Geschiedenis

vrijdag 27 juli 2018

Harrewarrerijen

Dit fraai klinkende woord gebruikte districtscommissaris Wesselman om aan te geven dat twee heren van stand met elkaar aan het kibbelen waren, of op z’n Gimmers: ze hadden “ruuzeng”. Ze zaten elkaar al langer in de haren, notaris Smits en gemeentesecretaris Van Eupen.

Begin 1842 was de maat bij burgemeester Rietman vol en kaartte het aan bij de Gouverneur van de Provincie: de notaris kondigde zijn verkopingen aan op hetzelfde tijdstip als de gemeente zijn publicaties bekendmaakte. En hoewel Rietman hem had gevraagd dit niet meer te doen, had Smits daar geen oren naar. De Gouverneur was van mening dat Smits onwelvoeglijk en kwalijk handelde, maar wilde niet tussenbeide komen en gaf Wesselman opdracht de zaak op te lossen. Deze nam contact op met de notaris. Hij ging ervan uit dat Smits zich redelijk zou gedragen en zijn afkondigingen voortaan op een ander tijdstip zou gaan doen. Wesselman had echter buiten de waard gerekend.

Smits antwoordde hem via een uitgebreide brief waarin hij uit de doeken deed wat was voorgevallen. Toen hij namelijk in 1837 tot notaris was benoemd was een aantal Gemertse inwoners het hiermee niet eens. Aan het hoofd van dit groepje stond gemeentesecretaris Van Eupen. De broer van de secretaris was namelijk deurwaarder en dus ook bevoegd om verkopingen van roerende goederen te doen. En de secretaris nam die taak vaak van zijn broer over. De reden wist Smits niet, maar “de wever en de fabrijkant, de landman en de burger” verlieten na verloop van tijd de secretaris en kwamen voortaan bij Smits voor hun zaken.

Dat was de oorzaak, volgens hem, van aantijgingen en vuiligheden die hem ten laste werden gelegd. Hij werd gehinderd in zijn werk, het werd hem moeilijk gemaakt op het gemeentehuis de kadastrale registers in te zien en later werd hem dit op bepaalde dagen zelfs helemaal ontzegd, zodat hij ervoor naar Eindhoven moest. En dat allemaal dankzij de secretaris. Smits verweet burgemeester Rietman argeloosheid en hij beschouwde Smits als een vijand van Gemert.

Toen Smits pas begon, schreef hij, liet hij zijn bekendmakingen doen door de secretaris, die hij 15 cent betaalde voor elke afkondiging, maar na verloop van tijd kwamen zijn afkondigingen pas na die van de gemeente en na die van de secretaris en dat werd dan ook nog onverstaanbare wijze en vol spot gedaan. Daarom besloot hij dit voortaan zelf te doen en wel op dezelfde tijd als die van de secretaris, op zondag na de Hoogmis, want dan hoorden de meeste inwoners het. En daarover klaagde de burgemeester, wat nergens voor nodig was. Hij kondigde zijn zaken aan voor ’n herberg dat 40 ellen verwijderd was van het Raadhuis waar de secretaris zich bevond. Smits had ook twee herbergen dichterbij kunnen staan, maar deed dat niet. Ook kondigde hij niet af als landelijke of plaatselijke verordeningen publiek gemaakt werden, dus hij hinderde niemand.

Smits’ brief werd door Wesselman doorgestuurd naar de Gouverneur met de opmerking, dat Wesselman geloofde “dat wederkeerige afgunst en broodnijd welke er tusschen den Secretaris en Notaris plaats heeft” de voornaamste schuld was van alle harrewarrerijen, waarbij de notaris zich in het bijzonder beijverde om alle handelingen van de gemeente te dwarsbomen. Na lezing van de brieven van notaris en districtscommissaris, concludeerde de Gouverneur dat gemeentesecretaris Van Eupen veroorzaker van alles was en daarom nam hij geen verdere stappen richting notaris Smits.

Niet duidelijk is hoe lang deze verbitterde strijd doorging, wel is duidelijk geworden dat ze elkaar niet lagen, de notaris en secretaris.

Bron: BHIC, Den Bosch, Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, toegangsnummer 17, inventarisnummer 1022

Geen opmerkingen:

Een reactie posten