Geschiedenis

vrijdag 10 februari 2023

De opvolger

Als Jonkheer Jan Olphert de Jong van Beek en Donk op 20 juni 1901 per Koninklijk Besluit wordt benoemd tot Gouverneur in Curaçao, moet in ons dorp een nieuwe burgemeester worden aangesteld. Het wordt Christiaan Verhaak uit Sas van Gent en in drie artikelen in D’n Tesnuzzik wordt deze man beschreven door Martin Philipsen[1].

Vraag is waarom de keuze voor de nieuwe burgemeester destijds op Verhaak viel en waarom niet op een ander? Hoe gaat dat eigenlijk in zijn werk, een nieuwe burgemeester kiezen of benoemen? Aan de hand van ‘n dossier in het provinciaal archief in Den Bosch kunnen we een en ander nagaan. Dit dossier geeft een fraai inkijkje achter de schermen wie welke rol in deze opvolgingszaak speelt. Je zou kunnen zeggen dat dit artikel een inleiding achteraf is op Martins drieluik.

Hoofdrolspelers in deze zijn de Commissaris van de Koningin van Noord-Brabant Arthur Eduard Joseph baron van Voorst tot Voorst [hierna CvdK genoemd] en de Minister van Binnenlandse Zaken Abraham Kuyper [hierna kortweg de minister genoemd].

Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant
Van Voorst tot Voorst

Van Voorst tot Voorst was een Gelderse burgemeesterszoon uit een voorname adellijke familie, die zijn loopbaan als burgemeester begon en korte tijd gedeputeerde van Gelderland was. In 1894 werd hij commissaris van de Koningin in Noord-Brabant werd en bleef dat 34 jaar. Als commissaris zette hij zich in voor verbetering van het waterbeheer in de provincie, door onder meer kanaalaanleg en rivierverbreding. Hij bevorderde de economische ontwikkeling door aanleg van wegen en tramwegen, elektrificatie, ontginningen en uitbreiding van het nijverheidsonderwijs.

 

 

Minister Abraham Kuyper


 

 

Abraham Kuyper is de oprichter van de eerste politieke partij in Nederland, de ARP. In 1901 won de coalitie van Kuypers antirevolutionairen en de katholieken van Schaepman de verkiezingen. Kuyper formeerde een kabinet van acht ministers en nam zelf Binnenlandse Zaken voor zijn rekening. Hij had liever het ministerie van arbeid gehad, maar de andere antirevolutionairen Mackay en Heemskerk wilden niet naar Binnenlandse Zaken. Hij was een sterke leider in het kabinet en veranderde de werkwijze: tot dan toe had het voorzitterschap steeds gerouleerd, maar Kuyper bleef gedurende de volle vier jaar voorzitter van de ministerraad.

 

 

Het spel wordt meteen na de benoeming van De Jong tot gouverneur op de wagen gezet door de sollicitatiebrief van een zekere Petrus Schreppers. Op 3 juli schrijft hij dat hij de geschiktheid bezit het ambt van burgemeester naar behoren te kunnen waarnemen. Na hem volgen nog meerdere personen die in aanmerking willen komen voor de functie, maar eerst duikt een brief op van Marianus van Thiel. Hij schrijft de CvdK dat hij zich nooit met de gemeentepolitiek heeft bemoeid, maar wel de afgelopen twintig jaar de toestand van nabij heeft gadegeslagen. Beek en Donk heeft tijden gekend gedurende welke haar toestand te wensen overliet, volgens hem; er was ontevredenheid en veel verdeeldheid tussen de burgers individueel, tussen partijen en tussen buurten. De financiële toestand was allesbehalve rooskleurig, maar door krachtdadig en beleidvol optreden van de afgetreden burgemeester - Jhr. Jan Olphert de Jong van Beek en Donk- is de toestand in geheel andere banen geleid. Naar de mening van Van Thiel moet daarom weer een onpartijdige burgemeester worden benoemd. Hij denkt niet dat in de gemeente iemand te vinden is die geschikt is voor deze baan en hij vertolkt hierin de gevoelens van de meeste inwoners; dit laatste is erg aanmatigend, want hij schrijft er niet bij hoe hij tot die stellingname komt. Hij verzoekt daarom dringend geen inwoner van het dorp benoemen.

Sollicitanten

Op 1 augustus schrijft de CvdK een uitgebreide brief aan de minister met daarin de namen van hen die voor de post van burgemeester in aanmerking willen komen. In zijn commentaar op deze personen neemt hij geen blad voor de mond.

Jan Marie Pijpers, geboren in Delft op 1 juli 1868. Hij was sigarenfabrikant en sinds enkele jaren gemeenteraadslid in Eindhoven. Nadat hij zich uit zijn fabriek terugtrok ging hij op de secretarie in Woensel werken. Hij heeft een onafhankelijk karakter, is onbesproken van gedrag, maar is wel zenuwachtig en rusteloos. Hij pakt veel zaken aan, maar brengt ze niet altijd tot een goed einde. In Eindhoven is hij een van de voorvechters van “Eindhoven Vooruit”; naast vrienden heeft hij veel vijanden als gevolg van zijn voortdurend agiteren. Maar, schrijft de CvdK, hij zou in Beek en Donk op zijn plaats zijn als hij zich tenminste afzijdig kan houden van de dorpspolitiek. Maar hem kennende zal dit niet het geval zijn. Jan Marie woont in Eindhoven en is ongehuwd.

Jan Willem Lucas komt niet in aanmerking, omdat hij de Neder Duitsch Hervormde godsdienst belijdt, terwijl de bevolking van Beek en Donk katholiek is. Wel was ook de afgetreden burgemeester Jhr. de Jong van Beek en Donk niet katholiek, maar deze verkeerde in andere omstandigheden. Zijn familie hoorde in Beek en Donk thuis, bewoonde daar het kasteel en had er een uitgestrekt grondbezit; de familie was daar bekend en genoot algemene achting, terwijl de heer Lucas daar ten enenmale vreemd is en om zijn godsdienst vermoedelijk niet zou slagen het vertrouwen en sympathie van de inwoners te verwerven. Het is duidelijk dat de CvdK hier met twee maten meet; ook Lucas zou in staat moeten zijn vertrouwen en sympathie bij de dorpsbewoners op te bouwen.

Petrus Schreppers, voluntair op de secretarie in Boekel, solliciteert sinds vele jaren naar ongeveer alle vacante burgemeestersplaatsen in kleine gemeenten. Zeven jaar geleden gaf de CvdK hem de raad zich te onderwerpen aan het examen die de Nederlandse Vereniging voor de Gemeentebelangen jaarlijks afneemt aan hen die prijsstellen op het door deze vereniging uitgereikte diploma van aspirant-gemeentesecretaris. Als hij dit diploma zou hebben, was hij daarmee in het bezit van een verklaring van onpartijdige mannen en zou hij geschikt zijn voor secretaris. De CvdK gaf hem deze raad, omdat hij hem geborneerd -beperkt van verstand- en weinig ontwikkeld vond en de sollicitatiebrief van Schreppers versterkt hem in zijn opvatting, want de fouten in de brief mag een ontwikkeld man niet maken, schrijft de CvdK. Ook hij valt dus af.

Th. G. Thijssens, zoon van een gemeenteveldwachter, werkte zich op tot hulponderwijzer in Beek en werd twaalf jaar eerder secretaris. Administratief mag hij niet slecht onderlegd zijn, hij heeft een zwak karakter en is niet zelfstandig genoeg, terwijl zijn ijver veel te wensen over laat. Hij bejaagt gratis de eigendommen van veel eigenaren en staat daardoor tegenover hen in een scheve en afhankelijke positie. In de geldelijke behoeften van zijn gezin voorziet hij naast zijn salaris ook door zijn diensten te lenen als rentmeester van goederen, terwijl zijn vrouw, die kostuumnaaister is, knipcursussen geeft. Onder een onafhankelijke burgemeester kan hij als secretaris goed voldoen, maar hij is ongeschikt om zelf als hoofd der gemeente op te treden.

Adrianus van Hoof, is sinds twee jaar wethouder. De inlichtingen over hem lopen zeer uiteen. Enerzijds kreeg de CvdK bericht dat hij de nodige bekwaamheid heeft om het ambt van burgemeester naar behoren waar te nemen, dat hij een goed oordeel heeft en kennis van mensen en toestanden. Anderzijds zou hij weinig tact hebben en onmogelijk zelfstandig kunnen optreden. Als wethouder zou hij zijn stem meer hebben laten beheersen door familie- en partijoverwegingen dan door het gemeentebelang. Hij zou geen open karakter hebben en de moed missen om voor zijn overtuiging uit te komen. Financieel is hij voldoende onafhankelijk. Hij is landbouwer, ongehuwd en bewoont met een broer een hofstede [een hofstede is een grote boerderij], terwijl hij bovendien nog een hofstede heeft die door een ander bewoond wordt.

De CvdK heeft over Adrianus van Hoof ook nog inlichtingen ingewonnen bij de officier van justitie te Roermond, kanton Helmond. Opvallend is dat hij alleen Adrianus heeft laten natrekken en niet ook de andere kandidaten. Hij is wethouder, geboren 11 december 1862, is Rooms Katholiek, woont tussen Beek en Donk in de parochie Beek; hij is landbouwer, ongehuwd en woont samen met zijn ongehuwde broer. Hij heeft een eigen plaats met vijf melkkoeien en heeft daarnaast een eigen tiend[2] van ƒ2000,- die jaarlijks ƒ160 oplevert. Hij heeft zich nooit veel bemoeid met de gemeentelijke administratie. Adrianus is penningmeester van de coöperatieve boterfabriek, waarvan de burgemeester voorzitter was.

Is de mening omtrent Van Hoof van mijn zegslieden uiteenlopend, hetzelfde is het geval met Martinus van de Leemputten. Hij was vroeger raadslid en wethouder. Hij bedankte toen zijn gezin sterk vermeerderde en hij thuis moeilijk gemist kon worden. Financieel is hij zeer onafhankelijk. Ook van hem wordt enerzijds getuigd dat hij zeer geschikt is, terwijl anderzijds over hem een zeer ongunstig oordeel wordt geveld. De CvdK gaat hier verder niet op in. Martinus is landbouwer te Beek, geboren op 12 maart 1848, gehuwd en heeft negen kinderen.

De Commissaris denkt dat de uiteenlopende meningen over Van Hoof en Van de Leemputten haar oorzaak vinden in de rivaliteit die bestaat tussen de dorpen Beek en Donk. De Commissaris vreest dat wanneer een ingezetene burgemeester wordt, de oude ongelukkige toestanden zullen terugkeren. Hij volgt daarmee de mening van de afgetreden burgemeester, de nieuwbenoemde Gouverneur van Curaçao, aan wiens oordeel hij hoge waarde hecht. Deze deelde hem als zijn mening mee, dat wanneer een ingezetene tot burgemeester zou worden benoemd Van de Leemputten boven Van Hoof de voorkeur verdiende; maar hij raadde echter aan iemand van buiten het dorp te benoemen, als een geschikte kandidaat zich zou aandienen. Daarom stuurt de CvdK een aanbevelingslijst in met daarop twee namen. Op plaats een staat Pijpers en nummer twee is Van de Leemputten. Uit deze twee zou de minister dan moeten kiezen, waarbij Pijpers de voorkeur heeft bij de CvdK.

Nieuwe naam

Anderhalve maand later duikt voor het eerst de naam van Christiaan Verhaak op. In een brief aan de CvdK schrijft minister Kuyper dat voor de benoeming tot burgemeester in het dorp Putte bij Woensdrecht naast een zekere heer Leis zich nog een kandidaat heeft gemeld, namelijk Verhaak. De minister vraagt zich af of deze laatste misschien niet een betere kandidaat voor het burgemeesterschap in Beek en Donk is, want over Jan Pijpers had hij minder gunstige berichten ontvangen. Daarop reageert de CvdK dat Verhaak het jaar ervoor al heeft gesolliciteerd naar het burgemeesterschap van Oudenbosch. Voor het dorp Putte wil hij Verhaak niet voordragen, omdat hij vindt dat daar een ingezetene burgemeester moet worden. Want het dorp heeft voor een vreemdeling weinig aanlokkelijks. Daarom adviseert hij de minister Leijs daar te benoemen, wat daadwerkelijk gebeurt. De benoeming van Verhaak tot burgemeester van Beek en Donk schijnt de CvdK niet ongewenst, “maar toch zou ik, alvorens deze benoeming bij Uwe Excellentie definitief voor te staan, gaarne de man van meer nabij kennen. Ook dient vooraf vast te staan dat hij de betrekking te Beek en Donk verlangt.”

Verhaak moet dus eerst de koningin laten weten of hij voor burgemeester van Beek en Donk in aanmerking wil komen en pas daarna zal de CvdK informatie over hem inwinnen en de minister een voorstel doen. Op 20 september komt een brief van Verhaak binnen bij de CvdK. Hij begint met zich te verontschuldigen dat hij al heeft gesolliciteerd in Zevenbergen, terwijl die plaats al vervuld was. Het blijkt dus dat Verhaak per se uit Sas van Gent weg wilde en daarom solliciteert hij er op los. Hij kreeg de tip te solliciteren in Beek en Donk en wil daarvoor graag op audiëntie bij de CvdK. Omdat hij het jaar ervoor al bij hem is geweest, veronderstelt Christiaan dat dit niet meer nodig zal zijn. Hij geeft aan een sollicitatie voor de post in Beek en Donk naar de koningin te hebben gestuurd en Verhaak hoopt dan ook door de CvdK te worden voorgedragen. Maar zo snel gaat dit niet, want de CvdK wil eerst weten wat voor vlees hij in de kuip heeft en vraagt inlichtingen over hem op bij de toenmalige kantonrechter van Terneuzen.

Volksman

Hij krijgt van deze kantonrechter een negatief oordeel over Verhaak. Op het particuliere leven van Verhaak, gewezen wethouder van Sas van Gent, is niets aan te merken, schrijft deze.

Als uitgever-redacteur van een klein blaadje, genaamd “de Scheldebode” en als lid van de raad van die gemeente, trok hij de aandacht door de oppositie die hij voerde tegen de meerderheid van de raad. Verhaak trad daarbij op als volksman die het belang der lagere klasse verdedigde tegen het streven der machthebbende partij om bijzondere belangen boven de algemene te doen gaan. Of en, zo ja, in hoeverre zijn optreden recht van bestaan heeft gehad, kon schrijver wegens onvoldoende bekendheid met de plaatselijke toestanden te Sas van Gent niet beoordelen.

Uit het feit, dat sollicitant deze zomer bij de verkiezingen van de gemeenteraad niet herkozen was, viel op te maken, dat zijn optreden niet in de geest van de meerderheid der kiezers was.

“M.i. kon de indruk die het optreden van sollicitant maakte, moeilijk anders zijn, dan dat hij iemand is van een heftig en opgewonden temperament en geheel zonder bezadigdheid, die ook voor het hoofd ener kleine gemeente gewenst mag geacht worden.” Aldus de kantonrechter aan de CvdK.

Hierop schrijft de CvdK de minister dat op grond van dit ambtsbericht van de kantonrechter, hij bezwaar maakt tegen een benoeming van Verhaak tot burgemeester in Beek en Donk en hij blijft bij zijn aanbeveling om of Pijpers of Van de Leemputten te benoemen. Bijna altijd wordt de aanbeveling van de commissaris door de minister overgenomen, die de kandidaat dan op zijn beurt voordraagt bij de koning(in). In dit geval is het anders, want ondanks het verzet van de CvdK wordt Christiaan Verhaak toch door de koningin op 25 oktober 1901 benoemd tot burgemeester van Beek en Donk. Een motivatie ontbreekt waarom de minister afweek van de voordracht van de commissaris, behalve dat de minister negatieve berichten over Pijpers heeft vernomen. Waarom hij dan niet koos voor de nummer twee op de aanbevelingslijst, namelijk Van de Leemputten, kan alleen maar te maken hebben met het feit dat Martinus inwoner was van Beek en Donk, wat minder wenselijk zou zijn.

Op vijf november 1901 vindt de installatie in de gemeenteraad plaats van Christiaan Verhaak. Eén karaktereigenschap blijft hij houden, namelijk die van het opkomen voor het algemeen belang. Tijdens de grote staking bij Van Thiel in 1909/1910 had hij de naam achter de stakers te staan. Zo heeft Verhaak de school op Donk beschikbaar gesteld aan de stakers, omdat zij niet in de zaal van de firma mochten vergaderen.

Uit “Revolvers tegen vuisten en doorslagen”[3]:

Vooral in het begin van de werkstaking treden rijkspolitie en marechaussees hard op. Op 26 december is al ’n geweldsuitbarsting waarover de burgemeester zeer verbolgen is. Dit is voor de Van Thiels aanleiding hem ervan te beschuldigen dat hij de stakers goedgezind is, hetgeen uit de briefwisseling van Verhaak aan de bevoegde instanties niet blijkt. Hierin komt hij vrij neutraal over, hoewel hij veel gezag en invloed heeft bij de stakers en hun gezinnen.

Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat in dit artikel alleen namen van mannelijke sollicitanten voorkomen. Vrouwen mochten destijds nog geen enkele rol spelen in het politieke leven. Gelukkig zijn de tijden ten goede veranderd.

Bronnen:
BHIC, Brabants Historisch Informatie Centrum Den Bosch, Toegangsnummer 17 Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, inventarisnummer 12797
Wikipedia, gegevens over minister Kuyper en de commissaris van de Koningin Van Voorst tot Voorst



[1]  D’n Tesnuzzik nr.3 2021, nr.4 2021, nr.1 2022

[2] Evenredig, meestal tiende gedeelte oogst, jongen van dieren enz., dat men aan rechthebbende moest opbrengen

[3]  D’n Tesnuzzik nr.3 2014, artikel van de auteur

Geen opmerkingen:

Een reactie posten