig zeggen. Zij is verkracht! En toch wordt zij door de schepenen gevangengezet.

Nog ’n vraag, Frans, is ook Leendert gestraft? Dat is niet helemaal duidelijk. In de stukken staat dat de schepenen vinden dat ook Leendert bestraft mag worden. Of dit ook daadwerkelijk is gebeurd staat niet beschreven. Het zou dan gaan om een ander artikel uit ditzelfde reglement. Er staat namelijk geschreven dat als de man overspel pleegt bij een ongetrouwde vrouw hij eerloos is en meineed pleegt. Hij moet een boete van honderd gulden betalen en bovendien kan hij geen officiële functie meer uitoefenen, zoals bijvoorbeeld secretaris of schepen. Buurt eens met drossard Gisbert en vraag hem of hij Leendert heeft gevonnist? Of heeft hij hem de hand boven het hoofd gehouden, omdat Leendert bij hem pachtte?

Tot slot, Frans, wil ik uitdrukkelijk hier vermelden dat jij je nergens voor hoeft te schamen. Want iemand kan niet schuldig zijn aan wat een ander familielid ooit in het verleden heeft uitgespookt. Ik schrijf deze brief omdat ik denk dat je ook zo’n verhaal graag had willen kennen, ook al komt het hard aan. Wellicht kan jij het een en ander daarboven rechtzetten, dan doe ik het hier, want je zult het denk ik met mij eens zijn dat Catharina gerehabiliteerd moet worden? Eerherstel is toch wel het minste wat wij voor haar kunnen doen. Dus Catharina treft geen enkele blaam, zij was slachtoffer en geen dader!

Groet, Zjon

Nog wat feiten op een rijtje
Catharina ging bij Laurens Maas werken en trouwde later in oktober 1771 met Lambert Caspers Houbraken in Gemert.
Leendert kreeg met Ida negen kinderen. Leendert werd op 5 april 1800 begraven, Ida overleed op 24 maart 1811, beiden in Erp.
Als in oude documenten sprake is van seks wordt dit altijd omschreven door “vleselijk converseren”, maar in deze zaak wordt uitdrukkelijk de term verkrachting gebruikt.
De term sestehalf(f) verwijst naar een oude Nederlandse munteenheid, ook wel bekend als vijf en een halve stuiver.
De schelft is een hooizolder.
Catharina vreesde zwanger te raken van Leendert. Het lijkt erop dat zij geluk heeft gehad en er goed langs af is gekomen.

Bronnen:
BHIC, Den Bosch, archief familie De Jong toegangsnummer 317, inventarisnummer 1504
RHC, Eindhoven, Schepenbank Beek en Donk 13048 inventarisnummer 39

 

woensdag 12 juni 2024

Huisuitzettingen in ons dorp

De najaarsslapte van 1909 was voor de directie een geschikt moment om vier goede bondsleden te ontslaan. De firma Van Thiel wilde hiermee de vakbond een flinke klap toebrengen, aldus een ingezonden brief van metaalbewerkersbond Sint Eloy, gericht aan diverse landelijke kranten. De bond had voorgesteld om in plaats van ontslag zo nodig korter te werken. Al het mogelijke was gedaan om het ontslag ingetrokken te krijgen om zo een conflict te voorkomen. Terwijl de bond drie dagen bedenktijd nodig had voor het definitieve besluit van de firma, benutte deze die tijd om door de deurwaarder de huur te laten opzeggen aan tachtig bondsleden die in huizen van de firma woonden. Deze opzegging geschiedde niet aan niet-leden van de bond.

Van Thiel schreef in een persbericht dat het opzeggen van de huur van haar woningen volgens plaatselijk gebruik voor Kerstmis hoorde te geschieden, ten einde de woningen met Pinksteren vrij te hebben. Maar het gebeurde enkel en alleen omdat de firma het plan had een nieuw huurcontract aan te gaan met een opzegtermijn van zes weken, met het doel om eerder dan toen het geval was de beschikking te hebben over haar woningen. Maar bij de huuropzegging was met de mensen niet over een nieuw contract gesproken, volgens de bond. Deze twee gebeurtenissen, het aanstaande ontslag en aanpassing van het huurcontract, waren voor de vakbond aanleiding tot de grootste en langste staking in de historie van ons dorp. Op 20 december begon deze en zij eindigde pas op 4 juli het jaar erop.

Maanden gingen voorbij en op pinksterdag 15 mei was de opzegtermijn van de woninghuur verstreken. Tevoren had de firma een aantal stakers nog schriftelijk eraan herinnerd dat zij moesten zorgen hun woningen ontruimd te hebben, maar daarna hadden zij hier niets meer over vernomen. De bond vroeg zich af of de firma de treurige moed zou hebben een rechterlijk vonnis tot uitzetting uit te lokken. En het antwoord was, jazeker. Van Thiel zette door en ging daarvoor naar het kantongerecht in Helmond.

Lang is onduidelijk geweest wie de stakers met hun gezinnen waren die hun woningen werden uitgezet, totdat een archiefstuk van het kantongerecht Helmond daar duidelijkheid over verschafte. 43 Personen werden door de rechtbank aangeschreven en op één na werd de eis van uitzetting voor de overigen overgenomen. Alleen Wilhelmina Bevers ontsprong de dans en mocht in haar huis blijven wonen. Wilhelmina was de weduwe van Johannis Rooijakkers en was zelf geen staakster. Wel twee zonen, waarvan Gerardus het huurcontract begin 1909 had getekend

19 Vonnissen werden op maandag 23 mei uitgesproken, de overige op 13 juni. Meteen werd actie ondernomen. Drie dagen na de uitspraak werden door deurwaarder Van Moorssel een tiental mensen uit de beruchte Heistraat in Helmond aangeworven om een dag te helpen bij het ontruimen van de woningen, waarvoor zij ƒ10 loon zouden krijgen. Het waren mee van de beruchtste mannen die in Helmond rondlopen, zo staat te lezen in dagblad Het Volk. De dag daarop is met het uitzetten begonnen en verder valt te lezen:

“Een luitenant met een detachement marechaussees van twintig man uit Eindhoven had de leiding. De troep was nog versterkt met rijksveldwachters uit verschillende plaatsen. Het eerste gezin waarmee men beginnen zou, bestond uit man, vrouw en vijf kinderen, terwijl de zesde spoedig verwacht wordt. Toen het uitzetten begon, viel de vrouw in zwijm. Toen zij bijgebracht was, stelde de vrouw zich zo woest aan dat iedereen dacht dat zij gek geworden was. Men kon haar niet tot bedaren krijgen. Tot 4-maal toe trachtte zij in de Zuid‑Willemsvaart te springen. Zij is de hele dag onder bewaking van de boeren gebleven. Voordat de deurwaarder en zijn trawanten met uitzetten begonnen, werd nog getracht de man over te halen om weer de fabriek in te gaan en het werk te hervatten. Ook de wachtmeester probeerde het.” [1]

Je kunt je afvragen of Van Moorssel dit louche Heistraatvolk nodig had voor de ontruiming, of was het soms bedoeld als een vorm van intimidatie? In het kasboek van de fabriek vinden we twee rekeningen terug die de deurwaarder indiende bij de firma. Op 6 juni betaalde de firma ƒ579,92½ en op 11 juli nog eens ƒ189,40. Of in het eerste bedrag ook de “lonen” voor het Helmondse rapalje begrepen was, is niet duidelijk. In totaal kostte het de firma ƒ769,32½ (de halve cent werd pas in het jaar 1948 afgeschaft) om de gezinnen het huis uit te jagen.

 

Een van de twee bedragen die deurwaarder Van Moorssel indiende, terug te vinden in het kasboek van de firma.

Wie heeft de twijfelachtige eer als eerste het huis uitgezet te worden? Uit combinatie van geboortes in het jaar 1910 en de vonnissen van 23 mei 1910 van het kantongerecht Helmond kan afgeleid worden dat het hier gaat om Adrianus van der Heijden, getrouwd met Theodora de Haard.[2] Zij krijgen namelijk op 27 september 1910 dochter Antonia Maria. Het krantenartikel zit fout waar het schrijft dat het gezin bestaat uit vijf kinderen en de zesde op komst. Op het moment van de huisuitzetting had het gezin nog maar één kind, Gerarda Antonia, geboren op 29 aug 1909. Op vrijdagmorgen tien uur is het zover, eerst dit gezin en later nog twaalf.

Ook burgemeester Verhaak schrijft aan de Commissaris van de Koningin over deze ingrijpende gebeurtenis. Vanwege het slechte weer, het regende, maakte het treurspel een geweldige indruk op het vele volk dat was toegestroomd. Als ’s middags om vier uur nog niemand wist waar zij zouden blijven, deed Verhaak een beroep op fabrikant Piet Jaspers en anderen om hen tijdelijk onderdak te bezorgen. Dat lukte en een tiental boeren was met paard en kar meteen bereid de gezinnen met hun meubels naar Beek te brengen. Deze solidariteit van de boeren was uniek, want destijds voelden boeren zich ver verheven boven het fabrieksvolk. Maar toen puntje bij paaltje kwam, vervulden zij een grote rol. Niet alleen vervoerden zij de gezinnen met hun huisraad, ook lieten zij een aantal stakers bij hen op het land werken.

Jaspers en Van de Rijdt


Achter het huizenblok ligt de fabriek van Jaspers die van Jonkheer De Jong wordt gehuurd. Foto Beeldbank De Lange Vonder.

Garenbleker en verver Piet Jaspers huurde van Jonkheer De Jong van Beek en Donk gebouwen aan het kanaal vlakbij waar nu restaurant Uniek is. Een leegstaand deel van het bedrijf werd ter beschikking gesteld aan zes gezinnen, te weten aan Henri Welten, Hubertus Claassen, Jan Scheepers, Christianus Smits, Mathijs van Eupen en Nicolaas van den Elzen.[3] Eenenveertig mensen hadden weer even een dak boven hun hoofd.

 


De Dijkstraat waar de fabriek van Van de Rijdt heeft gestaan. Links op de achtergrond de Beekse brug. Foto Zjon v.d. Laar.


De Zuidwillemsvaart van 29 juli 1893.
De verkoop ging uiteindelijk niet door
.

Ook Van de Rijdt ontfermt zich over een aantal ontheemde gezinnen. Zij worden ondergebracht in de oude katoen- en bontfabriek, die aan de Dijkstraat langs het kanaal stond. Waar nu vier woningen staan, was eerst het linker gedeelte een fabriek en rechts was als woning in gebruik.

Een geluk hierbij was dat in het jaar 1893 deze oude fabriek door de familie te koop werd gezet, maar blijkbaar werd deze door notaris Van Kemenade niet verkocht. Jaren later konden daarom de uit hun huizen geplaatste gezinnen hiervan gebruikmaken. In het jaar 1912 heeft de weduwe van Johannes Mathias, die stierf op de dag dat de staking eindigde, de oude fabriekshal laten verbouwen tot drie woningen.

Die dag werden veertien huizen ontruimd die door 99 personen bewoond werden. “De pastoor die anders het dorp plat liep heeft zich die hele dag niet laten zien evenals de Van Thiels. Op last van B&W werden vrijdagavond de brandspuiten nagezien en oefeningen gehouden. Dus erg vertrouwt men de zaak niet, ondanks dat er een 40 man sterke politiemacht in het dorp is. De hele straat lag vol stro uit de bedsteden en hele stapels brandhout waren uitgedragen. Nergens zag men een goede stoel of kast. Alles versleten, alles even oud of gebrekkig. Dat is de welvaart die er heerst onder de bevolking, na 50 jaren door de familie Van Thiel uitgezogen te zijn geweest”, aldus weer dagblad Het Volk. De verslaggever van de krant was verontwaardigd dat de hotemetoten zich die dag niet liet zien. Hij zal geen weet hebben gehad van de spanningen en ongeregeldheden die al hadden plaatsgevonden, anders had ie kunnen vermoeden dat een vechtpartij van stakers met zielenherder en industriëlen voor de hand had gelegen als zij hun gezicht hadden laten zien.

Op 30 mei verschenen nog vier stakers voor het gerecht en kregen hetzelfde vonnis opgelegd als de anderen, namelijk huisuitzetting. Deze waren eerder al voor geweest, maar wegens een fout in de dagvaarding kon geen vonnis gewezen worden. Tenslotte werden op 6 juni nog 24 stakers gevonnist. Ook zij moesten hun huis verlaten, volgens de rechter. Een hardnekkig gerucht liep hier, dat als deze hun woning uitgezet zouden worden, Jonkheer de Jong van Beek en Donk zijn kasteel ter beschikking van deze mensen zou stellen. Dit laatste is niet te bewijzen; helemaal onsympathiek zal hij niet tegenover de stakers hebben gestaan, anders zou hij Jaspers geen toestemming hebben gegeven om in zijn eigendom gezinnen op te nemen. Omdat er bijna nergens opvangplek voor deze gezinnen meer was, dacht burgemeester Verhaak erover om hen dan in tenten onder te brengen, in het belang van orde, zedelijkheid en gezondheid. Zover kwam het niet.

Een klein lichtpuntje in deze kwestie is dat toen de staking op 4 juli werd opgeheven, een aantal gezinnen gelukkig nog niet hun huis was uitgezet. Men kon er blijven wonen. Zo meldt Verhaak op 26 juli dat de stakers die nog niet uit hun woningen zijn gezet en niet door de firma zijn aangenomen weer te komen werken, in hun huis mogen blijven wonen. Wel kan het betekenen dat zij met andere huurders van de firma van huis moeten wisselen en naar Beek moeten verhuizen. Zo dreigden in enkele weken tijd 42 gezinnen het huis uitgezet te worden. 271 Personen zouden dan op straat komen te staan. Als je nagaat dat in dat jaar Beek en Donk 2188 inwoners telde, betekent het dat ruim een op tien mensen geen huis meer had. Gelukkig voor velen eindigde de staking op tijd en konden er blijven.

De firma verhoogde wel de huishuur met 10 tot 20 cent per week, terwijl voor velen het loon verlaagd was. Ook zouden de bewoners alle onkosten van het uitzetten moeten betalen, alsook de huur die vanaf Pinksteren niet opgehaald was. Direct bewijs hiervoor is overigens niet terug te vinden in het kasboek van de firma.

Burgemeester Verhaak schrijft op 23 oktober aan de Inspecteur Volksgezondheid in Den Bosch dat de woningnood als gevolg van de staking voortduurt. Bij Jaspers zitten dan nog steeds drie gezinnen en in de oude fabriek van weduwe Van de Rijdt verblijven ook drie gezinnen. Eén gezin werd uit deze laatste verbannen en kwam op straat te staan waar het met acht personen nog twee nachten onder de blote hemel verbleef. Waarom dit gezin uit de oude fabriek is gezet, is niet duidelijk. Door de bemoeienis van Verhaak konden deze mensen worden ondergebracht in een oud slecht boerenhuis. Er zijn nog wel personen zonder werk gebleven, doch deze hebben zeer goede verblijven, aldus Verhaak.

Ter afsluiting twee voorbeelden van de hardvochtigheid van de Van Thiels tegenover vakbondsleden. In dagblad Het Volk van 6 aug. 1910 kunnen we het volgende lezen: “In september 1909 [dit moet zijn januari 1909, zl] huurde de werkman Panhuizen, bestuurslid van de afdeling "St. Eloy" een stuk grond van Janus van Thiel, niet van de firma dus. Hij betaalde in september de helft van de huursom en begon rogge te zaaien. Toen brak de staking uit en, evenals de anderen, werd ook Panhuizen huis en land opgezegd, hoewel hij niet van de firma, doch van Janus gehuurd had. Met de bekende uitspraak van het kantongerecht te Helmond moest men alles op het land laten wat er op stond. Dit gold in het eerst voor diegenen die van de firma gehuurd hadden, maar even na Pinksteren liet Janus van Thiel een onderkruiper de helft van de rogge omspitten (die inmiddels een halve meter hoog stond). Dit had Panhuizen veel geld gekost aan mest en arbeid en nu liet Van Thiel er een onderkruiper aardappelen op poten. Panhuizen moest dit lijdelijk aanzien. De man had drie kinderen [hij heeft 7 kinderen, zl] en leed veel gebrek. De vrouw werd tijdens de staking ziek en stierf in het kraambed. [ook dat is onjuist, Maria Petronella van der Heijden, vrouw van Adrianus Panhuijzen, sterft op 2 aug 1922, zl]. Nu is de staking afgelopen en Panhuizen kan niet meer op de fabriek komen. Ook in Helmond kreeg hij geen werk. Hij is een nogal ijverig propagandist. Nu had dezer dagen de man de andere helft van de huursom bij elkaar gescharreld en begaf hij zich naar het kantoor der firma, om de laatste helft te betalen. Hij zei tegen Janus, dat hij deze week zijn rogge van het land wou halen. Waarop Janus hem zei, dat hij zijn rogge maar bij de Bond moest halen, bij "die snertrommel". De zoons moesten om die leuke uitval van vader hartelijk lachen, waarop Panhuizen zei, dat hij het treurig vond, dat, nu hij zonder werk en brood was en om zijn rechtmatig eigendom kwam vragen, hij moest worden uitgelachen. Waarop Janus hem vertelde dat hij hem "er uit zou donderen" als hij niet gauw ging. Panhuizen ging. Maar daags daarna, dinsdag, kwam hij langs zijn land en daar was al een manier [man, zl] van Janus er met de zeis onder geweest en al z'n rogge lag tegen de grond. De rogge die er nog stond was nog zeker een ƒ45,- waard en daar had men het hele jaar brood van moeten eten. Panhuizen heeft nu een advocaat in de arm genomen.”

Niet bekend is of het tot een rechtszaak is gekomen. Hopelijk heeft Panhuijzen toch doorgezet om de “Tsaar van de Donk”, zoals de bijnaam van hoofdfirmant Marianus van Thiel was, juridisch op z’n falie te geven.

En Verhaak schreef de Commissaris van de Koningin het volgende: “Dat deze [bedoeld wordt hier de firma Van Thiel, zl] voor haar voormalige werklieden niet veel gevoeld bewijst het volgende geval. Een dezer, een man van 66 jaar en die gedurende 50 jaar voor de firma gewerkt heeft, kwam verleden week namens de firma of namens een der firmanten bij mij om steun te vragen. Hij behoorde tot de enkele die de firma van den beginne hadden gediend en hem was verleden jaar juist voor de staking een pensioen van ƒ4,- in het vooruitzicht gesteld. Hij was echter bij de organisatie, bleef daarbij en nu schijnt hij met de staking arbeid en pensioen verspeeld te hebben. Althans hij kwam bij mij met de complementen [toevoeging, zl] dat de heeren geen werk voor hem hadden en hij maar naar de gemeente moest gaan. Waarlijk het lot van deze man met een bejaarde vrouw, die geheel zijn leven in dezelfde zaak werkte en nu geheel brodeloos gezet wordt, is wel diep grievend treurig.”

Tot slot een lijst met de mensen die door het kantongerecht gevonnist zijn met uitzetting, met uitzondering van nr.15 Wilhelmina Bevers. De eerste veertien personen zijn daadwerkelijk met hun gezin het huis uitgezet, van de anderen is niet bekend wie het geluk had er nog wel te wonen toen de staking werd opgeheven.

1
Jan Scheepers
23
H. van Neerven
2
Christianus Smits
24
Piet Vlemmings
3
Johannes Lintermans
25
Wil Martinali
4
Adrianus v.d. Heijden
26
Cor v.d. Putten
5
Mathijs van Eupen
27
Gerardus Bloemers
6
Nicolaas v.d. Elzen
28
Piet v.d. Burgt
7
Willem Schriks
29
Antonius van Berlo
8
Hubertus Claassen
30
Gerardus v.d. Heijden
9
Henri Welten
31
L. van Heijnsbergen
10
Dorus v.d. Elsen
32
Willem van Schijndel
11
Johannes Smits
33
Hendricus Vlemmings
12
Adrianus Panhuijzen
34
Ger van Schijndel
13
Corn. Goossens
35
Mart Oosthoek
14
Theodorus Kouwenberg
36
Hendricus Kweens
15
Wilhelmina Bevers
37
Adriaan v.d. Putten
16
Christianus Schriks
38
Toon Engels
17
Arnoldus v.d. Kerkhof
39
Henricus Otten
18
Johannes van Neerven
40
Johannes v.d. Heijden
19
Theodorus van Oss
41
Henri van de Laar
20
Johannes v.d. Putten
42
Martinus Martinali
21
Franciscus Smits
43
Joannes Martens
22
Willem Pennings
 
 

 

Bronnen
BHIC, Den Bosch, Toegangsnummer 34, Kantongerecht Helmond 1839-1930, inventarisnummers 244 en 252
Delpher.nl diverse dagbladen over de staking en de huisuitzettingen
RHCe, Eindhoven, Archief Gemeente Beek en Donk 13046, inventarisnummer 738, correspondentie Verhaak

[1] Het Volk, dagblad voor de arbeiderspartij, van 31 mei 1910

[2] Theodora is verre familie van de auteur

[3] Speurwerk wie bij Jaspers onderdak heeft gekregen is verricht door Mariet Adriaans