Bij archiefonderzoek komt het
regelmatig voor dat je stuit op mensen, waarvan de namen je niet veel zeggen.
Zij veroorzaakten lichte rimpelingen in de geschiedenis die snel weer doofden,
omdat zij weer snel uit het dorp verdwenen. In dit artikel wil ik ’n drietal
personen belichten die ieder op hun beurt even in het nieuws waren, weliswaar
lang geleden maar toch, altijd leuk om te weten.
Wastrapje
Heb je ooit het trapje bij de Beekse
brug gezien en je afgevraagd waar deze voor heeft gediend? Wist je dat we hier
te maken hebben met een stukje industrieel erfgoed van honderdzestig jaar oud? Tegenwoordig
heeft het geen functie meer, maar in 1859 is deze aangelegd om gebleekte
spullen te wassen. Het was dus een wasplaats voor een blekerij en Engelbert
Dahmen kreeg voor de aanleg hiervan vergunning van Rijkswaterstaat.
Eerder was er op Donk ook al een
trapje bij het kanaal en deze was aangelegd door Johan Peter Kropp. Het bevond
zich boven de sluis aan de kant waar Peter woonde. Wat was het geval? Johan
Peter Kropp huurde van familie De Jong van Beek en Donk een huis vlakbij de Donkse
sluis.
Hier begon hij een katoen- en
linnenblekerij. Om de gebleekte spullen te wassen, wilde hij graag een
spoelplaats in het kanaal maken en vroeg daarvoor in 1830 toestemming. Drie belangrijke
instanties hielden zich bezig met het verzoek van Johan Peter een wasplaats aan
te leggen: de Administrateur der Domeinen in Arnhem, de zogeheten “Gecommitteerde van de
Permanente Commissie uit het Amortisatie Syndicaat” en de Gouverneur van de
Provincie.
Deze vergunning kreeg hij onder de volgende
voorwaarden:
- de spoelplaats mocht niet in het kanaal uitsteken, maar moest liggen op het “banket” (horizontaal gedeelte in een talud)
- de trap die leidde naar de stoep moest in het talud worden aangelegd zonder deze te beschadigen
- de aanleg stond onder toezicht van de Administratie van de Zuid-Willemsvaart.
Over deze Johan is verder weinig
bekend. Hij is waarschijnlijk in de loop van het jaar 1830 hier komen wonen,
maar hij staat het jaar erop pas op de belastinglijst van de gemeente vermeld,
wanneer hij ƒ3,45 personele belasting moet betalen. In de daarop volgende drie
jaren wordt hij ook voor deze belasting aangeslagen, terwijl dit in 1835 niet
meer het geval is. Hij is dan weer vertrokken.
De naam van huize De Bleek bij de
Donkse brug is een rechtstreekse verwijzing naar de toenmalige blekerij Kropp. Het
Donks trapje is er niet meer, maar het Beekse trapje wel en is dus een minder
bekend klein monumentje waar we best zuinig op mogen zijn. Hoewel het eigendom
is van Rijkswaterstaat.
Bronnen:
BHIC, Den Bosch, Provinciaal Bestuur
Noord-Brabant 1814-1920, Toegangsnummer 17 inventarisnummer 544
RHC Eindhoven, 13046
Gemeentebestuur Beek en Donk 1811-1930, inventarisnummer 403
Speelbal
Fredrik
Bartholomeus Franciscus van Stavel kwam oorspronkelijk uit Woerden toen hij ten
tijde van de Belgische Opstand in 1830 als vrijwilliger in dienst trad. Zijn
bataljon lag in Gorinchem; zijn gedrag was goed, hij was ijverig en in 1833
werd hij officier. Hij nam deel aan krijgsverrichtingen, waarvoor hij werd beloond
met het metalen kruis. Hij was al getrouwd toen hij in dienst trad. In september
1834 ging hij met onbepaald verlof en hij woonde sinds het voorjaar 1836 in
Beek en Donk.
Hier begon
hij een houtkoperij; ook was hij timmerman en maakte bestekken en tekeningen. Omdat
hij nog niets verdiend had en ook geen pensioen van het leger kreeg, leefde hij
en zijn vrouw in armoede. Daarom vroeg hij aan de Directeur Generaal van Oorlog
om een kwart van het tractement dat hij in het leger had. Adviezen werden
ingewonnen en uiteindelijk ook goedgekeurd. Dit alles vond in 1837 plaats.
Dan zien we
het jaar daarop iets interessants. Als burgemeester De Munck Beek en Donk verlaat,
hij wordt notaris in Veghel, ziet de Gouverneur gemeentesecretaris Cornelis van
Kemenade als de gedroomde kandidaat om hem op te volgen. Jonker Johan de Jong ziet
dit echter helemaal niet zitten.
In een vertrouwelijke brief aan de
Minister van Binnenlandse Zaken schreef de Gouverneur dat de eigenaar van de Heerlijkheid
Beek en Donk, Jhr. Johan de Jong, verzocht dat “de nu vacerende post van burgemeester aldaar moge afgunstig blijven van
het ambt van Secretaris en Notaris”. De Jong wilde dus niet hebben dat
notaris Van Kemenade burgemeester werd en daarom droeg hij Van Stavel voor voor
deze post, omdat hij de “onzijdigste”
[neutraal] en meest geschikte persoon zou zijn. Het bezwaar van vereniging van
posten volgens De Jong, werd door de Gouverneur onderschreven, maar gelet op de
omstandigheden niet overgenomen. De Gouverneur merkte nog op dat De Jong een
zekere minachting had voor Van Kemenade. Het leek erop dat De Jong met zijn
voordracht geldelijk gewin probeerde te halen, zich baserend op een oude wet
uit 1819 waarin werd vastgelegd dat eigenaren van heerlijkheden schadeloos werden
gesteld bij benoemingen. Door Van Stavel voor te dragen hoopte hij een
geldbedrag hiervoor te ontvangen. De Gouverneur bleef Van Kemenade de meest
geschikte kandidaat vinden. Mocht Cornelis niet in aanmerking komen, dan zou
assessor Gerrit Maas een geschikte kandidaat zijn.
Het leek er dus op, dat Frederik van
Stavel speelbal was van de jonker. Het had geen resultaat, want koning Willem I
benoemde op 21 maart 1838 Van Kemenade tot burgemeester van Beek en Donk. Natuurlijk
had de jonker gelijk met de opmerking “vereniging
van posten”, want later in 1851 was Cornelis niet alleen notaris in het
dorp, ook was hij gemeentesecretaris én burgemeester én zelfs gewoon raadslid!
Bron:
BHIC, Den
Bosch, Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920,Toegangsnummer 17,
inventarisnummers 852 en 874
Steekspel met Gemert
Antonie (Antoon) IJsermans kwam in augustus 1835 in Beek en Donk wonen. Oorspronkelijk kwam Antoon uit Boxmeer waar hij in 1795 was geboren. Hij verhuisde in 1817 naar Gemert en was daar horlogemaker. Daar begon zijn loopbaan als schatter van de personele belasting voor verschillende gemeenten in onze regio. Hier in ons dorp combineerde hij die baan met die van Ontvanger der Accijnsen voor Beek en Donk en Aarle-Rixtel.
In de jaren die volgden ging het financieel
bergafwaarts met Antoon, hij kon zelfs de plaatselijke belasting niet betalen,
en dat voor een schatter der personele belasting! Hij raakte zonder werk en in
het jaar 1841 was het zover gekomen dat Antoon rechtstreeks de Minister van
Binnenlandse Zaken schreef met de vraag, of hij niet naar een van de vrije
Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid mocht[1].
Daar hoopte hij dan werk te vinden.
Dan kwam een briefwisseling op gang
tussen diverse overheden: het gemeentebestuur van Beek en Donk en Gemert,
districtscommissaris Wesselman, de Gouverneur van onze Provincie en de
minister. Burgemeester Van Kemenade nam contact op met Antoon en hoorde van hem
dat Antoon niet als “gewone landloper” gelijkgesteld wilde worden. Ook vertelde
hij de burgemeester dat de post van veldwachter in Hedikhuizen wel iets voor
hem zou zijn, want hij zou voldoen aan de vereisten. Hiervoor kwam hij echter
niet in aanmerking.
Als mensen naar zo’n Kolonie gingen of
door rechters gedwongen werden, moest de gemeente daarvoor betalen[2].
En dat was het startsein voor een steekspel tussen de gemeenten Gemert en Beek
en Donk. Burgemeester Van Kemenade vond dat Beek en Donk niet voor de kosten
hiervan hoefde op te draaien, omdat Antoon als ontvanger der accijnsen in
Aarle-Rixtel daar in functie was en volgens hem moest een ambtenaar in de
plaats wonen waar deze werkte. Dus woonde Antoon niet meer in Beek en Donk, was
de redenering van de burgemeester. Een rare gedachte, die niet opging.
Als iemand niet aan zijn financiële
verplichtingen kon voldoen en hij woonde nog niet zolang in de gemeente, viel
zo iemand terug op de gemeente waar hij het laatst woonde en dat was in dit
geval Gemert. Dat heette vroeger “onderstand-domicilie”, tegenwoordig zou men
zeggen de bijstandsgemeente. Daar was Gemert het weer niet mee eens, reden voor
burgemeester Rietman aan de Gouverneur te berichten dat hij vond dat IJsermans
juridisch in Beek en Donk hoorde.
Wesselman werd er bij gehaald om een
en ander uit te pluizen. Hij kwam tot de conclusie dat IJsermans als
gekwalificeerd ontvanger der accijnsen nooit in Aarle-Rixtel had gewoond, omdat
hij ’s morgens vroeg daarnaartoe vertrok en ’s avonds weer naar zijn vrouw in
Beek en Donk terugkeerde. Van Kemenade beschouwde het waarnemen van deze
betrekking als een ambt en dacht dat dan het beginsel van toepassing was, dat
ambtenaren ter plaatse waar zij de functie uitoefenden, geacht werden daar te
wonen. Wesselman achtte dit ongegrond, Antoon was slechts ’n gevolmachtigde en
geen ambtenaar. Door het niet betalen van de hem opgelegde belastingen over
1837 en 1838 en later, had Antoon geen zogenaamde domicilie van onderstand in
Beek en Donk gekregen en daarom moest Gemert als zodanig worden beschouwd,
aldus Wesselman.
Hij droeg het gemeentebestuur van
Gemert op meteen een voordracht tot opneming van IJsermans in de Koloniën van
Weldadigheid in te zenden, maar Gemert weigerde; Rietman beschouwde Gemert niet
als bijstandsgemeente voor Antoon.
De Gouverneur legde de zaak voor aan
Gedeputeerde Staten van Brabant. Op 8 oktober 1841 besloot GS dat Gemert toch de
plaats was waar de “onderstands-domicilie” is gebleven, wat inhield dat Gemert
verplicht was IJsermans te helpen om hem -uit vrije wil- naar een Kolonie van
de Maatschappij van Weldadigheid, o.a. Frederiksoord in Drenthe, te zenden.
Toch hield
Gemert voet bij stuk, blijkt uit aantekeningen van de Gouverneur voor een brief
aan de minister. IJsermans was volgens Gemerts burgemeester Rietman “door onmatig gebruik van sterke drank
buiten betrekking geraakt.” Gemert ondersteunde zijn verzoek niet om zijn
vertrek naar de vrije Kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid te
bekostigen, omdat de winter er aankwam en door “het grote verval van de fabrijken waardoor wevers meestal zonder werk
zijn”, met als gevolg armoede. Gemert was genoodzaakt “zijn schuldeloze oude armelieden, weduwen en wezen te helpen.”
Uiteindelijk ging Antoon IJsermans
niet naar zo’n kolonie in Drenthe, maar verhuisde naar Deurne waar hij op 5
november 1851 stierf, zijn vrouw Johanna Jongbloed berooid achterlatend.
Bronnen:
BHIC, Den Bosch, Provinciaal Bestuur
Noord-Brabant 1814-1920, Toegangsnummer 17 diverse inventarisnummers.
Mariet Adriaans, genealogische
gegevens.
[1] Koloniën
van Weldadigheid in 1817. De oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid
wordt voorbereid. Drijvende kracht is Johannes van den Bosch, een generaal met
veel ervaring in Nederlands Indië. Hij wil in Nederland de armoede uitroeien.
Andere initiatiefnemers zijn hoge ambtenaren en de adellijke elite. Ook
duizenden burgers over het hele land en in alle grotere gemeenten dragen bij,
net als het Rijk zelf. De centrale idee is: wij zullen betalen voor grond en
huisvesting, de armen zullen door te werken voor hun eigen onderhoud zorgen. Zo
kosten ze de Staat niets meer. Meer nog: op termijn zouden de armen hun
schulden aan de Staat kunnen terugbetalen, dankzij (landbouw)overschotten. (Info:
www.kolonienvanweldadigheid.eu)
[2] De gemeente
moest bij vrijwillige opname ƒ80,- per jaar betalen voor zogeheten
verplegingskosten en was het door de rechter opgelegd dan werd een bedrag
tussen ƒ25,- en ƒ55,- in rekening gebracht.
