Geschiedenis

maandag 20 februari 2023

Het Echt-reglement

Voor dit artikel duiken we ver terug in de tijd. We staan stil bij de jaren 1648, 1656 en 1764. We bekijken wetsartikelen die te maken hebben met huwelijkse zaken en die tot ver in de 20ste eeuw van toepassing waren en sommige zelfs nog zijn. We komen een interessant geval tegen in ons dorp van een paartje dat een pittige boete zou moeten betalen.

Met de Vrede van Munster op 15 mei 1648 kwam een einde aan de Tachtigjarige oorlog met de Spanjaarden. Bekend is dat het leven voor de roomse gemeenschap er niet beter op werd. Kerken werden van het ene moment op het andere overgenomen door de protestanten waardoor de katholieken later gebruik moesten maken van zogeheten schuurkerken. Kloosters, kerken en kapellen werden gesloten, alle beelden en ornamenten hierin werden verwijderd. Minder bekend is dat al een maand later, op 16 juni, wetgeving van de Staten-Generaal van kracht werd, dat binnen acht dagen na afkondiging hiervan alle roomse geestelijken moesten vertrekken uit Brabant, Vlaanderen en de andere gebieden die vanaf dan bij de Republiek waren gekomen. Gedreigd werd met een boete van zeshonderd tot duizend gulden als zij toch terugkwamen. In hoeverre priesters hier in Brabant daaraan gehoor aan gaven is niet duidelijk, toch zat de angst er goed in. Het is bekend dat pastoors naar vrije katholieke heerlijkheden zoals Gemert gingen om aan vervolging te ontlopen.

Deze rigide anti-roomse opstelling door de Staten-Generaal werd nog eens bevestigd in het jaar 1656, toen huwelijkswetgeving werd vastgelegd in het zogeheten “Echt-Reglement”. In artikel vier werd vastgelegd dat het de roomse geestelijkheid verboden werd mensen in ondertrouw te laten gaan, te trouwen of te hertrouwen. Als priesters dat toch deden riskeerden zij, dat zij uit hun huis werden gezet en bij een tweede overtreding, was levenslange verbanning uit het land hun straf. De inwoners van het land mochten alleen worden getrouwd door gereformeerde predikanten of op het stadhuis door de “Commissarissen van ’t Houwelijck”, zoals zij werden genoemd.

Genoeg over het antiroomse, het antipaapse; laten we verdergaan met enkele andere interessante artikelen uit dit echt-reglement. De huwelijksinschrijving of ondertrouw mocht alleen op zaterdag gebeuren en niet vóór zonsopkomst of na zonsondergang op straffe van vijftig gulden boete. De inschrijving door de commissaris moest zorgvuldig gebeuren, hij mocht niet dronken zijn en er mocht geen sterke drank geschonken of gedronken worden.

Artikel tien zegt dat vóór en na de huwelijksvoltrekking bruid en bruidegom niet lastig gevallen mochten worden door het afschieten van geweren, het schenken van “sterke Wateren, Bier ofte Wijn”. Ook was het verboden van het paar te eisen dat zij kwanselbier zou schenken, een gewoonte om aan jonge mannen uit de buurt dit bier te geven.

Op drie achtereenvolgende zondagen werd de ondertouw afgekondigd, zodat anderen de mogelijkheid hadden eventueel protest aan te tekenen tegen het voorgenomen huwelijk. Was dat niet gebeurd, moest binnen een maand daadwerkelijk getrouwd worden. Dus samenleven zoals dat tegenwoordig heel normaal is, was er vroeger niet bij. Was men binnen die maand nog niet getrouwd, of woonden man en vrouw ongetrouwd samen, konden beiden daarvoor beboet worden met een geldstraf van vijftig gulden voor de eerste maand, voor de tweede maand honderd gulden en voor de derde maand tweehonderd gulden. Men kon gedwongen worden alsnog te trouwen en als men dat niet wilde, werden man en vrouw voor tien jaren verbannen of werd een lijfstraf toegepast in plaats van verbanning. Dit was vervat in artikel vijfentwintig.

Jan en Elisabeth wonen samen in Beek en Donk

Op grond van dit laatste wetsartikel kwamen op 6 februari van het jaar 1764 onze drossard Gisbert de Jong en vorster Balthasar van Schaijk in actie. Bij dorpsgenoot Johannes Janssen Velthoven zou Elisabeth van Boekent uit Neeritter (bij Ittervoort, op de grens met het huidige België) zich sedert enige tijd bevinden. Volgens laatstgenoemden zouden zij op 29 oktober 1763 in ondertrouw zijn gegaan bij de heer Dolleman, predikant van Aarle, Lieshout en Beek en Donk. De afkondiging of proclamatie hiervan zou vervolgens op 30 oktober, 6 en 13 november zijn geweest. Dit was gedaan door schoolmeester en koster Isaak Enten. Verondersteld werd door de drossard dat zij bijna drie maanden ongetrouwd waren en dat zij daarom een boete van totaal 350 gulden elk zouden moeten betalen. De vorster werd naar hen gestuurd om te achterhalen wanneer en waar zij daadwerkelijk en wettig waren getrouwd en of zij een behoorlijke trouwbrief hadden. In geval van overtreding van de wet werden zij beboet. Of dit ook zo is gebeurd is niet duidelijk, in de rekeningen van de gemeente kom je in elk geval geen bedrag tegen wat er op kan wijzen dat zij deze boete daadwerkelijk hebben betaald. Ook is uit de archiefstukken niet op te maken dat zij een trouwbrief hadden.

Gaan we nog even verder met enkele wetsartikelen uit 1656.

Voor melaatsen was het verboden zowel met andere melaatsen of met gezonde personen te trouwen. Ook mochten christenen niet trouwen met joden, mohammedanen of heidenen op straffe van verbanning. Tegenwoordig zouden we zeggen dat hier sprake is van discriminatie.

Geen gedoopte mocht met een ongedoopte in de kerk trouwen. Het heeft er alle schijn van dat het bekende gezegde “twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen” uit deze tijd stamt en dus al honderden jaren oud is.

Uitgebreid wordt besproken bij welke familieverbanden trouwen verboden was. Zo mochten ouders niet met hun kinderen en broers niet met hun zusters trouwen “’t zij van vollen ofte van Halven Bedde”. Ooms niet met hun nichten en Moeyen (tantes) niet met hun neven. De man trouwde niet met zijn schoondochter, stiefdochter of nagelaten weduwe van zijn broer. De vrouw trouwde niet met de schoonzoon, stiefzoon (vóórzoon genoemd) of met de man van haar overleden zuster.

Op straffe van honderd gulden boete mochten mensen niet in concubinaat samenleven of op basis van boelschap, een ander woord voor oneerbare liefdesbetrekking. Als dat werd geconstateerd waren zij verplicht onmiddellijk te trouwen of uit elkaar te gaan. Zo niet, werden zij beschouwd als hoereerders en mochten zij hierin blijven volharden, konden ze voor tien jaar uit het land worden verbannen.

In een ander artikel werden de magistraten en ambtenaren belast met het weren, verstoren en uitroeien van alle bordelen, hoerhuizen, mot- en ravothuizen (17de-eeuwse termen voor bordeel). Deze konden niet worden getolereerd, werd geschreven. Diegene die zo’n hoerenkot erop nahield kon lijfelijk worden gestraft. En zij die hun dochter, zus, nicht of neef aan een bordeel hadden geleverd, konden zelfs met de dood worden bestraft. De persoon die in zijn huis bordeel hield, werd eerst bestraft met honderd gulden boete en bij de tweede keer werd hij gegeseld en verbannen.

Als een man betrapt werd op overspel met een getrouwde vrouw, werden beiden bestraft met eeuwige verbanning. Maar was er overspel gepleegd door een ongetrouwde vrouw bij een getrouwde man, raakte de man, als hij beambte was, als zijnde eerloos zijn ambt kwijt; bovendien kreeg hij een boete van honderd gulden en mocht hij doorgaan, werd hij beboet met driehonderd gulden en kon worden verbannen. De vrouw werd bij overspel met een getrouwde man bestraft met een maand op water en brood en als zij doorgaat met het overspel werd zij voor vijftig jaar verbannen uit het land. Bigamie, het gelijktijdig gehuwd zijn met twee personen, werd met lijfelijke tuchtiging bestraft.

Concilie van Trente

Een zitting van het Concilie van Trente in 1563

Hoewel het dus officieel verboden was dat katholieke priesters personen trouwden, gebeurde dit natuurlijk toch. Het noteren van huwelijken en dopen in registers werd tijdens het het concilie van Trente (1545-1563) verplicht gesteld. De reden hiervan was om zodoende verboden huwelijken te voorkomen en te bestrijden. Verboden huwelijken waren huwelijken tussen familieleden onderling en tussen reeds gehuwden. Al in het jaar 1215 werd getracht het verbod op deze huwelijken na te leven door de instelling van de drie roepen in de kerk. Er werd dan op drie achtereenvolgende zondagen in de kerk door de pastoor bekendgemaakt dat de twee verloofden van plan waren  te trouwen. Op deze manier konden clandestiene huwelijken, zeker in kleinere gemeenschappen, voorkomen worden. Maar doordat gemeenschappen steeds groter werden en mensen steeds mobieler werden, was dit systeem van de drie roepen niet meer voldoende. Een goede administratie moest uitkomst bieden. De pastoor moest daarom een register aanleggen waarin de namen van bruid en bruidegom, de huwelijksdatum en de namen van de getuigen werden vermeld.

Naast de huwelijksregisters moesten de pastoors ook doopregisters aanleggen. Dit was om huwelijken, waarin sprake was van bloedverwantschap, te voorkomen. Om toch te kunnen trouwen binnen een familieband kon dispensatie (ontheffing) worden aangevraagd. Hoe nauwer de familieverband was hoe moeilijker het was om deze huwelijksdispensatie te krijgen. Een bisschop kon toestemming geven voor een huwelijk tussen achterneef en achternicht terwijl een pauselijke dispensatie nodig was voor een huwelijk tussen volle neef en nicht. Naast deze bloedverwantschappen was het ook niet toegestaan om binnen de banden van geestelijke verwantschap te trouwen. Geestelijke verwantschap was een verwantschap die ontstaat bij de doop tussen alle aanwezigen bij die doop; getuigen, dopeling en ouders. Overlijdensregisters waren niet door het concilie van Trente verplicht gesteld. Zij werden door de pastoor in de meeste gevallen wel bijgehouden, maar vanuit een financieel oogpunt. Het begraafregister was dan ook eigenlijk een kasboek waarin werd bijgehouden wie betaald had voor zijn uitvaart en de daarbij behorende diensten. De begraafregisters beginnen in de meeste parochies dan ook later dan de verplicht gestelde doop- en trouwregisters.

Bronnen:
BHIC Den Bosch,
toegangsnr. 317 Familie De Jong van Beek en Donk en het huis Eyckenlust te Beek en Donk, inventarisnummer 1351
RHCe Eindhoven, 13045 gemeentebestuur Beek en Donk 1610-1810, inventarisnummer 12 gemeenterekeningen
Groot Placaet-boeck der Staten-Generaal der Vereenighde Nederlanden enz., volume 1, pagina 176
www.delpher.nl, Boeken, Echt-reglement

vrijdag 10 februari 2023

Tweeluik

Als hij het eerder had geweten, had hij hem voorgesteld ontslag te nemen. Niet alleen gebruikte hij soms te veel sterkedrank, kwalijker was dat onder zijn leiding het financieel beheer van de gemeente in strijd was met de voorschriften. Dit schreef de Commissaris van de Koning in een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken. Hij stelde daarom voor onze burgemeester niet meer te herbenoemen, waarna dit advies werd overgenomen. Het was -en is nog steeds- gebruikelijk dat een burgemeester telkens voor een periode van zes jaar (her)benoemd wordt, of er moeten gekke zaken zijn voorgevallen. En dat was hier het geval.

Burgemeester Antonie van de Ven

Naast de pastoor en de industrieel was ook de burgemeester een machtig man binnen de dorpsgrenzen. In ons dorp was dat in 1868 Antonie van de Ven, die bierbrouwer Arnoldus Petrus van Will opvolgde als burgemeester van Beek en Donk. Elf jaar eerder was hij al raadslid geworden en samen met secretaris Gijsbertus Swinkels bepaalde hij de politieke agenda in onze gemeente. Een drietal incidenten geven een aardig beeld van het karakter van de man.

Bedreiging

In juni 1876 kwamen twee commiezen van de belastingdienst naar het dorp om bij boer Martinus Verbakel een koe in beslag te nemen en het vlees ervan te verkopen. De burgemeester pakte tegen hen uit: “Gij lieden zijt strontkerels en strontcommiesen, maakt dat Gij de gemeente uitkomt.” Voor deze bedreiging en belediging moest hij in oktober bij de rechtbank in Eindhoven voorkomen. Negen getuigen werden verhoord en de officier van justitie eiste bij dit proces een geldboete van vijftig gulden. De zaak werd doorverwezen naar het kantongerecht. Helaas is daarover geen definitieve uitspraak te vinden.

Omkoping

We gaan naar het jaar 1881 toen op 20 juli een verkiezing was voor de gemeenteraad. Destijds trad niet de hele gemeenteraad af maar een deel, in ons geval waren dat de heren Antonie van Empel, Antonie van de Ven en Hendrik Royackers. Kiesgerechtigd voor deze verkiezing waren alleen mannen die belasting hadden betaald tussen ƒ10 en ƒ80. Hierdoor waren 89 dorpsgenoten opgeroepen hun stem uit te brengen. Martinus van de Leemputten kreeg 63, Antonie van den Boogaard 58 en Antonie van de Ven 56 stemmen. Dus waren zij in de raad gekozen, maar…

Met dit briefje van Dionisius begon alles te rollen
Kort nadat de verkiezingen waren afgelopen werd er van verschillende kanten geklaagd, dat de stemmen door de heer Antonie van de Ven verkregen, gedeeltelijk door dwang, gedeeltelijk door omkoping in de vorm van drank waren bijeengebracht, maar uit vrees voor vijandschap durfde niemand openlijk daarvoor uit te komen. Totdat sluiswachter Dionisius Roxs een bezwaarschrift richtte aan de gemeenteraad. Hierin stond dat hij had vernomen dat Van de Ven aan Peter Linssen een dagloon aangeboden had om stemmen voor Antonie te winnen. Dat althans had Peter tegen smid Johannes van Vlerken gezegd en dat zou in strijd zijn met artikel 83 van de grondwet. De burgemeester had deze bewering van Roxs nagetrokken en hij bevestigde tijdens de raadsvergadering dat deze de waarheid had gesproken. Daarop besloot de raad unaniem Van de Ven niet toe te laten als raadslid. De burgemeester stuurde dit besluit, samen met het bezwaarschrift van Roxs, naar Gedeputeerde Staten (GS) van Brabant. Deze was niet overtuigd en eiste met spoed hard bewijs van de gemeente. Burgemeester Switzar (zo meteen meer over deze man) zond daarom de gemeentelijke veldwachter Beckers op onderzoek uit die in twee rapporten verslag uitbracht.

Dwang

Fabrikant Josephus van Vorstenbosch zei tegen Cornelis Smits dat hij op Van de Ven moest stemmen en vertelde hem ook dat hij er veel werk van had gemaakt hem weer benoemd te krijgen. Ook dat hij met herbergier Gerardus van Mierlo een woordenwisseling had en dat hij Van Mierlo had toegevoegd dat -wanneer deze zijn stembriefje niet door hem liet invullen met de namen Van de Ven, Van den Boogaard en Van de Leemputten- hij iedereen die in zijn fabriek werkte en die bij Van Mierlo in de herberg kwam, door hem zou worden ontslagen en geen werk meer zou kunnen krijgen. Herbergier Van Mierlo bevestigde door Vorstenbosch lastig te zijn gevallen en dat hij gedreigd had, dat niemand van zijn werkgasten nog in zijn herberg mocht komen.

Ook herbergier Gerardus Verhoeven was door Van Vorstenbosch lastiggevallen om op Van de Ven te stemmen. Dat Josephus, onderweg naar het raadhuis om zijn stembriefje te brengen, hem tegenhield en zei dat hij zijn stembriefje moest laten zien of Van de Ven erop stond, wat Gerardus weigerde. Waarop Josephus hem onvriendelijk toesprak, maar hij hoorde niet wat deze zei.

Verschillende personen meldden dat in de herberg van Antoon van den Boogaard door Van Vorstenbosch een vergadering was belegd, waar hij een stuk voorlas waarin Van de Ven werd geprezen en waarin zelfs stond dat de Commissaris van de Koning (CvK) Antonie een prima burgemeester vond. Dit laatste moet een leugentje om bestwil zijn geweest, gezien het vervolg van dit verhaal. Van Josephus van Vorstenbosch is bekend dat hij steenkolen leverde aan de gemeente en dus in een goed blaadje wilde blijven staan bij Van de Ven. Je kunt zeggen “voor wat hoort wat”.

Borrels

Ook de schoonzoon van Antonie, Crooijmans, werd in stelling gebracht. Hij vroeg ene L. Verbakel op Antonie te stemmen in ruil voor twee borrels zonder daarvoor te hoeven betalen. Van den Ven schakelde ook een vijftal personen in die bijna huis aan huis gingen om stemmen voor hem te winnen, ook nu weer in ruil voor twee borreltjes jenever. Twee van deze vijf, Schoofs en Andries Lammers, stonden bij de veldwachter bekend als zeer arme dronkaards die voor hun moeite zeker zouden zijn beloond door Van de Ven. Alle vijf waren van “een zeer ongunstig gedrag”, meldde de veldwachter ten overvloede.

Omkoping

Veldwachter Beckers onderzocht ook de rol die Peter Linssen had gespeeld.
Molenaar Jan Swinkels en smid Johannes van Vlerken verklaarden dat Peter hen had gezegd dat Antonie van de Ven hem had gevraagd voor hem persoonlijk rond te gaan om stemmen te winnen. In ruil daarvoor zou hij van hem een groot daggeld krijgen. Maar Peter zou tegen hem hebben gezegd dit voor geen tien daggelden te willen doen.
Ook bakker Peter Rooijakkers verklaarde dat Linssen hem had meegedeeld dat Antonie bij hem was geweest met het verzoek voor hem stemmen te winnen.
De vrouw van Johannes Swinkels en Denies Roxs met zijn vrouw zagen op 30 augustus -de dag waarop Van de Ven niet als raadslid werd aangenomen- dat Antonie’s dochter Hendrika Peter Linssen had opgehaald. Nadat hij daarna bij Antonie was vertrokken is hij naar het huis van de burgemeester gegaan. Daaruit trokken de drie de conclusie dat Peter was voorgehouden te zeggen dat het gebeurde onwaar zou zijn.

Toen de veldwachter Peter over deze verhalen aansprak, zei deze daarover niet te willen praten of het zou noodzakelijk moeten zijn. De veldwachter vond dat Linssen zich zeer opgewonden gedroeg, waaruit hij opmaakte dat Peter wellicht spijt had gekregen dit tegen de mensen verteld te hebben, want hij was altijd in vriendschap met Antonie omgegaan, omdat hij als timmerman veel voor de gemeente werkte toen Antonie nog burgemeester was.

Briefje van Peter Linssen, waarin hij stelt geen geld
aangeboden te hebben gekregen

Opvallend in dit hele verhaal is nog het volgende.
Peter Linssen stuurde Gedeputeerde Staten van Brabant een briefje waarin hij schreef dat Antonie hem helemaal geen beloning had aangeboden en mocht dit wel zijn verklaard, dit bezijden de waarheid was. Dit briefje van 3 september, dat een rol speelde bij de afwegingen en het uiteindelijke besluit van GS, is zodanig opgesteld dat je vraagtekens kunt plaatsen of dit daadwerkelijk door Peter was geschreven. Een eenvoudige timmerman schrijft niet zo ambtelijk. Ook is deze met een andere pen en in een ander handschrift door Peter ondertekend.

 

Gedeputeerde Staten

Antonie tekende bij GS beroep aan tegen de beslissing van de raad hem niet toe te laten als raadslid. Samen met de brief van Peter Linssen, het bezwaarschrift van Dionisius Roxs én de rapportage van de veldwachter, maakte het deel uit van de beraadslagingen van GS. Deze concludeerde dat te weinig bewijs werd geleverd dat de vrijheid van de kiezers in het uitbrengen van hun stem op 20 juli 1881 was belemmerd en evenmin dat ongeoorloofde handelingen van andere aard van invloed konden zijn geweest op de uitslag. Daarom besliste GS dat Antonie alsnog als raadslid moest worden aangenomen. Het raadsbesluit werd daarom vernietigd en de gemeenteraad liet het met algemene stemmen hierbij en ging niet tegen dit besluit in beroep. Van de Ven werd alsnog raadslid en bleef dat tot zijn ontslag in augustus 1883.

Fraude

Dat Van de Ven niet werd herbenoemd als burgemeester, ligt aan het feit dat hij samen met de gemeentesecretaris Gijsbertus Swinkels ervan werd verdacht mandaten van betaling valselijk te hebben opgemaakt. En van het bewust gebruik maken van die valse stukken bij het opmaken van de gemeenterekeningen in de jaren 1874 tot en met 1878. Een zwaar vergrijp waarvan zij werden beschuldigd. Zij zouden in die periode elf keer bevelschriften van betaling hebben ondertekend, volgens de officier van justitie tijdens een van de rechtszaken die tegen beiden werden gehouden. Zij overlegden de gemeenteraad dus valse jaarrekeningen, volgens de aanklacht. De officier eiste tegen beiden één jaar celstraf plus ieder 22 geldboetes van ƒ50. De beschuldigden verdedigden zichzelf en lieten zich bijstaan door de advocaten Verheijen en Rits.

De zaak werd tot drie keer toe justitieel behandeld, bij het gerechtshof in Roermond in 1881 en daarna in Den Bosch op 17 februari. En op 25 mei 1883 komt de uitspraak dat niet wettig en overtuigend was bewezen in hoeverre de gemeente door die onnauwkeurige administratie geldelijk benadeeld was geworden én dat de beschuldigden te kwader trouw of met bedrieglijk oogmerk hadden gehandeld; daarom werden beiden vrijgesproken.

Voorblad van de definitieve uitspraak op 25 mei 1883

Zij ontsprongen de dans en kwamen er goed langs af. Van de Ven was toen dus al uit zijn ambt ontheven, secretaris Swinkels niet. Wanneer en door wie deze fraudezaak gerechtelijk was aangekaart is uit alle archiefstukken niet duidelijk geworden, maar op 9 januari 1880 was het voor de Commissaris van de Koning al wel duidelijk; hij had de conclusie getrokken dat Van de Ven als burgemeester moest opstappen. Hij paste de regel, dat iemand onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, niet toe. Hij schreef in zijn brief aan de minister dat Van de Ven zich bewust was van de onregelmatigheden in de administratie en een belangrijk tekort in de gemeentekas. In plaats van dat de burgemeester de CvK hiervan op de hoogte bracht, had hij “meegewerkt om door een opzettelijk in strijd met de werkelijkheid opgemaakt proces-verbaal van kasopneming te trachten de gepleegde onregelmatigheden te verbergen.” Op 6 februari liep zijn termijn officieel af en Antonie zou niet meer worden herbenoemd als het aan de CvK lag. De minister en op zijn aanbeveling ook de koning waren het met hem eens, ons dorp kon niet meer verder met burgemeester Van de Ven.

Burgemeester Switzar

Normaal is dat, wanneer een burgemeester is afgetreden een sollicitatieprocedure wordt opgestart. Kandidaten kunnen zich bij de CvK bekendmaken, die de sollicitatiebrieven doorstuurt naar de minister van Binnenlandse Zaken, met daarbij een aanbevelingslijst met de twee beste kandidaten. Hier zien we dat van deze gang van zaken volledig wordt afgeweken.


  

Foto van Johannes Leonardus Switzar, gemaakt door de bekende uit Zwitserland afkomstige fotograaf A. Greiner werkzaam in Amsterdam. Kopie uit het boek van Lodewijk Prins

Nu was er in die tijd al weinig sprake van inspraak en democratie, de gemeenteraad had bij deze benoeming op dit punt helemaal geen enkele inspraak of zeggenschap, want ga maar na, op 9 januari schreef de CvK aan de minister dat Van de Ven niet moest worden herbenoemd als burgemeester, twaalf dagen later op 21 januari is bij het ministerie de naam Johannes Leonardus Switzar al bekend en op 12 februari schrijft de CvK aan de minister dat hij inlichtingen had ingewonnen over hem. Alleen maar gunstige berichten zijn daarin te lezen: “Hij is een zelfstandig man, begaafd met een goed oordeel, die wel lust tot werken heeft. Hij is nog in de kracht des levens, met de gemeente Beek en Donk goed bekend, en geldelijk genoegzaam bemiddeld om op betamelijke voet te kunnen leven. Zijn zedelijk gedrag is onbesproken.” De CvK droeg hem als enige kandidaat voor bij de minister en op 17 februari was bij Koninklijk Besluit bekend gemaakt dat hij burgemeester van ons dorp werd. Dus nog vóór burgemeester Van de Ven officieel zijn ontslag had, was de opvolger al bekend! Noch in het gemeentelijk archief dat in Eindhoven is opgeslagen, noch in het archief van de Commissaris van de Koning in Den Bosch, noch bij het Nationaal Archief in Den Haag is een sollicitatiebrief van Switzar te vinden. Dat geldt niet alleen voor hem, ook van eventueel andere kandidaten is geen spoor te vinden dat zij naar deze post hebben gevist. Zo had Switzar op 4 maart bij de CvK de eed afgelegd en een dag later zat hij voor het eerst de gemeenteraad voor. Antonie van de Ven was tijdens die vergadering niet aanwezig, terwijl hij toch nog gewoon raadslid was en bleef!

Aan de slag

Switzar ging voortvarend te werk op gemeentelijk vlak. Hij werd benoemd als ambtenaar van de burgerlijke stand ter vervanging van Van de Ven die zelf zijn ontslag had gevraagd.

Een reglement voor het burgerlijk armbestuur werd in mei vastgesteld evenals een verbeterd algemeen politiereglement.

In juni werd de instructie voor de gemeenteontvanger (de ambtenaar, belast met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten der gemeente en met het doen van alle betalingen uit de gemeentekas) aangepast en in diezelfde vergadering werd een nieuwe ontvanger gekozen, Theodorus van Lieshout als opvolger van Petrus van de Rijdt. Het financieel tekort dat was ontstaan onder de vorige burgemeester, bedroeg volgens GS ƒ2299,46 (omgerekend naar nu een waarde van ruim €27.000). GS oordeelde dat Van de Rijdt als ontvanger deels hiervoor aansprakelijk was en daarom moest hij een kwart van dit bedrag aan de gemeente terugbetalen. Het restant moest de gemeente als geldlening op de begroting zetten. 

In augustus van het jaar daarop was er het gedoe omtrent de verkiezing van raadslid Antonie van de Ven, zoals hiervoor al beschreven. Nadat hij alsnog als raadslid was toegelaten heeft hij geen enkele raadsvergadering gemist, hij was steeds aanwezig.

Toen in 1881 een drankwet door de Tweede Kamer werd goedgekeurd, had dit consequenties voor veel mensen. Bij ons gold dat ook, want artikel 3 van die wet bepaalde dat een vergunning tot verkoop van sterkedrank moest worden geweigerd aan personen die een openbaar ambt bekleden. En dat was bij Gijsbertus Swinkels als gemeentesecretaris het geval, hij moest aftreden of zijn vergunning die hij had, laten intrekken. In mei 1882 vroeg hij eervol ontslag als gemeentesecretaris. Dat werd goedgekeurd maar wel op voorwaarde “dat hij niet ontslagen zal zijn van de gevolgen van de fouten door hem in zijne betrekking gepleegd.” Hiermee dekte de raad zich in tegen een eventuele uitspraak in de rechtszaak over vermeende fraude, die toen nog liep tegen zowel oud-burgemeester Van de Ven als hemzelf als secretaris. Hij werd door Cornelis Smit opgevolgd; ook kwam er een nieuwe instructie voor de secretaris. Opvallend hierbij is artikel 1 dat luidde: “De secretaris houdt zijn kantoor bepaaldelijk op de secretarie van het gemeente raadhuis en zorgt daar dagelijks, uitgenomen Zon- en feestdagen aanwezig te zijn van des morgens acht tot elf uren.” Dit zal nodig zijn geweest.

Het Kerkbestuur kreeg een subsidie van ƒ5000 toegewezen voor de bouw van een bewaarschool, onder de voorwaarden dat de school gereed zou zijn in oktober 1883 én “dat de kinderen van arme of onvermogende ouders die armlastig zijn van de gemeente gratis onderwijs zullen ontvangen.

Switzar had heel wat te stellen om een meerderheid van de gemeenteraad achter zich te krijgen die goedkeuring gaf tot de bouw van een jongensschool op Donk. Uiteindelijk lukte dit na veel deliberatie binnen de raad en na veel druk vanuit de provincie. Switzar zelf was vanaf het begin voorstander van zo’n Donkse school.

 

Gedeelte uit De Grondwet, Roozendaalsche- en
Zevenbergsche Courant van 27 januari 1887

Als ‘n donderslag bij heldere hemel kondigde Switzar tijdens de raadsvergadering van 10 januari 1887 aan, dat hij bij de koning eervol ontslag aangevraagd had, dat hij dit ongaarne deed maar dat familieaangelegenheden hem daartoe noodzaakten. Welke dit waren stond er niet bij. Hij kreeg per 1 april zijn ontslag en op 14 april verhuisde hij naar de gemeente Maarssen in Utrecht. Switzar had tijdens zijn burgemeesterschap ervoor gezorgd dat de gemeente weer uit de financiële zorgen kwam en dat het gemeentebestuur met zijn ambtenaren weer organisatorisch goed functioneerden. Dat was nodig na burgemeester Van de Ven.

Toen Switzar hier vertrok leverde hij ten behoeve van het raadhuis zes jaloezieën à raison van ƒ24,-; hij zal ze in Maarssen niet meer nodig hebben gehad. En in 1883 ontving Switzar van de gemeente een bedrag van ƒ1,40 voor naai- en breiloon. Dit werd verder niet gespecificeerd in de jaarstukken, maar ik neem aan dat hij niet zelf ’t een en ander tijdens een raadsvergadering heeft zitten breien.

Wie was Switzar?

Vader Antonius Leonardus Switzer gaf bij de burgerlijke stand in Den Haag aan dat op 23 september 1838 zijn zoontje Johannes Leonardus was geboren. Moeder was Anna Maria Gellee. Hij was het oudste kind en kreeg nog twee broers en een zusje. Johannes Leonardus voltooide in Leiden zijn apothekersopleiding en vestigde zich in Amsterdam, eerst aan de Warmoesstraat, later aan de Spiegelstraat, als eigenaar van apotheek Heijdenrijck. In Amsterdam trouwde hij op 21 februari 1867 met Anna Maria Vrij en zij kregen op 19 september 1868 hun eerste kind, Antonius Leonardus Johannes Maria. Twee jaar later werd op 13 september 1870 dochtertje Theresia Maria Berendina Johanna geboren, die helaas al binnen een jaar overleed.

Johannes Leonardus was een begenadigd schaakspeler die lid was van het Amsterdamsch Schaakgenootschap. Hij werd meteen lid van de in 1873 opgerichte Nederlandsche Schaakbond en behaalde een jaar later de vierde plaats in het officieuze kampioenschap. Tussen 1873 en 1875 schaakte hij zes partijen tegen de beroemde Eduard Douwes Dekker, alias Multatuli, schrijver van de Max Havelaar, die dan in Wiesbaden woonde. Het zijn zogeheten correspondentiepartijen, waarbij de schaakzetten per brief werden doorgegeven. Switzar won vier keer.

Verhuizing

Hoe iemand ertoe komt om van het grote Amsterdam naar ons kleine dorpje met zijn 1400 inwoners te verhuizen, is mij een raadsel dat ik nog niet heb kunnen achterhalen. Maar eind maart 1876 ging hij samen met vrouw en zoontje aan het Heuvelplein wonen. Of Switzar hier rentenierde of nog werk verrichtte is niet bekend, maar bij de geboorte van dochtertje Geertruida Maria Elisa op 19 februari 1878 werd op de akte van de burgerlijke stand vermeld dat hij “zonder beroep” was. Schoenmaker Willem van de Ven en secretaris Gijsbertus Swinkels waren getuigen bij de aangifte van het kind.

In ieder geval had Johannes Leonardus geld zat, want hij werd voor de plaatselijke belasting -de zogeheten hoofdelijke omslag- in het een na hoogste tarief aangeslagen, samen met Piet van Thiel en pastoor Van Roosmalen. Bij deze personen werd namelijk een zuiver inkomen geschat tussen 3000 en 5999 gulden.

En begin 1880 werd hij onze burgemeester. Of hij hier ook tijd heeft gehad voor het edele schaakspel is niet duidelijk. Er is daarover geen verdere informatie te vinden. Wel is zeker dat hij niet bij schaakvereniging De Oude Toren lid is geworden, omdat deze club pas heel veel jaar later is opgericht. Ook is duidelijk dat hij na zijn verhuizing naar Maarssen daar nog wel lid was van de Schaakbond. Hij stierf op 16 juni 1916 in zijn geboortestad Den Haag.

De naam Switzar

Een bekend probleem waar genealogen vaak mee te maken hebben is het fenomeen van de verschillende schrijfwijzen van namen. Het ligt vaak aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand die personen inschrijft in de verschillende aktes. Zo is onze burgemeester bij zijn geboorte in Den Haag ingeschreven met de achternaam Switzer. Als hij in de Warmoesstraat in Amsterdam woont heet hij Switser.
Bij zijn trouwen in Amsterdam ondertekent hij zelf ook nog met Switzer, terwijl zijn oom Switzar schreef. En bij de geboorte van zijn eerste twee kinderen, die door de ambtenaar de achternaam Switzer kregen, ondertekende hij zelf met Switzar. Bij zijn sterven heet hij Switzer volgens de akte.

De familienaam was oorspronkelijk, naar het land van herkomst, Schweizer en is gesplitst in Switzer, ook Switzar, voor de katholieke en Zwitser voor de protestantse tak.

 

Bronnen:
Lodewijk Prins, “Multatuli en het spel van koningen”, uitgegeven door de Bezige Bij, 1970
Regionaal Historisch Centrum Limburg, Maastricht, arrondissementsrechtbank Roermond 08.011-1535
Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), Den Bosch, Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch, 1838-1930, toegangsnummer 22 inventarisnummer 46
BHIC, Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, toegangsnummer 17, inventarisnummers 4721, 6431, 6432 en 6433
Stadsarchief Amsterdam, diverse aktes van Switzar
Noord Hollands Archief, Haarlem, trouwakte Johannes Leonardus Switzar
Nationaal Archief Den Haag, archief Ministerie van Binnenlandse Zaken Inventaris 2.04.26.02
dossiernummers 280 t.m. 285 en 317 t.m. 325
Regionaal Historisch Centrum, Eindhoven, gemeentearchief Beek en Donk toegangsnummer 13047, inventarisnummer 1014
Multatuli Museum, correspondentie tussen Multatuli en Switzar

www.Delpher.nl, Wet van 28 juni 1881 (Staatsblad 97) tot regeling van de kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap

Benoeming van Switzar tot burgemeester van Beek en Donk
op 17 februari 1880 door koning Willem III