Geschiedenis

vrijdag 25 augustus 2023

Een keer drie en tachtig keer twee

Genealogie is niet mijn onderzoeksterrein. Ik heb er niet veel mee, het is niet mijn ding, zegt men tegenwoordig. Verder terug dan de namen van mijn grootouders kom ik niet. Toch zijn gegevens van de familiestamboom aanleiding voor dit artikel.


Mijn opa Bertje van de Laar trouwde in het jaar 1908 met Johanna de Haard en negen maanden later werd mijn vader Martien geboren. Er volgden nog elf andere kinderen, in die tijd was een groot gezin normaal. Niet alle kinderen werden oud. En ook dat is in die tijd gebruikelijk. In het gezin van opa werden zes kinderen niet ouder dan vier maanden.

De laatste uitbreiding van dit gezin was de geboorte van een tweeling in het jaar 1922. Petronella werd op 28 december van dat jaar om tien uur ’s morgens geboren en Hendricus een half uurtje later. Zij overleed al na elf dagen en het zoontje werd maar zeven dagen ouder. Interessant zijn hierbij de “verklaringen van overlijden”, geschreven door de huisarts dokter Timmers. Bij de dood van het dochtertje vermeldde hij dat de doodsoorzaak onbekend was én dat zij op grond van hygiënische gronden al twee dagen na het overlijden, begraven moest worden. Op het overlijdensbriefje van zoontje Hendricus vergiste dokter Timmers zich twee keer. Hij noemde hem Mari en hij verklaarde dat deze op 15 maart was overleden, terwijl hij dit briefje dateerde op 15 januari. Het zoontje overleed aan aangeboren lichaamszwakte, een term die je op dergelijke overlijdensbriefjes vaker tegenkomt. Hendricus overleed daadwerkelijk op 15 januari, volgens de overlijdensakte die was opgesteld door Theo Thijssens, de ambtenaar van de burgerlijke stand.


Verklaring van overlijden van Hendricus, zoontje van Bertje van de Laar,
geschreven door dokter Timmers met daarop twee fouten

Het gegeven, de geboorte van de tweeling bij mijn opa, wierp de vraag op hoeveel meerlingen in ons dorp zijn geboren en hoe het hen is vergaan? Daarvoor moest ik in de aktes van de burgerlijke stand op zoek naar de antwoorden. In de geboorteaktes vind je natuurlijk de meeste gegevens. Er zijn echter ook kinderen levenloos geboren en die zijn hierin niet opgenomen, maar werden in overlijdensaktes vermeld. Vanwege privacywetgeving zijn alleen de geboorteaktes openbaar die ouder zijn dan honderd jaar en daarom gaat mijn onderzoek over de periode 1811 tot en met het jaar 1922. Ruim tienduizend geboorte- en overlijdensaktes zijn door mij verwerkt en hieruit komt het volgende beeld naar voren.

Drieling
Er is in deze periode van 112 jaren slechts een drieling geboren. Op 31 mei 1880 trouwde Albertus van Dommelen met Wilhelmina van Vlerken en op 19 februari 1881 kwamen drie zoontjes ter wereld. Volgens de geboorteaktes werden zij alle drie om drie uur ’s nachts geboren. Het moet voor dit pas gesticht gezinnetje vreselijk zijn geweest om hun zoontjes nog diezelfde dag een voor een te zien sterven, Antonius om elf uur ’s morgens, Martinus om een uur en Petrus om drie uur ’s middags. Hierna kreeg het paar nog vijf kinderen, drie zoontjes en twee dochtertjes.

Tweelingen
De definitie van een tweeling is dat twee individuen dezelfde baarmoeder gedeeld hebben tijdens een enkele zwangerschap en meestal -maar niet altijd- vlak na elkaar geboren zijn. In de loop van al die jaren zijn in ons dorp eenentachtig tweelingen geboren. In 1917 ligt schipper Janssen uit Lanaken hier aangemeerd als zijn vrouw bevalt van twee zoontjes. Hoe het verder met hen afloopt is niet na te gaan. Deze tweeling laat ik verder buiten beschouwing en beperk me tot de overige tachtig tweelingen bij mensen die in genoemde periode in ons dorp wonen. Opvallend is het grote aantal meisjes bij deze tweelingen, namelijk 91 tegenover 69 jongetjes. De verhouding is 100:76. Bij gewone of enkelvoudige geboortes is die verhouding 100 meisjes tegenover 103 jongetjes, een fors verschil en een verklaring hiervoor is niet voorhanden.

In een eerder artikel voor D’n Tesnuzzik schreef ik dat in die jaren de kindersterfte groot was. Een op drie kinderen stierf voordat deze vijf jaar oud was. Bij de hier onderzochte tweelingen is het nog veel droeviger gesteld. Twee op de drie kinderen werden niet ouder dan drie jaar. Het gaat om 57 meisjes en 48 jongetjes.

Verklaringen
Dit hoge sterftecijfer kan worden verklaard door de medische en sociale omstandigheden in de 19de en begin 20e eeuw. Tweelingen werden en worden vaker vroeggeboren en hebben een lager geboortegewicht in vergelijking met eenlingen. Vroeggeboorte en een laag geboortegewicht zijn risicofactoren voor verschillende gezondheidscomplicaties en hebben een grotere kwetsbaarheid voor infecties.

Medische kennis en technologie waren in de 19e eeuw niet zo geavanceerd als nu. Zorg bij pasgeborenen en medische ingrepen voor te vroeg geboren of zieke baby's waren beperkt, wat leidde tot een hogere kans op overlijden bij te vroeg geboren of medisch kwetsbare tweelingen.

Beperkte zorg voorafgaand aan de geboorte was in de 19e eeuw niet zo uitgebreid als nu of het ontbrak in zijn geheel. Moeders die een tweeling droegen, hadden mogelijk onvoldoende controle of medische zorg gekregen, wat de gezondheid van de baby's kon aantasten.

Sociale en economische factoren: gezinnen in de 19e eeuw hadden mogelijk te maken met financiële beperkingen en moeilijke levensomstandigheden. Slechte levensomstandigheden, gebrek aan toegang tot goede sanitaire voorzieningen en overvolle huishoudens konden het risico op infecties en ziekten hebben vergroot, waardoor de overlevingskansen van baby's in het gedrang kwamen.

Geboorte-uren
Op de geboorteaktes vulden de ambtenaren ook het uur van geboorte in. Vaak werden dezelfde tijden genoteerd bij beide kinderen, zeker in de beginperiode, later verbeterde dit. Je kunt daarom niet blindvaren op deze gegevens, het geeft echter wel een aardige indicatie. Zo zien we dat er meer geboortes van de eerstgeborene ‘s morgens plaatsvinden dan later op de dag. Van ’s nachts twaalf tot ’s middags twaalf
uur werden 44 kinderen geboren tegenover 36 kinderen van ’s middags tot middernacht. En natuurlijk werden grotere verschillen in tijd tussen de geboorte van het eerste met het tweede kind genoteerd.

Willem Saris was getrouwd met Johanna Hendriks. Op 14 oktober 1829 beviel Johanna om tien uur ‘s avonds van Geertruida en pas de volgende dag werd het tweede kind Petronella om tien uur ’s morgens geboren. Johanna deed liefst dertien uur over de bevalling! Benieuwd of de tweeling hun verjaardag op afzonderlijke dagen vierden.

Bij nog een ander echtpaar werd een tweeling op afzonderlijke dagen geboren.
Smid-bankwerker Jacobus van den Eijnde trouwde met Catharina Maria Meulendijks. Op 1 november 1920 werd een kwartier voor middernacht dochtertje Catharina Maria -ja, dezelfde naam als de moeder- geboren. De volgende dag om zes uur ’s morgens kwam zoontje Franciscus ter wereld.

Een andere, letterlijk en figuurlijk, pijnlijke bevalling was die op elf november 1897. Landbouwer Antonius Smits was getrouwd met Johanna van Leuken. Om halfvier in die nacht beviel Johanna van een levenloos meisje en achtenhalf uur later werd dochtertje Jacoba ’s middags om twaalf uur geboren. Zij was geen lang leven beschoren, want zij stierf twee dagen later op dertien november.

Levenloos geboren
Er zijn bij al deze tweelingen meer kinderen die levenloos geboren werden, in totaal gaat het om vijftien kinderen. Spijkermaker Jan Hendrik Bouman, hij kwam oorspronkelijk uit Zaltbommel, en Hendrina van Osch trouwden op vijf augustus 1859 in Beek en Donk en zeven maanden later werd op 31 maart een levenloos zoontje geboren. Op zeven februari 1862 werd een levenloze tweeling geboren, beiden jongetjes. Weer ’n jaar later werd daar weer een levenloos jongetje geboren. Het echtpaar had geen geluk met kinderen en het verhuisde in 1864 naar Veghel.  

Ook bij wever Jacobus Willems, die getrouwd was met Wilhelmina van den Heuvel, werd een levenloze tweeling geboren. Dat was in november 1872, terwijl zij twee maanden daarvoor uit Gemert hier naartoe waren verhuisd. Het jaar daarop vertrokken zij weer naar Gemert.

Landbouwer Theodorus van den Boom en Dorothea van Dijk kregen een levenloze tweeling in 1883; de tweeling was te vroeg geboren. Eerder was een dochtertje geboren en later kwamen er nog twee jongetjes en een meisje bij.

Bij de andere levenloze kinderen werden levende broertjes of zusjes geboren. Hoe moeilijk het in die tijd was om deze kinderen groot te brengen blijkt uit het feit dat zeven daarvan een zeer zwakke gezondheid hadden. Zij werden niet ouder dan 2 dagen tot 5 maanden. Uitzonderingen zijn er gelukkig ook, Geertruda van de Ven, geboren op 26 maart 1844, werd 56 jaar en Francisca van de Wetering die op 6 januari 1879 werd geboren, stierf in Sint-Oedenrode toen zij 88 jaar oud was.

Twee keer twee
Zeven echtparen kregen twee keer ’n tweeling. Dirk Verhoeven en Willemijna van de Laar kregen in 1811 en 1819 ’n tweeling die maar enkele maanden leefden. Bij katoenbleker Engelbert Dahmen en Maria Catharina van der Aa was dat in 1852 en 1855. Secretaris Gijsbertus Swinkels was getrouwd met Hendriena Swinkels. Zij kregen in 1863 en 1867 een tweeling en alleen Alphonsus Aloysius bereikte de respectabele leeftijd van 73 jaar; hij was gemeenteontvanger, de andere kinderen overleden binnen tien maanden.

De Zuid-Willemsvaart 18 nov. 1940, Begrafenis van Alphonsus Swinkels

Metselaar Andries Lammers trouwde met Wilhelmina van Bragt. Het paar kreeg in 1869 en 1875 een tweeling. Johannes Raaijmakers en Louisa Heesakkers kregen in 1881 en 1893 twee tweelingen. Draadtrekker Theodorus van Osch en Maria Meulendijks werden verblijd met tweelingen in 1904 en 1906. Ook toen stierven drie van de vier binnen twee maanden. Het laatste echtpaar dat twee tweelingen kreeg was Johannes van Kessel en Wilhelmina van Dijk. Bij hen stierven in 1918 beide zoontjes na 17 en 22 dagen en de in 1920 geboren tweelingzoontje Johannes stierf al na zes weken, terwijl dochtertje Henrica na zeven weken het leven liet. Bij beide tweelingen was sprake van overlijden door “aangeboren lichaamszwakte”.

Losse feitjes
1. In de onderzochte periode zien we dat in het zomerseizoen (de maanden juni, juli, augustus) minder geboortes van tweelingen plaatsvinden dan in de andere seizoenen.

 

2. We zien dat bij de tweelingen de verhouding van meisjes ten opzichte van jongens verschuift. Werden in het begin van de onderzochte 112 jaren meer meisjes dan jongens geboren, in de periode 1899 tot en met 1922 is dit helemaal gewijzigd. Een verklaring voor dit fenomeen heb ik niet kunnen vinden.


3. Volgens enkele websites die gaan over het krijgen van baby’s zou de kans op het krijgen van een tweeling vergroot worden als de aanstaande moeder van Afrikaanse afkomst is, de moeder tussen 30 en 40 jaar oud is, de moeder groter en zwaarder is dan gemiddeld, of als de moeder in het verleden meer zwangerschappen heeft gehad. In ons dorp woonden in de onderzochte periode geen personen uit andere werelddelen, dus dat argument geldt hier niet. De leeftijd kan wel een rol spelen; we zien dat de gemiddelde leeftijd van de Beek en Donkse moeders 33 jaar is. Het derde argument -de grootte en het gewicht van de moeder-  is niet onderzocht. Het laatste argument is niet steekhoudend. In mijn onderzoek zijn er moeders die al bij de eerste zwangerschap ’n tweeling kregen én moeders die pas na meerdere koters een tweeling op de wereld zetten.

Puzzeltocht langs aktes
Ter afsluiting van dit artikel een aardige anekdote. Om te tonen hoe moeilijk een zoektocht naar personen kan zijn. Maar toch ook interessant!

Vroeger gebeurde het regelmatig dat, wanneer ouders hun kinderen niet meer konden grootbrengen, een of meer van hen werden uitbesteed. Zij werden dan ondergebracht bij mensen die hen konden onderhouden. Dat was het geval met de familie Van den Boogaard.

Hendrikus, kuiper van beroep, vertrekt in juni 1889 met vrouw Theodora Konings en hun vier kinderen vanuit Beek en Donk naar Helmond. In Helmond wordt zoontje Henri geboren en direct daarna verhuist het gezin in 1891 naar Aarle-Rixtel. Hier worden nog drie kinderen geboren, waaronder dochtertje Wilhelmina waarover zo meteen meer. Intussen vertrekt Hendrikus met zijn oudste zoon Willem naar Duitsland om daar eerst in Essen en vervolgens in Duisburg te gaan werken. Als beiden zijn teruggekeerd verhuist het hele gezin in juli 1900 van Aarle-Rixtel naar Helmond. Om in 1905 van daaruit naar Rüttenscheid vlakbij Essen te vertrekken, nu met vrouw en de rest van het gezin. Niet bekend is wanneer, maar zij komen uiteindelijk uit Duitsland terug en wonen in ieder geval in 1921 weer in Aarle-Rixtel. Tot zover het nomadische spoor van de familie.

Het lijkt erop dat moeder Theodora het moeilijk heeft, want het vierjarig dochtertje Wilhelmina wordt bij haar tante Johanna Maria van den Boogaard ondergebracht. Dat gebeurt op 2 oktober van het jaar 1899, tien dagen nadat haar broertje Johan in Aarle-Rixtel geboren is.

Deze tante woont met haar broer Johannes hier aan de Gemertseweg. Daar blijft Wilhelmina wonen en wordt naaister. Zij wordt bezwangerd en op 14 december 1914 wordt een tweeling geboren, de zoontjes Theodorus en Johannes. Gebruikelijk is dat de vader bij de geboorte van ’n kind deze bij de ambtenaar van de burgerlijke stand komt aangeven. Hier gebeurt dat niet, want het is dokter Timmers die bij de bevalling aanwezig is geweest. Hier ontbreekt dus een vader. Eigenaardig is nog het volgende. Vier maanden later komt in april Wilhelmina naar het gemeentehuis om op aparte geboorteaktes te verklaren dat beide zoontjes de hare zijn. Dergelijke verklaringen ben ik niet eerder tegen gekomen.

In het verleden gebeurde het vaker dat men voor ongehuwde moeders op zoek ging naar een geschikte man om toch nog een redelijke toekomst voor moeder en kind te garanderen. Het lijkt erop dat dit hier ook het geval is, want nadat Wilhelmina in het jaar 1921 verhuist naar Helmond, trouwt zij daar twee jaar later met varensgezel Gerardus Konings. Gerardus was de zoon van de broer van de moeder van Wilhelmina… haar neef.


Tweeling van na de onderzoeksperiode.
Antoon en Ria Roos, geboren in 1935.
 Foto door auteur

Bronnen

Aktes van de burgerlijke stand en bevolkingsregisters. Te vinden bij de gemeentelijke archieven die opgeslagen zijn bij het Regionaal Historisch Centrum in Eindhoven (RHCe) of bij het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) in Den Bosch

RHCe Gemeentebestuur Beek en Donk 1811-1930, 13046-574, Verklaringen van Overlijden

D’n Tesnuzzik nr 2-2022, Het verdriet van Beek en Donk

vrijdag 10 maart 2023

Broedermoord

Maar liefst vijf keer hebben de schepenen getuigen gehoord in de zaak, vier keer hier in de raadkamer en Gemertse schepenen hebben twee drinkmaten uit hun dorp verklaringen laten afleggen. In totaal zijn 38 personen verhoord met weinig meer als resultaat dan “van horen zeggen”, “ik heb niets gezien”, “daar was ik niet bij” en dus geen eensluidend bewijs. Toch kwam er later een veroordeling, want er was wel degelijk het nodige gebeurd.
 
Een reconstructie
Het is zondag 18 november 1781. ’s Middags is Christiaan Maas[i] tot zes uur in de herberg van Peeter Dekkers geweest en van daaruit ging hij naar de kroeg van boer/herbergier Gerrit van der Cruijs. Zijn jongere broer Claas is diezelfde dag van ’s middags twee tot negen in de herberg van Bartel van den Bogard, drinkt ’n pintje en kaart met de knecht van Hendrik van Will, Peeter Swinkels en Joseph Leenders. Later op de avond treffen Claas en Christiaan elkaar in de herberg van Willem Goord van Bragt. Van daaruit zijn zij rond half twaalf, na nog even buiten de deur met de twee Gemertse maten[ii] gepraat te hebben, richting huiswaarts gewandeld. Wat er hierna precies is voorgevallen is niet helemaal duidelijk.
 
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat beide broers “konnen samen nie wel accorderen”, zij hadden in het verleden op jonge leeftijd al regelmatig ruzie en de laatste tijd ging het er steeds om dat het Christiaan niet zinde dat Claas een oogje had op een zus van Willem Goord van Bragt, de herbergier.
Johannes Dirk van den Bogard en Johannes Mathijs Swinkels komen die avond volgens hun verklaringen om twaalf uur van Ginderdoor aan in de Auwerstraat toen zij bij het huis van Hendrik Corstiaan Maas horen roepen: “Lieven Heere Jesus wat is mij overkomen?” Zij weten alleen niet wie wat heeft gedaan.
Peter Jansen van der Putten verklaart dat Laurens van Grotel, bijnaam van Laurens van Kuijk, hem vertelde dat het gerucht ging dat Claas om twee uur diezelfde nacht naar zijn oom Michiel van Heertum in Aarle is gegaan en hem het “begaane fait” heeft opgebiecht, waarop Michiel hem de raad gaf zich van kant te maken of om te vluchten. Laurens heeft dit weer van anderen gehoord. Mocht dit het geval zijn, is het eigenaardig dat deze Michiel van Heertum niet gehoord is, althans er zit geen verklaring van hem in het dossier.
Een van de buurtgenoten van de familie Maas, Francis Hendrikx van der Heijden, is in de bewuste nacht tussen twaalf en een uur door Jan Peter Willem Martens uit bed geroepen, omdat Christiaan met een messteek is thuisgekomen. Zij zijn naar Maas gegaan en Francis zag dat het al te laat was.
Een aantal getuigen wordt verhoord op 23 november 1781

 
Op maandag 19 november gaan de schepenen Johannes van Vegchel, Peeter Jansen van der Putten en Nicolaas (Claas) Verhallen zich, samen met medicine doctor Jacobus Teesing uit Erp en meester-chirurgijn Jacob de Fost uit Gemert, naar het huis van Hendrik Corstiaan Maas. Daar treffen zij het dode lichaam van zijn zoon Christiaan. Hij is overleden aan de verwondingen, door messteken in de buik.
 
Op 22, 24 en 27 november gaat vorster Johannes van Heemert samen met schutter en dienaar van justitie Adriaan Simons naar het huis van Hendrik Maas om de verdachte van de steekpartij Claas, op te halen voor ondervraging. Hij is niet aanwezig en het blijkt dat hij nog steeds op de vlucht is. En op 28 november schrijft drossaard Johan de Jong aan de Raad van Brabant dat broer Claas de vermoedelijke dader is.
 
Veroordeling
Enkele maanden later, op 20 februari 1782, geven de vier Donkse schepenen Jan v.d. Oever, Gerrit Gruijters, Nicolaas Verhallen en Peeter Jan v.d. Putten te kennen om als rechters in de zaak tegen Claas Maas te worden vervangen. Dit vanwege bloedverwantschap met de familie Maas[iii]. Dit wordt ingewilligd en de Donkenaren Jan Piet v.d. Putten, Willem Jansen v.d. Bogard, Gijsbert Swinkels [Donkersvoort] en Louwrens Dries Maas vervangen hen en treden op als rechters in dit familiedrama. Doordat Claas voortvluchtig blijft en dus niet aanwezig is, moet de rechtszaak tot vijf keer toe worden uitgesteld. Pas op 19 augustus kunnen de schepenen van Beek en Donk rechtspreken, na advieswerk van de advocaten T. Santvoort en Willem Corn. Ackersdijck uit Den Bosch[iv].
Claas Hendrik Maas wordt op 19 augustus 1782 bij verstek veroordeeld tot levenslange verbanning uit onze heerlijkheid. Mocht hij alsnog in handen van justitie vallen, zal hij alsnog worden gevonnist.
 
De vier schepenen laten zich in het proces vervangen

Bronnen:
BHIC Den Bosch, Inventaris Raad van Brabant, inventarisnummer 466-575

RHC Eindhoven, Archief Beek en Donk 1607-1811, jaarrekening 12-87 en registers van resolutiën 4-5



[i] Christianus (Christiaan) Maas, geboren 22 december 1752, oudste zoon van Hendrik Corstiaan Maas. Hendrik is getrouwd met Maria Petri Claassen van den Oever en woonachtig in de Karstraat. Nicolaas (Claas) is het tweede kind van Hendrik en Maria, geboren op 14 november 1754.

[ii] Jan de Willem Tony van Kessel en Willem Willems Nol van de Vondervoort, uit de Groenendaal, hebben bij hun Gemertse schepenen verklaringen over die avond afgelegd.

[iii] In de jaarrekening wordt de term maagschap gebruikt voor familiebetrekkingen, bloedverwantschap.

[iv] Zij ontvangen hiervoor 28 gulden en 3 stuivers.