Geschiedenis

zondag 17 december 2017

Bestendige staat van dronkenschap

Als een burgemeester tijdelijk vervangen moet worden, is het gebruik dat de wethouder zijn taken overneemt. Dat was vroeger ook al het geval en toen burgemeester De Munck in 1831 tijdelijk vervangen moest worden[1], zou 1ste assessor (tegenwoordig wethouder der gemeente) Jan van Vegchel dit moeten doen.

In die tijd was Brabant nog onderverdeeld in districten en bij ons zwaaide commissaris Wesselman de scepter. Deze man had veel invloed in de gemeenten en bij de provincie. Zijn wil was wet zou je kunnen zeggen. Wesselman wil notaris Van Kemenadeals vervanger van de burgemeester en niet ‘n assessor. Glashard schrijft Wesselman aan de Gouverneur[2] van de provincie dat Van Vegchel het niet kan, omdat hij zich “in een bestendige staat van dronkenschap bevindt”. En de tweede assessor, Maas, is een eenvoudige boer die ver van het middelpunt van de gemeente woont. Ook hij kan het niet.

Bij zijn brief voegt Wesselman een brief van beide assessoren, waarin zij dit ook erkennen. En, zo merkt Wesselman op, als je kijkt naar de handtekening van Van Vegchel kun je zien dat Jan zijn handtekening gezet heeft in een delirium intervallum en dat hij, Wesselman, niets te veel heeft gezegd.

De Gouverneur neemt de aanbeveling van Wesselman over en benoemt Cornelis van Kemenade als tijdelijke burgemeester.

Dat Wesselman niet helemaal ongelijk heeft als hij schrijft dat Jan steevast dronken is, kun je zelf ook constateren als je de handtekening vergelijkt met ‘n andere van Jan. Opvallend is dat iemand anders zijn handtekening heeft overgetrokken, omdat het anders helemaal onleesbaar zou zijn.
Handtekening in dronken toestand

 
Handtekening als Jan nuchter is


In een eerder artikel[3] schreef ik dat Jan van Vegchel in 1833 ontslag nam als raadslid en assessor van ons dorp. Wellicht zou het voor Beek en Donk beter zijn geweest als hij dit al veel eerder zou hebben gedaan.

Bron: BHIC, Den Bosch, Ingangsnummer 17, Inventarisnummer 613


[1] Hij was benoemd tot 2e luitenant bij de Noord-Brabantse schutterij. De taak van de schutterij was het assisteren bij en het overnemen van krijgsdiensten van de nationale militie ten tijde van oorlog. De Belgische Opstand van 1830 gaf hiertoe aanleiding.
[2] Nu Commissaris der Koning genoemd.
[3] Een afgedwongen “eervol” ontslag, D’n Tesnuzzik nummer vier van 2013

Klap van de molenwiek?

Voordat Jan vertrok was er niks aan de hand, maar toen hij weer uit Brabant thuis kwam is de dwaasheid begonnen. En het werd zo erg dat chirurgijn Berings uit Helmond had geprobeerd hem van “zijn geckigheidt te redresseren.” Met grote moeite lukte dat ’n beetje terwijl Jan tijdens de behandeling de nodige onzin uitkraamde. Daarna had Berings het nog eens geprobeerd maar weer het lukte niet. Enkele dagen hierna heeft zelfs medicine doctor Johan van Osch uit Eindhoven Jan onderzocht. Hij schreef hem middelen voor die ertoe zouden kunnen leiden dat “deze sinnelooshijt in rasernij kon veranderen.” Ook dat mocht allemaal niet baten, zo luiden later enkele getuigenverklaringen.

Jan Eijken is in Sint Oedenrode getrouwd met Honorina Teulings en zij komen naar hier, omdat Jan molenaar is geworden op de Beekse molen. Eerst wonen zijn nog in bij de weduwe van de vroegere gemeentesecretaris De Zeelandt die op het Heuvelplein woont. Later bewonen zij een huis aan de Beeksestraat, de huidige Pater Becanusstraat. Ze hebben drie kinderen en ook de broer van Jan, Willem, woont bij hen en helpt mee op de molen. De krankzinnigheid van Jan neemt toe. Je zou kunnen zeggen dat de molen door de vang was, ofwel er was geen houden meer aan en dat vindt zijn dieptepunt op de vroege morgen van zondag 25 juli 1745 als hij in opperste gekte zijn vrouw met een mes aanvalt en haar de hals doorsnijdt. Hij vlucht naar de zolder en verstopt zich.

Er zijn geen directe getuigen van het drama hoewel even tevoren Willem wel zijn naam hoorde roepen. Toen hij ging kijken was het al te laat en zag Honorina met bebloed lichaam in de keuken liggen. Bij de schepenen komen ook verklaringen van Catharina van Sanden (van de Santvoort) die bij Jan en Honorina naaister is geweest en van de dienstmeid Maria Gruijters. Beiden hebben die nacht in het huis van Eijken geslapen en Maria is rond vijf uur ’s morgens door Honorina geroepen, maar zij durfde niet op te staan om poolshoogte te nemen. Na de steekpartij heeft Willem, geholpen door Willem Boxmeer en Jan van Waerden (getrouwd met de zus van Jan Eijken), Jan op zolder vastgehouden maar hij wist zich los te rukken, sprong uit het raam en vluchtte. Tegen de 15-jarige Hendrikus van der Putten -die intussen ook was gekomen- had Willem nog gezegd: “Ga naar de pastoor, want daar is haast over haast.” En toen deze Hendrikus buitenkwam zag hij Jan uit het zolderraam springen “zonder hoed of muts, noch kousen of schoenen aan.” Hij vluchtte weg langs het huis van Willem Dielis Gruijters. Hierna werd de achtervolging ingezet door Piter van der Putten, Claas Jacobs Verbakel, Paulus Janssen Canters, Jan Nicolaas Frunt, Johannes Hendrick Gruijters en Dirk Cleene. Zij kregen hem niet te pakken. De dag erna wordt het dode lichaam van Jan aangetroffen in Mierlo, gestorven aan de gevolgen van “uijtsinnighijdt.” Honorina is nog door doctor Ignatius van den Dijck en chirurgijn Petrus Schippers onderzocht en zij constateerden dat Honorina is overleden aan een slagaderlijke bloeding.

Later stellen de Beek en Donkse schepenen Henricus Teulings en Jan van der Waerden, respectievelijk broer en schoonbroer van Honorina, aan als voogden van de drie minderjarige kinderen. Zij maken een inventaris op van de roerende en onroerende goederen. In Sint Oedenrode hadden Jan en Honorina hooibeemd en teulland. Hier in Beek en Donk hadden zij de nodige grond en in huis waren onder andere vier bedden, twee snaphanen, twaalf stropdassen, vier molenzeilen en ƒ29 aan geld. Ook was er wat goud- en zilverwerk. Bovendien liep er ’n koe en een varken rond. Op 14 december 1745 wordt het huis met land openbaar verkocht aan Jan Willems Vermeulen die een bedrag van ƒ612 betaalt. De kinderen van Jan Eijken worden nog enkele jaren door de plaatselijke Armentafel financieel ondersteund. Zij krijgen een bedrag met het equivalent van vier vaten rogge. 
Afschrift uit de Armentafel; de kinderen van Jan Eijken worden ondersteund.
 
 

Genealogische gegevens
Zoals vaak in het verleden zie je namen van personen op veel verschillende manieren in de archiefstukken geschreven. In dit artikel is Jan Eijken de hoofdpersoon, maar de volgende namen kom je ook tegen: Yken, IJken, Eijk, Eijke, van der Eijk. Jan is de zoon van Arnoud en Theresia van der Boer. Hij is gedoopt op 20 januari 1716 in Woensel.

Honorina Teulings kom je tegen als Hendrina, Catarina, Catharina Honorina en de achternaam zie je als Teulling, Teullings, Tulings, Tulinx opduiken. Zij is de dochter van Peter en Wilhelma van Hoorn, gedoopt op 7 juli 1714 in Sint Oedenrode.
Jan en Honorina trouwen in Sint Oedenrode rond 1741. Als zij in Beek en Donk wonen worden de volgende kinderen geboren en gedoopt: Wilhelma op 10 september 1741, Arnoldus op 14 januari 1743 en Petrus op 9 juli 1744.
Jan is op 4 november 1744 in Son doopgetuige bij Renerus Moonen, zoon van Petrus en Adriana Teulinx en op 8 januari 1745 bij de doop van Theodorus, het zoontje van Jan v.d. Weerden en Maria Eijken in Blaarthem, een wijk van Gestel.

Uit de stukken wordt niet duidelijk waarop de eigenaardige verklaringen aan het begin van dit artikel slaan, dat Jan gek zou zijn geworden toen hij uit Brabant kwam. Vermoedelijk is dit een vergissing van schrijver Ludolph Ribbius, de gemeentesecretaris, en wordt hier Blaarthem bedoeld waar Jan naar toe is geweest.
Laat mij dit treurige artikel eindigen met een toepasselijke sombere strofe uit het gedicht MOLENLIED van Jaap Slingerland:
Buiten, binnen, boven, onder,
´t Is een beven een gedreun,
Een geloei, getier, gedonder,
Is ´t een ruisen, klagen zuchten,
Striemend zwiepend ongestoord,
Slaat de regen uit de luchten
En de wieken draaien voort.

Bronnen:
BHIC Den Bosch, Raad van Brabant, toegangsnummer 19, inventarisnummer 466-278
RHC Eindhoven, Oud Rechterlijk Archief Beek en Donk 52, 71 en 104
RHC Eindhoven, Archief Beek en Donk 1300-1811, Inventaris 16-42
Internet: https://familysearch.org

Misstap bij intrede

Hendrik Thijssen van Stiphout is op 19 januari 1772 getrouwd met Francisca Janse van Dinther van de Donkse hei. Na ’n jaar betrekken zij met Pinksteren een eigen huis op Donkersvoort. Om dat heuglijke feit te vieren hebben zij de maand erna, op zondag 27 juni, buurtgenoten, familie en bekenden uitgenodigd voor ’n biertje en jenevertje. De inwijding van hun huis, in de processtukken wordt het “intrede” genoemd, wordt zodoende druk bezocht. Een van hen is Joseph Leendert Josephs, de hoofdrolspeler in dit verhaal.

Vlakbij dit feest is de herberg van Willem van Rooij waar de Erpse Noud Vervoort (Arnoldus Willem) wat dronk, waarna hij naar het huis van Hendrik Peeter van der Heijden trok waar hij ruzie kreeg met Jan Dirk Jansen. Vervolgens kreeg ie het bij de woning van Noud Dirk van Stiphout weer aan de stok. Nu met Jan Janse Heesackers die daar samen met genoemde Josephs even stond te kletsen nadat beiden van het feest kwamen. Toen Noud zijn mes trok, weerde Jan zich met een schop, maar Joseph pakte een eind hout en sloeg krachtig toe en raakte hem op het achterhoofd. Noud stortte neer en bleef een tijd liggen. Daarna is ie door Jan Dirk Jansen en Cornelis Willem Hendrik Peeters uit medelijden én omdat het regende in de schuur van Noud van Stiphout zwaar gewond neergelegd. Terug in Erp overlijdt hij op zes juli aan zijn verwondingen. Onderzoek door medicinae doctor Van Baar uit Sint Oedenrode en meester chirurgijn Schippers uit Veghel wijst uit dat Noud een doorgaande scheur bij de slaap heeft en een fragment van de schedel is in de hersenen gekomen, veroorzaakt door de harde klap van Joseph.

Proces en kosten
Er volgen diepgaande onderzoeken door de schepenen van Beek en Donk. Verschillende mensen worden verhoord omdat in eerste instantie niet duidelijk is wie wat heeft gedaan. Uiteindelijk wordt aangetoond dat Josephs de dader is, die aangeklaagd wordt wegens doodslag. Doordat hij uit het dorp is gevlucht wordt zijn proces tot vier keer toe uitgesteld. Nadat een advies is gevraagd van twee rechtsgeleerden wordt Joseph Leendert Josephs uiteindelijk op 4 december 1773 voor eeuwig uit ons dorp verbannen. Zo gauw hij toch ergens wordt gearresteerd, volgt alsnog een proces zodat hij zijn gerechte straf niet zal ontlopen.

Een half jaar later besluiten de schepenen dat de proceskosten verhaald worden uit de publieke verkoop van de eigendommen van Josephs. Gemeentesecretaris Elardus Albertus Rovers krijgt opdracht de onroerende goederen te inventariseren en de openbare verkoop te leiden. Aangezien Joseph familie heeft zal zijn deel, zijnde een vijfde deel van de opbrengst, bestemd zijn voor de proceskosten, de rest is voor de familie: zus Geertruij (getrouwd met Claes Vermeulen en woonachtig in Strijp), zus Maria (getrouwd met Antony van de Vorst, woonachtig in Tongelre), zijn ongetrouwde zus Johanna uit Strijp en de ongetrouwde zus Willemijna uit Tongelre. Op 18 juni en 2 juli 1774 vindt hier in het dorp de openbare verkoop plaats. Schepen Peeter van Bragt koopt het huis en erf. Deze is gelegen op Donkersvoort langs de woning van Uman Sterken. Hendrik Peeter van der Heijden koopt een perceel hooi die gelegen is in Elsduijn aan de Weijstraat alhier. Willem Hendrik Peeters koopt een halve camp land en groes (grasland) aan de Mulse Heide; ook koopt hij een ander deel aan de Mulse Heide waarvan naast de familie Josephs ook drie broers Van Beek (twee broers uit Woensel en eentje uit Nuenen) mede-eigenaar zijn. De totale verkoop levert voor de gemeente ongeveer 85 gulden op.
 
Plattegrond van een gedeelte van Donkersvoort, getekend door landmeter Fritsen in 1818
 

Gasten
Zoals gezegd was het druk op het inwijdingsfeest bij Hendrik Thijssen van Stiphout. Uit de stukken kun je 37 namen van gasten halen waarvan het overgrote deel op Donkersvoort woont, waarbij aangetekend is dat Auwerstraat, Ooievaarsweg en Donkersvoortsestraat tot dit buurtschap gerekend worden. Voor genealogen onder de lezers volgen hier de namen.

Francis van Baarschot, Willem Paulus van Bragt, Leendert van Dinther, Jan Janse Heesackers, Hendrina en Peeter en Jan van Dirk Jansen, Joseph Leendert Josephs, Maria en Huijbert en Cornelis Peeters, Johannes Dielis Peeters, Dirk Dirk Hendrik Peeters, Peeter Jansen van der Putten, Peeter Willem van Rooij, Adriaen Antony Smits, Claas Peeters van Stiphout, Jennemie Thijssen van Stiphout (zus van Hendrik), Jacobus Johannes Verbaakel, Antony Janse Verbaakel, Johannes Johannes Teunis (Jan) Verbakel, Dirk Tonis Verbakel, Peeter Jan Peeter Wilbers.

Uit de Karstraat waren aanwezig: Hendrik van de Laer, Christiaan Hendrik Corstiaen Maas die later door zijn broer zou worden omgebracht, en Lucia Johannes Teunis Verbakel.

Verder waren daar nog Hendricus de herder van Jan Hendrikx van Dinther, Willemijna de dienstmeid van Jan van Dinther, Margarita de dienstmeid van de weduwe van Hendrik Dirkx, Willem Goord van Bragt, Francis Jansen van Leucken, Wouter Claessen van den Oever die familie is van Hendrik, Maria Jan Bartels van de Reijt die aan de Capel woont, Thomas Hendrik Slits, Claes Francis Verhallen, en de Lieshoutenaren Jan Janse Houts en Dries Andries Laurens Maas.

Interessant is dat je vaak hoort dat in vroeger tijden Beek groter was dan Donk. Waarop dit is gebaseerd is niet te achterhalen, of het moet zijn dat men het heeft over het inwonertal, wat moeilijk aantoonbaar is. Als het gaat over het aantal bewoonde gebouwen in het jaar 1771 (dus twee jaar voordat dit verhaal zich afspeelt) is Donk groter dan Beek: 112 tegen 82 woningen en boerderijtjes. Om het niet nog erger te maken voor de “Beeksen” onder de lezers tel ik voor het gemak Beekerheide tot Beek, hoewel een deel daarvan tot “Donks grondgebied” gerekend mag worden. Op Donkersvoort waren 24 woningen, een groot buurtschap dus. Het aantal inwoners in ons dorp rond die periode was iets minder dan 1100 mensen.

Bronnen
BHIC Den Bosch, Raad van Brabant, toegangsnummr 19, inventarisnummer 466-0446
RHC Eindhoven, Oud Rechterlijk Archief Beek en Donk, nummers 39, 42-4 en 56
                     Archief Beek en Donk 1300-1811, inventarisnummers 13-41 en 13-42 Hoofdgelden