Dit fraai klinkende woord gebruikte districtscommissaris
Wesselman om aan te geven dat twee heren van stand met elkaar aan het kibbelen
waren, of op z’n Gimmers: ze hadden “ruuzeng”.
Ze zaten elkaar al langer in de haren, notaris Smits en gemeentesecretaris Van
Eupen.
Begin 1842 was de maat bij burgemeester Rietman vol en kaartte
het aan bij de Gouverneur van de Provincie: de notaris kondigde zijn
verkopingen aan op hetzelfde tijdstip als de gemeente zijn publicaties
bekendmaakte. En hoewel Rietman hem had gevraagd dit niet meer te doen, had
Smits daar geen oren naar. De Gouverneur was van mening dat Smits onwelvoeglijk
en kwalijk handelde, maar wilde niet tussenbeide komen en gaf Wesselman
opdracht de zaak op te lossen. Deze nam contact op met de notaris. Hij ging
ervan uit dat Smits zich redelijk zou gedragen en zijn afkondigingen voortaan op
een ander tijdstip zou gaan doen. Wesselman had echter buiten de waard
gerekend.
Smits antwoordde hem via een uitgebreide brief waarin hij
uit de doeken deed wat was voorgevallen. Toen hij namelijk in 1837 tot notaris
was benoemd was een aantal Gemertse inwoners het hiermee niet eens. Aan het
hoofd van dit groepje stond gemeentesecretaris Van Eupen. De broer van de
secretaris was namelijk deurwaarder en dus ook bevoegd om verkopingen van
roerende goederen te doen. En de secretaris nam die taak vaak van zijn broer
over. De reden wist Smits niet, maar “de
wever en de fabrijkant, de landman en de burger” verlieten na verloop van tijd
de secretaris en kwamen voortaan bij Smits voor hun zaken.
Dat was de oorzaak, volgens hem, van aantijgingen en
vuiligheden die hem ten laste werden gelegd. Hij werd gehinderd in zijn werk,
het werd hem moeilijk gemaakt op het gemeentehuis de kadastrale registers in te
zien en later werd hem dit op bepaalde dagen zelfs helemaal ontzegd, zodat hij
ervoor naar Eindhoven moest. En dat allemaal dankzij de secretaris. Smits verweet
burgemeester Rietman argeloosheid en hij beschouwde Smits als een vijand van
Gemert.
Toen Smits pas begon, schreef hij, liet hij zijn
bekendmakingen doen door de secretaris, die hij 15 cent betaalde voor elke
afkondiging, maar na verloop van tijd kwamen zijn afkondigingen pas na die van
de gemeente en na die van de secretaris en dat werd dan ook nog onverstaanbare
wijze en vol spot gedaan. Daarom besloot hij dit voortaan zelf te doen en wel
op dezelfde tijd als die van de secretaris, op zondag na de Hoogmis, want dan
hoorden de meeste inwoners het. En daarover klaagde de burgemeester, wat
nergens voor nodig was. Hij kondigde zijn zaken aan voor ’n herberg dat 40
ellen verwijderd was van het Raadhuis waar de secretaris zich bevond. Smits had
ook twee herbergen dichterbij kunnen staan, maar deed dat niet. Ook kondigde hij
niet af als landelijke of plaatselijke verordeningen publiek gemaakt werden,
dus hij hinderde niemand.
Smits’ brief werd door Wesselman doorgestuurd naar de
Gouverneur met de opmerking, dat Wesselman geloofde “dat wederkeerige afgunst en broodnijd welke er tusschen den Secretaris
en Notaris plaats heeft” de voornaamste schuld was van alle
harrewarrerijen, waarbij de notaris zich in het bijzonder beijverde om alle
handelingen van de gemeente te dwarsbomen. Na lezing van de brieven van notaris
en districtscommissaris, concludeerde de Gouverneur dat gemeentesecretaris Van
Eupen veroorzaker van alles was en daarom nam hij geen verdere stappen richting
notaris Smits.
Niet duidelijk is hoe lang deze verbitterde strijd doorging,
wel is duidelijk geworden dat ze elkaar niet lagen, de notaris en secretaris.
Bron: BHIC, Den Bosch, Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, toegangsnummer 17, inventarisnummer
1022
Geen opmerkingen:
Een reactie posten