Als
hij het eerder had geweten, had hij hem voorgesteld ontslag te nemen. Niet
alleen gebruikte hij soms te veel sterkedrank, kwalijker was dat onder zijn
leiding het financieel beheer van de gemeente in strijd was met de
voorschriften. Dit schreef de Commissaris van de Koning in een brief aan de minister
van Binnenlandse Zaken. Hij stelde daarom voor onze burgemeester niet meer te
herbenoemen, waarna dit advies werd overgenomen. Het was -en is nog steeds- gebruikelijk
dat een burgemeester telkens voor een periode van zes jaar (her)benoemd wordt, of
er moeten gekke zaken zijn voorgevallen. En dat was hier het geval.
Burgemeester
Antonie van de Ven
Naast de pastoor en de industrieel was
ook de burgemeester een machtig man binnen de dorpsgrenzen. In ons dorp was dat
in 1868 Antonie van de Ven, die bierbrouwer Arnoldus Petrus van Will opvolgde
als burgemeester van Beek en Donk. Elf jaar eerder was hij al raadslid geworden
en samen met secretaris Gijsbertus Swinkels bepaalde hij de politieke agenda in
onze gemeente. Een drietal incidenten geven een aardig beeld van het karakter
van de man.
Bedreiging
In juni 1876 kwamen twee commiezen van
de belastingdienst naar het dorp om bij boer Martinus Verbakel een koe in
beslag te nemen en het vlees ervan te verkopen. De burgemeester pakte tegen hen
uit: “Gij lieden zijt strontkerels en
strontcommiesen, maakt dat Gij de gemeente uitkomt.” Voor deze bedreiging
en belediging moest hij in oktober bij de rechtbank in Eindhoven voorkomen.
Negen getuigen werden verhoord en de officier van justitie eiste bij dit proces
een geldboete van vijftig gulden. De zaak werd doorverwezen naar het
kantongerecht. Helaas is daarover geen definitieve uitspraak te vinden.
Omkoping
We gaan naar het jaar 1881 toen op 20
juli een verkiezing was voor de gemeenteraad. Destijds trad niet de hele
gemeenteraad af maar een deel, in ons geval waren dat de heren Antonie van
Empel, Antonie van de Ven en Hendrik Royackers. Kiesgerechtigd voor deze
verkiezing waren alleen mannen die belasting hadden betaald tussen ƒ10 en ƒ80.
Hierdoor waren 89 dorpsgenoten opgeroepen hun stem uit te brengen. Martinus van
de Leemputten kreeg 63, Antonie van den Boogaard 58 en Antonie van de Ven 56
stemmen. Dus waren zij in de raad gekozen, maar…
 |
| Met
dit briefje van Dionisius begon alles te rollen |
Kort nadat de verkiezingen waren
afgelopen werd er van verschillende kanten geklaagd, dat de stemmen door de
heer Antonie van de Ven verkregen, gedeeltelijk door dwang, gedeeltelijk door
omkoping in de vorm van drank waren bijeengebracht, maar uit vrees voor
vijandschap durfde niemand openlijk daarvoor uit te komen. Totdat sluiswachter
Dionisius Roxs een bezwaarschrift richtte aan de gemeenteraad. Hierin stond dat
hij had vernomen dat Van de Ven aan Peter Linssen een dagloon aangeboden had om
stemmen voor Antonie te winnen. Dat althans had Peter tegen smid Johannes van
Vlerken gezegd en dat zou in strijd zijn met artikel 83 van de grondwet. De
burgemeester had deze bewering van Roxs nagetrokken en hij bevestigde tijdens
de raadsvergadering dat deze de waarheid had gesproken. Daarop besloot de raad
unaniem Van de Ven niet toe te laten als raadslid. De burgemeester stuurde dit
besluit, samen met het bezwaarschrift van Roxs, naar Gedeputeerde Staten (GS)
van Brabant. Deze was niet overtuigd en eiste met spoed hard bewijs van de
gemeente. Burgemeester Switzar (zo meteen meer over deze man) zond daarom de
gemeentelijke veldwachter Beckers op onderzoek uit die in twee rapporten
verslag uitbracht.
Dwang
Fabrikant Josephus van Vorstenbosch
zei tegen Cornelis Smits dat hij op Van de Ven moest stemmen en vertelde hem
ook dat hij er veel werk van had gemaakt hem weer benoemd te krijgen. Ook dat
hij met herbergier Gerardus van Mierlo een woordenwisseling had en dat hij Van
Mierlo had toegevoegd dat -wanneer deze zijn stembriefje niet door hem liet
invullen met de namen Van de Ven, Van den Boogaard en Van de Leemputten- hij
iedereen die in zijn fabriek werkte en die bij Van Mierlo in de herberg kwam,
door hem zou worden ontslagen en geen werk meer zou kunnen krijgen. Herbergier
Van Mierlo bevestigde door Vorstenbosch lastig te zijn gevallen en dat hij gedreigd
had, dat niemand van zijn werkgasten nog in zijn herberg mocht komen.
Ook herbergier Gerardus Verhoeven was
door Van Vorstenbosch lastiggevallen om op Van de Ven te stemmen. Dat Josephus,
onderweg naar het raadhuis om zijn stembriefje te brengen, hem tegenhield en
zei dat hij zijn stembriefje moest laten zien of Van de Ven erop stond, wat
Gerardus weigerde. Waarop Josephus hem onvriendelijk toesprak, maar hij hoorde niet
wat deze zei.
Verschillende personen meldden dat in
de herberg van Antoon van den Boogaard door Van Vorstenbosch een vergadering was
belegd, waar hij een stuk voorlas waarin Van de Ven werd geprezen en waarin
zelfs stond dat de Commissaris van de Koning (CvK) Antonie een prima
burgemeester vond. Dit laatste moet een leugentje om bestwil zijn geweest,
gezien het vervolg van dit verhaal. Van Josephus van Vorstenbosch is bekend dat
hij steenkolen leverde aan de gemeente en dus in een goed blaadje wilde blijven
staan bij Van de Ven. Je kunt zeggen “voor
wat hoort wat”.
Borrels
Ook de schoonzoon van Antonie,
Crooijmans, werd in stelling gebracht. Hij vroeg ene L. Verbakel op Antonie te
stemmen in ruil voor twee borrels zonder daarvoor te hoeven betalen. Van den
Ven schakelde ook een vijftal personen in die bijna huis aan huis gingen om
stemmen voor hem te winnen, ook nu weer in ruil voor twee borreltjes jenever.
Twee van deze vijf, Schoofs en Andries Lammers, stonden bij de veldwachter
bekend als zeer arme dronkaards die voor hun moeite zeker zouden zijn beloond
door Van de Ven. Alle vijf waren van “een
zeer ongunstig gedrag”, meldde de veldwachter ten overvloede.
Omkoping
Veldwachter Beckers onderzocht ook de
rol die Peter Linssen had gespeeld.
Molenaar Jan Swinkels en smid Johannes
van Vlerken verklaarden dat Peter hen had gezegd dat Antonie van de Ven hem had
gevraagd voor hem persoonlijk rond te gaan om stemmen te winnen. In ruil
daarvoor zou hij van hem een groot daggeld krijgen. Maar Peter zou tegen hem
hebben gezegd dit voor geen tien daggelden te willen doen.
Ook bakker Peter Rooijakkers
verklaarde dat Linssen hem had meegedeeld dat Antonie bij hem was geweest met
het verzoek voor hem stemmen te winnen.
De vrouw van Johannes Swinkels en
Denies Roxs met zijn vrouw zagen op 30 augustus -de dag waarop Van de Ven niet
als raadslid werd aangenomen- dat Antonie’s dochter Hendrika Peter Linssen had
opgehaald. Nadat hij daarna bij Antonie was vertrokken is hij naar het huis van
de burgemeester gegaan. Daaruit trokken de drie de conclusie dat Peter was
voorgehouden te zeggen dat het gebeurde onwaar zou zijn.
Toen de veldwachter Peter over deze
verhalen aansprak, zei deze daarover niet te willen praten of het zou
noodzakelijk moeten zijn. De veldwachter vond dat Linssen zich zeer opgewonden
gedroeg, waaruit hij opmaakte dat Peter wellicht spijt had gekregen dit tegen
de mensen verteld te hebben, want hij was altijd in vriendschap met Antonie
omgegaan, omdat hij als timmerman veel voor de gemeente werkte toen Antonie nog
burgemeester was.
 |
Briefje
van Peter Linssen, waarin hij stelt geen geld aangeboden te hebben gekregen |
Opvallend in dit hele verhaal is nog
het volgende.
Peter Linssen stuurde Gedeputeerde
Staten van Brabant een briefje waarin hij schreef dat Antonie hem helemaal geen
beloning had aangeboden en mocht dit wel zijn verklaard, dit bezijden de
waarheid was. Dit briefje van 3 september, dat een rol speelde bij de
afwegingen en het uiteindelijke besluit van GS, is zodanig opgesteld dat je
vraagtekens kunt plaatsen of dit daadwerkelijk door Peter was geschreven. Een
eenvoudige timmerman schrijft niet zo ambtelijk. Ook is deze met een andere pen
en in een ander handschrift door Peter ondertekend.
Gedeputeerde
Staten
Antonie tekende bij GS beroep aan
tegen de beslissing van de raad hem niet toe te laten als raadslid. Samen met
de brief van Peter Linssen, het bezwaarschrift van Dionisius Roxs én de rapportage van de veldwachter, maakte
het deel uit van de beraadslagingen van GS. Deze concludeerde dat te weinig
bewijs werd geleverd dat de vrijheid van de kiezers in het uitbrengen van hun
stem op 20 juli 1881 was belemmerd en evenmin dat ongeoorloofde handelingen van
andere aard van invloed konden zijn geweest op de uitslag. Daarom besliste GS
dat Antonie alsnog als raadslid moest worden aangenomen. Het raadsbesluit werd
daarom vernietigd en de gemeenteraad liet het met algemene stemmen hierbij en
ging niet tegen dit besluit in beroep. Van de Ven werd alsnog raadslid en bleef
dat tot zijn ontslag in augustus 1883.
Fraude
Dat Van de Ven niet werd herbenoemd
als burgemeester, ligt aan het feit dat hij samen met de gemeentesecretaris
Gijsbertus Swinkels ervan werd verdacht mandaten van betaling valselijk te
hebben opgemaakt. En van het bewust gebruik maken van die valse stukken bij het
opmaken van de gemeenterekeningen in de jaren 1874 tot en met 1878. Een zwaar
vergrijp waarvan zij werden beschuldigd. Zij zouden in die periode elf keer
bevelschriften van betaling hebben ondertekend, volgens de officier van
justitie tijdens een van de rechtszaken die tegen beiden werden gehouden. Zij
overlegden de gemeenteraad dus valse jaarrekeningen, volgens de aanklacht. De
officier eiste tegen beiden één jaar celstraf plus ieder 22 geldboetes van ƒ50.
De beschuldigden verdedigden zichzelf en lieten zich bijstaan door de advocaten
Verheijen en Rits.
De zaak werd tot drie keer toe
justitieel behandeld, bij het gerechtshof in Roermond in 1881 en daarna in Den
Bosch op 17 februari. En op 25 mei 1883 komt de uitspraak dat niet wettig en
overtuigend was bewezen in hoeverre de gemeente door die onnauwkeurige
administratie geldelijk benadeeld was geworden én dat de beschuldigden te kwader
trouw of met bedrieglijk oogmerk hadden gehandeld; daarom werden beiden vrijgesproken.
 | | Voorblad van de definitieve
uitspraak op 25 mei 1883 |
|
Zij ontsprongen de
dans en kwamen er goed langs af. Van de Ven was toen dus al uit zijn ambt
ontheven, secretaris Swinkels niet. Wanneer en door wie deze fraudezaak gerechtelijk
was aangekaart is uit alle archiefstukken niet duidelijk geworden, maar op 9
januari 1880 was het voor de Commissaris van de Koning al wel duidelijk; hij
had de conclusie getrokken dat Van de Ven als burgemeester moest opstappen. Hij
paste de regel, dat iemand onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, niet toe.
Hij schreef in zijn brief aan de minister dat Van de Ven zich bewust was van de
onregelmatigheden in de administratie en een belangrijk tekort in de
gemeentekas. In plaats van dat de burgemeester de CvK hiervan op de hoogte bracht,
had hij “meegewerkt om door een
opzettelijk in strijd met de werkelijkheid opgemaakt proces-verbaal van
kasopneming te trachten de gepleegde onregelmatigheden te verbergen.” Op 6
februari liep zijn termijn officieel af en Antonie zou niet meer worden
herbenoemd als het aan de CvK lag. De minister en op zijn aanbeveling ook de
koning waren het met hem eens, ons dorp kon niet meer verder met burgemeester
Van de Ven.
Burgemeester
Switzar
Normaal is dat, wanneer een
burgemeester is afgetreden een sollicitatieprocedure wordt opgestart.
Kandidaten kunnen zich bij de CvK bekendmaken, die de sollicitatiebrieven
doorstuurt naar de minister van Binnenlandse Zaken, met daarbij een aanbevelingslijst
met de twee beste kandidaten. Hier
zien we dat van deze
gang van zaken volledig wordt afgeweken.
Foto van Johannes Leonardus Switzar, gemaakt door de
bekende uit Zwitserland afkomstige fotograaf A. Greiner werkzaam in
Amsterdam. Kopie uit het boek van Lodewijk Prins
Nu was er in die tijd al
weinig sprake van inspraak en democratie, de gemeenteraad had bij deze
benoeming op dit punt helemaal geen enkele inspraak of zeggenschap, want ga
maar na, op 9 januari schreef de CvK aan de minister dat Van de Ven niet moest
worden herbenoemd als burgemeester, twaalf dagen later op 21 januari is bij het
ministerie de naam Johannes Leonardus Switzar al bekend en op 12 februari
schrijft de CvK aan de minister dat hij inlichtingen had ingewonnen over hem.
Alleen maar gunstige berichten zijn daarin te lezen: “Hij is een zelfstandig man, begaafd met een goed oordeel, die wel lust
tot werken heeft. Hij is nog in de kracht des levens, met de gemeente Beek en
Donk goed bekend, en geldelijk genoegzaam bemiddeld om op betamelijke voet te
kunnen leven. Zijn zedelijk gedrag is onbesproken.” De CvK droeg hem als
enige kandidaat voor bij de minister en op 17 februari was bij Koninklijk
Besluit bekend gemaakt dat hij burgemeester van ons dorp werd. Dus nog vóór
burgemeester Van de Ven officieel zijn ontslag had, was de opvolger al bekend! Noch
in het gemeentelijk archief dat in Eindhoven is opgeslagen, noch in het archief
van de Commissaris van de Koning in Den Bosch, noch bij het Nationaal Archief
in Den Haag is een sollicitatiebrief van Switzar te vinden. Dat geldt niet
alleen voor hem, ook van eventueel andere kandidaten is geen spoor te vinden
dat zij naar deze post hebben gevist. Zo had Switzar op 4 maart bij de CvK de
eed afgelegd en een dag later zat hij voor het eerst de gemeenteraad voor.
Antonie van de Ven was tijdens die vergadering niet aanwezig, terwijl hij toch
nog gewoon raadslid was en bleef!
Aan
de slag
Switzar ging voortvarend te werk op
gemeentelijk vlak. Hij werd benoemd als ambtenaar van de burgerlijke stand ter
vervanging van Van de Ven die zelf zijn ontslag had gevraagd.
Een reglement voor het burgerlijk
armbestuur werd in mei vastgesteld evenals een verbeterd algemeen
politiereglement.
In juni werd de instructie voor de
gemeenteontvanger (de ambtenaar, belast met de invordering van alle inkomsten
en ontvangsten der gemeente en met het doen van alle betalingen uit de
gemeentekas) aangepast en in diezelfde vergadering werd een nieuwe ontvanger
gekozen, Theodorus van Lieshout als opvolger van Petrus van de Rijdt. Het
financieel tekort dat was ontstaan onder de vorige burgemeester, bedroeg
volgens GS ƒ2299,46 (omgerekend naar nu een waarde van ruim €27.000). GS
oordeelde dat Van de Rijdt als ontvanger deels hiervoor aansprakelijk was en
daarom moest hij een kwart van dit bedrag aan de gemeente terugbetalen. Het
restant moest de gemeente als geldlening op de begroting zetten.
In augustus van het jaar daarop was er
het gedoe omtrent de verkiezing van raadslid Antonie van de Ven, zoals hiervoor
al beschreven. Nadat hij alsnog als raadslid was toegelaten heeft hij geen
enkele raadsvergadering gemist, hij was steeds aanwezig.
Toen in 1881 een drankwet door de
Tweede Kamer werd goedgekeurd, had dit consequenties voor veel mensen. Bij ons
gold dat ook, want artikel 3 van die wet bepaalde dat een vergunning tot
verkoop van sterkedrank moest worden geweigerd aan personen die een openbaar
ambt bekleden. En dat was bij Gijsbertus Swinkels als gemeentesecretaris het
geval, hij moest aftreden of zijn vergunning die hij had, laten intrekken. In
mei 1882 vroeg hij eervol ontslag als gemeentesecretaris. Dat werd goedgekeurd
maar wel op voorwaarde “dat hij niet
ontslagen zal zijn van de gevolgen van de fouten door hem in zijne betrekking
gepleegd.” Hiermee dekte de raad zich in tegen een eventuele uitspraak in
de rechtszaak over vermeende fraude, die toen nog liep tegen zowel
oud-burgemeester Van de Ven als hemzelf als secretaris. Hij werd door Cornelis
Smit opgevolgd; ook kwam er een nieuwe instructie voor de secretaris. Opvallend
hierbij is artikel 1 dat luidde: “De
secretaris houdt zijn kantoor bepaaldelijk op de secretarie van het gemeente
raadhuis en zorgt daar dagelijks, uitgenomen Zon- en feestdagen aanwezig te
zijn van des morgens acht tot elf uren.” Dit zal nodig zijn geweest.
Het Kerkbestuur kreeg een subsidie van
ƒ5000 toegewezen voor de bouw van een bewaarschool, onder de voorwaarden dat de
school gereed zou zijn in oktober 1883 én “dat
de kinderen van arme of onvermogende ouders die armlastig zijn van de gemeente
gratis onderwijs zullen ontvangen.”
Switzar had heel wat te stellen om een
meerderheid van de gemeenteraad achter zich te krijgen die goedkeuring gaf tot
de bouw van een jongensschool op Donk. Uiteindelijk lukte dit na veel
deliberatie binnen de raad en na veel druk vanuit de provincie. Switzar zelf
was vanaf het begin voorstander van zo’n Donkse school.
 |
Gedeelte
uit De Grondwet, Roozendaalsche- en Zevenbergsche Courant van 27 januari 1887 |
Als ‘n donderslag bij heldere hemel
kondigde Switzar tijdens de raadsvergadering van 10 januari 1887 aan, dat hij
bij de koning eervol ontslag aangevraagd had, dat hij dit ongaarne deed maar
dat familieaangelegenheden hem daartoe noodzaakten. Welke dit waren stond er
niet bij. Hij kreeg per 1 april zijn ontslag en op 14 april verhuisde hij naar
de gemeente Maarssen in Utrecht. Switzar had tijdens zijn burgemeesterschap
ervoor gezorgd dat de gemeente weer uit de financiële zorgen kwam en dat het
gemeentebestuur met zijn ambtenaren weer organisatorisch goed functioneerden.
Dat was nodig na burgemeester Van de Ven.
Toen Switzar
hier vertrok leverde hij ten behoeve van het raadhuis zes jaloezieën à raison
van ƒ24,-; hij zal ze in Maarssen niet meer nodig hebben gehad. En in 1883
ontving Switzar van de gemeente een bedrag van ƒ1,40 voor naai- en breiloon.
Dit werd verder niet gespecificeerd in de jaarstukken, maar ik neem aan dat hij
niet zelf ’t een en ander tijdens een raadsvergadering heeft zitten breien.
Wie
was Switzar?
Vader Antonius Leonardus Switzer gaf
bij de burgerlijke stand in Den Haag aan dat op 23 september 1838 zijn zoontje
Johannes Leonardus was geboren. Moeder was Anna Maria Gellee. Hij was het
oudste kind en kreeg nog twee broers en een zusje. Johannes Leonardus voltooide
in Leiden zijn apothekersopleiding en vestigde zich in Amsterdam, eerst aan de
Warmoesstraat, later aan de Spiegelstraat, als eigenaar van apotheek
Heijdenrijck. In Amsterdam trouwde hij op 21 februari 1867 met Anna Maria Vrij
en zij kregen op 19 september 1868 hun eerste kind, Antonius Leonardus Johannes
Maria. Twee jaar later werd op 13 september 1870 dochtertje Theresia Maria
Berendina Johanna geboren, die helaas al binnen een jaar overleed.
Johannes Leonardus was een begenadigd
schaakspeler die lid was van het Amsterdamsch
Schaakgenootschap. Hij werd meteen lid van de in 1873 opgerichte Nederlandsche Schaakbond en behaalde een
jaar later de vierde plaats in het officieuze kampioenschap. Tussen 1873 en
1875 schaakte hij zes partijen tegen de beroemde Eduard Douwes Dekker, alias
Multatuli, schrijver van de Max Havelaar, die dan in Wiesbaden woonde. Het zijn
zogeheten correspondentiepartijen, waarbij de schaakzetten per brief werden
doorgegeven. Switzar won vier keer.
Verhuizing
Hoe iemand ertoe komt om van het grote
Amsterdam naar ons kleine dorpje met zijn 1400 inwoners te verhuizen, is mij
een raadsel dat ik nog niet heb kunnen achterhalen. Maar eind maart 1876 ging
hij samen met vrouw en zoontje aan het Heuvelplein wonen. Of Switzar hier
rentenierde of nog werk verrichtte is niet bekend, maar bij de geboorte van
dochtertje Geertruida Maria Elisa op 19 februari 1878 werd op de akte van de
burgerlijke stand vermeld dat hij “zonder beroep” was. Schoenmaker Willem van
de Ven en secretaris Gijsbertus Swinkels waren getuigen bij de aangifte van het
kind.
In ieder geval had Johannes Leonardus
geld zat, want hij werd voor de plaatselijke belasting -de zogeheten
hoofdelijke omslag- in het een na hoogste tarief aangeslagen, samen met Piet
van Thiel en pastoor Van Roosmalen. Bij deze personen werd namelijk een zuiver
inkomen geschat tussen 3000 en 5999 gulden.
En begin 1880 werd hij onze
burgemeester. Of hij hier ook tijd heeft gehad voor het edele schaakspel is
niet duidelijk. Er is daarover geen verdere informatie te vinden. Wel is zeker
dat hij niet bij schaakvereniging De Oude Toren lid is geworden, omdat deze
club pas heel veel jaar later is opgericht. Ook is duidelijk dat hij na zijn
verhuizing naar Maarssen daar nog wel lid was van de Schaakbond. Hij stierf op
16 juni 1916 in zijn geboortestad Den Haag.
De naam Switzar
Een bekend probleem waar genealogen vaak mee te maken
hebben is het fenomeen van de verschillende schrijfwijzen van namen. Het
ligt vaak aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand die personen inschrijft
in de verschillende aktes. Zo is onze burgemeester bij zijn geboorte in Den
Haag ingeschreven met de achternaam Switzer. Als hij in de Warmoesstraat in
Amsterdam woont heet hij Switser. Bij zijn trouwen in Amsterdam ondertekent hij zelf
ook nog met Switzer, terwijl zijn oom Switzar schreef. En bij de geboorte
van zijn eerste twee kinderen, die door de ambtenaar de achternaam Switzer
kregen, ondertekende hij zelf met Switzar. Bij zijn sterven heet hij
Switzer volgens de akte. De familienaam was oorspronkelijk, naar
het land van herkomst, Schweizer en is gesplitst in Switzer, ook Switzar,
voor de katholieke en Zwitser voor de protestantse tak.
|
Bronnen:
Lodewijk
Prins, “Multatuli en het spel van
koningen”, uitgegeven door de Bezige Bij, 1970
Regionaal
Historisch Centrum Limburg, Maastricht, arrondissementsrechtbank Roermond
08.011-1535
Brabants
Historisch Informatie Centrum (BHIC), Den Bosch, Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch,
1838-1930, toegangsnummer 22 inventarisnummer 46
BHIC,
Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, toegangsnummer 17,
inventarisnummers 4721, 6431, 6432 en 6433
Stadsarchief
Amsterdam, diverse aktes van Switzar
Noord
Hollands Archief, Haarlem, trouwakte Johannes Leonardus Switzar
Nationaal
Archief Den Haag, archief Ministerie van Binnenlandse Zaken Inventaris
2.04.26.02
dossiernummers
280 t.m. 285 en 317 t.m. 325
Regionaal
Historisch Centrum, Eindhoven, gemeentearchief Beek en Donk toegangsnummer
13047, inventarisnummer 1014
Multatuli
Museum, correspondentie tussen Multatuli en Switzar
www.Delpher.nl, Wet van 28
juni 1881 (Staatsblad 97) tot regeling van de kleinhandel in sterken drank en
tot beteugeling van openbare dronkenschap
 |
|
Benoeming
van Switzar tot burgemeester van Beek en Donk op 17 februari 1880 door koning
Willem III
|