Geschiedenis

woensdag 19 november 2025

De politieke carrière van notaris Cornelis van Kemenade

Gedeputeerde Staten benoemen Cornelis van Kemenade, 33 jaar oud, notaris op de Heuvel, het huidige Heuvelplein,  tot raadslid van Beek en Donk. Normaal is dat  de staten de voordracht van de raad overnemen, maar nu  gebeurt dit niet. In plaats van Willem van Vegchel, bouwman op het Meulenveld, wordt notaris Van Kemenade op 2 januari 1832 gekozen. Op 9 januari wordt hij tevens door de Gouverneur des Konings benoemd tot waarnemend burgemeester bij diens afwezigheid.

 Door het overlijden van secretaris en plaatselijk ontvanger Jan Francis Ribbius in maart 1833 wordt Van Kemenade op 1 april door de raad voorgedragen voor de post van secretaris; ook wordt hij tot oktober 1833 voorgedragen als plaatselijk ontvanger, omdat er zich geen kandidaten hebben aangediend. Op 31 mei benoemt de Minister van Binnenlandse Zaken hem tot secretaris; vanaf de raadsvergadering van 28 juni 1833 bekleedt hij deze functie.

 Johannes De Munck, burgemeester alhier vanaf 1828, wordt aangesteld als notaris in Veghel; als opvolger benoemt de Gouverneur, bij besluit van 3 april 1838 en bij besluit van 21 maart 1838 van de Koning, Van Kemenade tot burgemeester van Beek en Donk. Normaal is dat de burgemeester ook ambtenaar van de burgerlijke stand is; hij wordt op 3 oktober 1838 door de raad gekozen. Het ambt van burgemeester is een bijbaan, hij blijft notaris.

In de periode 1838 tot en met 1851 is hij zowel burgemeester als secretaris van de gemeente, zijn hoofdbezigheid is notaris. In 1850 wordt hij nog herbenoemd als burgemeester. In de herbenoemingsstaat van de districtscommissaris aan de Gouverneur staat het volgende vermeld: Van Kemenade mag worden herbenoemd als burgemeester en secretaris, jaarwedde resp. ƒ125,- en ƒ175,-; hij is op dat moment 52 jaar en heeft 7 kinderen.

In de memorie van toelichting wordt geschreven dat, als Van Kemenade niet zou worden herbenoemd, dit een een ongeluk voor de gemeente zou zijn en als hij niet zou kunnen worden herbenoemd draagt de districtscommissaris  A.v.d.Ven voor, zeer geschikt, een knappe gegoede boer; minder geschikt is Hendrik Swinkels, assessor, hij is wel geschikt maar onderscheidt zich de laatste twee jaar door inhaligheid en er was tegenwerking van hem bij alle verbeteringen die er gemaakt zouden kunnen worden in de gemeente hetgeen hij zover doordrijft, dat de burgemeester er moedeloos van wordt. De tweede assessor A.P.v.Will is minder geschikt.

Op 22 december 1851 komt tijdens de raadsvergadering de missive van de Commissaris des Konings ter sprake, waarin gesteld wordt dat het notarisschap en burgemeestersfunctie niet langer verenigbaar zijn volgens de nieuwe gemeentewet van 1851. Eerder was hij gemachtigd beide functies te bekleden. Er moet een tijdelijke waarneming komen per 1 januari 1852; Leenders is oudste in jaren en hem wordt door de raad verzocht zich hiermee te belasten en Leenders neemt dit aan. De benoeming van de secretaris en plaatselijk ontvanger wordt, gegeven de omstandigheden, uitgesteld.

Van Kemenade moet dus het burgemeesterschap per 1 januari 1852 opgeven, maar blijft wel lid van de gemeenteraad. Tijdens de raadsvergadering van 15 maart 1852 zegt hij, dat hij ontslag neemt als raadslid en dat daardoor de betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand vervalt. Tijdens dezelfde vergadering moet een secretaris gekozen worden; hij stemt op zichzelf.

Tussen zeggen en doen zit een groot verschil, want hij blijft toch raadslid tot 19 juli 1852.

Intussen kandideert hij zich voor de post van plaatselijk ontvanger: op 19 maart 1852 wordt hij door de raad voorgedragen, maar hij heeft machtiging nodig om deze betrekking tegelijk met  het notarisambt te verenigen, ingevolge artikel 63 van de gemeentewet. De machtiging komt er niet.

 

 

 

Mislukte achtervolging

Acht personen bewapend met zware stokken, waren bij de kapel en Donkersvoort en vroegen daar aalmoezen aan de bewoners. Dit gebeurde in november 1845. Burgemeester Van Kemenade kwam dit ter ore en greep onmiddellijk in. Hij formeerde onder zijn leiding een groep van vijf manschappen om achter deze groep aan te gaan, en ordonneerde dat een tweede groep van twintig mannen hem zou komen ondersteunen.

Omdat de groep bedelaars een half uur voorsprong had, kreeg de burgemeester hen niet te pakken. Zij konden richting Lieshout ontsnappen. Bij navraag bleek dat de bedelaars bij verscheidene huizen om brood hadden gevraagd en enkele sneden hadden gekregen. Maar dat was in hun ogen niet genoeg. “Een bagatel helpt ons niet, geef ons een heel brood.

Hierna heeft Van Kemenade de groep gesplitst en richting Beek getrokken om hen daar eventueel op te wachten. Bij de brug aangekomen bleek dat de groep bedelaars voorzien van stokken en zakken, een uur daarvoor, was gepasseerd. Ook hier hadden zij bij huizen aangeklopt en brood gevraagd. Daar hadden ze het smoesje verteld, dat zij arbeiders waren die van de Eindhovensche vaart[1] kwamen en vandaar richting Gemert verder trokken. De burgemeester en zijn patrouille heeft de rest van de nacht gewaakt zonder verdere bijzonderheden te ontdekken.

 

Bron:
BHIC, Den Bosch, Archief De Jong toegangsnummer 317, inventarisnummer 1135

 


[1]  Op 4 juli 1845 gaf de Minister na de nodige aanpassingen in het ontwerp van de vaarroute van het Eindhovensch Kanaal te hebben aangebracht, toestemming om met de aanleg te beginnen. Info: https://rdsstichting.wixsite.com/history/single-post/eindhovens-kanaal

 

De eerste sluiswachter op Donk

De oorspronkelijke sluis op Donk werd in 1823 samen met de brug aanbesteed en voor een bedrag van ƒ69.400,- gebouwd. Aannemer van dit project was A. van Limbeek uit Schoonhoven.

Volgens de instructie hoefden sluiswachters de boten niet te schutten van een uur na zonsondergang tot een uur voor zonsopkomst. In 1825 werd al gevaren op de Zuid-Willemsvaart tussen Den Bosch en Helmond. De schippers moesten bij elke sluis passagegelden betalen, afhankelijk van het tonnage van het schip, 50 cent voor boten minder dan 10 ton als deze beladen waren en 25 cent onbeladen. Schippers van boten tussen 40 en 50 ton betaalden beladen ƒ2,75 en leeg ƒ1,12½. Deze tarieven werden in 1828 al fors aangepast. Bij de Donkse sluis betaalde de schipper 6 cent als deze stroomopwaarts voer, bij beladen boot. Onbeladen betaalde hij 3 cent. In het jaar 1828 passeerden 2121 boten de sluis met een gemiddelde tonnage 35 ton per boot. Ter vergelijking, in het jaar 1892 voeren 5517 boten door de sluis, waarvan 2050 stoomboten, en deze hadden gemiddeld 117 ton lading aan boord. Opvallend is dat deze stoomboten minder lading vervoerden dan de gewone boten.

De eerste sluiswachter werd Hendrik van Nieuwengiesse. Dit was vermoedelijk in juli 1825, want dan wordt Hendrik als sluiswachter bij de Hagoortse Sas overgeplaatst en aan genoemde sas vervangen door ene Verhoeven. Willem Burghout is zijn sluiswachtersknecht op Donk.

Toen in juli 1832 in Scheveningen een boot aankwam met daarin een aantal botersmokkelaars, die vanuit Engeland terug naar Nederland kwamen, brachten deze mannen de vreselijke ziekte cholera mee, die zich in rap tempo over het hele land verspreidde. Overal in ons land moesten lokalen aangewezen en ingericht worden als hospitaal, zo ook in ons dorp. Er stond geen gebouw leeg en het schoollokaal was te klein. Burgemeester De Munck dacht een oplossing gevonden te hebben door de sluiswachterswoning hiervoor te gebruiken, want deze werd bewoond door “een enkeld man”. Sluiswachter Hendrik zou dan bij de herberg van Swinkels aan de andere kant van het kanaal kunnen worden ondergebracht. Maar Hendrik was daartoe niet bereid. Bovendien was de woning eigendom van het gouvernement, dus daarvoor zou toestemming gegeven moeten worden. Hoe dit verder afliep, valt uit de stukken niet te achterhalen.

Bron:

BHIC Den Bosch: Rijkswaterstaat toegangsnummer 262, inventarisnummer 740

De Noord Brabanter van 13 juli 1844 Herstel aan de Donkse brug