Voor dit artikel duiken we ver terug in de tijd. We staan stil bij de jaren 1648, 1656 en 1764. We bekijken wetsartikelen die te maken hebben met huwelijkse zaken en die tot ver in de 20ste eeuw van toepassing waren en sommige zelfs nog zijn. We komen een interessant geval tegen in ons dorp van een paartje dat een pittige boete zou moeten betalen.
Met de Vrede van Munster op 15 mei 1648 kwam een einde aan de Tachtigjarige oorlog met de Spanjaarden. Bekend is dat het leven voor de roomse gemeenschap er niet beter op werd. Kerken werden van het ene moment op het andere overgenomen door de protestanten waardoor de katholieken later gebruik moesten maken van zogeheten schuurkerken. Kloosters, kerken en kapellen werden gesloten, alle beelden en ornamenten hierin werden verwijderd. Minder bekend is dat al een maand later, op 16 juni, wetgeving van de Staten-Generaal van kracht werd, dat binnen acht dagen na afkondiging hiervan alle roomse geestelijken moesten vertrekken uit Brabant, Vlaanderen en de andere gebieden die vanaf dan bij de Republiek waren gekomen. Gedreigd werd met een boete van zeshonderd tot duizend gulden als zij toch terugkwamen. In hoeverre priesters hier in Brabant daaraan gehoor aan gaven is niet duidelijk, toch zat de angst er goed in. Het is bekend dat pastoors naar vrije katholieke heerlijkheden zoals Gemert gingen om aan vervolging te ontlopen.
Deze rigide anti-roomse opstelling door de Staten-Generaal werd nog eens bevestigd in het jaar 1656, toen huwelijkswetgeving werd vastgelegd in het zogeheten “Echt-Reglement”. In artikel vier werd vastgelegd dat het de roomse geestelijkheid verboden werd mensen in ondertrouw te laten gaan, te trouwen of te hertrouwen. Als priesters dat toch deden riskeerden zij, dat zij uit hun huis werden gezet en bij een tweede overtreding, was levenslange verbanning uit het land hun straf. De inwoners van het land mochten alleen worden getrouwd door gereformeerde predikanten of op het stadhuis door de “Commissarissen van ’t Houwelijck”, zoals zij werden genoemd.Genoeg over het antiroomse, het antipaapse; laten we verdergaan met enkele andere interessante artikelen uit dit echt-reglement. De huwelijksinschrijving of ondertrouw mocht alleen op zaterdag gebeuren en niet vóór zonsopkomst of na zonsondergang op straffe van vijftig gulden boete. De inschrijving door de commissaris moest zorgvuldig gebeuren, hij mocht niet dronken zijn en er mocht geen sterke drank geschonken of gedronken worden.
Artikel tien zegt dat vóór en na de huwelijksvoltrekking bruid en bruidegom niet lastig gevallen mochten worden door het afschieten van geweren, het schenken van “sterke Wateren, Bier ofte Wijn”. Ook was het verboden van het paar te eisen dat zij kwanselbier zou schenken, een gewoonte om aan jonge mannen uit de buurt dit bier te geven.
Op drie achtereenvolgende zondagen werd de ondertouw afgekondigd, zodat anderen de mogelijkheid hadden eventueel protest aan te tekenen tegen het voorgenomen huwelijk. Was dat niet gebeurd, moest binnen een maand daadwerkelijk getrouwd worden. Dus samenleven zoals dat tegenwoordig heel normaal is, was er vroeger niet bij. Was men binnen die maand nog niet getrouwd, of woonden man en vrouw ongetrouwd samen, konden beiden daarvoor beboet worden met een geldstraf van vijftig gulden voor de eerste maand, voor de tweede maand honderd gulden en voor de derde maand tweehonderd gulden. Men kon gedwongen worden alsnog te trouwen en als men dat niet wilde, werden man en vrouw voor tien jaren verbannen of werd een lijfstraf toegepast in plaats van verbanning. Dit was vervat in artikel vijfentwintig.
Jan en Elisabeth wonen samen in Beek en DonkOp grond van dit laatste wetsartikel kwamen op 6 februari van het jaar 1764 onze drossard Gisbert de Jong en vorster Balthasar van Schaijk in actie. Bij dorpsgenoot Johannes Janssen Velthoven zou Elisabeth van Boekent uit Neeritter (bij Ittervoort, op de grens met het huidige België) zich sedert enige tijd bevinden. Volgens laatstgenoemden zouden zij op 29 oktober 1763 in ondertrouw zijn gegaan bij de heer Dolleman, predikant van Aarle, Lieshout en Beek en Donk. De afkondiging of proclamatie hiervan zou vervolgens op 30 oktober, 6 en 13 november zijn geweest. Dit was gedaan door schoolmeester en koster Isaak Enten. Verondersteld werd door de drossard dat zij bijna drie maanden ongetrouwd waren en dat zij daarom een boete van totaal 350 gulden elk zouden moeten betalen. De vorster werd naar hen gestuurd om te achterhalen wanneer en waar zij daadwerkelijk en wettig waren getrouwd en of zij een behoorlijke trouwbrief hadden. In geval van overtreding van de wet werden zij beboet. Of dit ook zo is gebeurd is niet duidelijk, in de rekeningen van de gemeente kom je in elk geval geen bedrag tegen wat er op kan wijzen dat zij deze boete daadwerkelijk hebben betaald. Ook is uit de archiefstukken niet op te maken dat zij een trouwbrief hadden.
Gaan we nog even verder met enkele wetsartikelen uit 1656.
Voor melaatsen was het verboden zowel met andere melaatsen of met gezonde personen te trouwen. Ook mochten christenen niet trouwen met joden, mohammedanen of heidenen op straffe van verbanning. Tegenwoordig zouden we zeggen dat hier sprake is van discriminatie.
Geen gedoopte mocht met een ongedoopte in de kerk trouwen. Het heeft er alle schijn van dat het bekende gezegde “twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen” uit deze tijd stamt en dus al honderden jaren oud is.
Uitgebreid wordt besproken bij welke familieverbanden trouwen verboden was. Zo mochten ouders niet met hun kinderen en broers niet met hun zusters trouwen “’t zij van vollen ofte van Halven Bedde”. Ooms niet met hun nichten en Moeyen (tantes) niet met hun neven. De man trouwde niet met zijn schoondochter, stiefdochter of nagelaten weduwe van zijn broer. De vrouw trouwde niet met de schoonzoon, stiefzoon (vóórzoon genoemd) of met de man van haar overleden zuster.
Op straffe van honderd gulden boete mochten mensen niet in concubinaat samenleven of op basis van boelschap, een ander woord voor oneerbare liefdesbetrekking. Als dat werd geconstateerd waren zij verplicht onmiddellijk te trouwen of uit elkaar te gaan. Zo niet, werden zij beschouwd als hoereerders en mochten zij hierin blijven volharden, konden ze voor tien jaar uit het land worden verbannen.
In een ander artikel werden de magistraten en ambtenaren belast met het weren, verstoren en uitroeien van alle bordelen, hoerhuizen, mot- en ravothuizen (17de-eeuwse termen voor bordeel). Deze konden niet worden getolereerd, werd geschreven. Diegene die zo’n hoerenkot erop nahield kon lijfelijk worden gestraft. En zij die hun dochter, zus, nicht of neef aan een bordeel hadden geleverd, konden zelfs met de dood worden bestraft. De persoon die in zijn huis bordeel hield, werd eerst bestraft met honderd gulden boete en bij de tweede keer werd hij gegeseld en verbannen.
Als een man betrapt werd op overspel met een getrouwde vrouw, werden beiden bestraft met eeuwige verbanning. Maar was er overspel gepleegd door een ongetrouwde vrouw bij een getrouwde man, raakte de man, als hij beambte was, als zijnde eerloos zijn ambt kwijt; bovendien kreeg hij een boete van honderd gulden en mocht hij doorgaan, werd hij beboet met driehonderd gulden en kon worden verbannen. De vrouw werd bij overspel met een getrouwde man bestraft met een maand op water en brood en als zij doorgaat met het overspel werd zij voor vijftig jaar verbannen uit het land. Bigamie, het gelijktijdig gehuwd zijn met twee personen, werd met lijfelijke tuchtiging bestraft.
Concilie van Trente
Hoewel het dus officieel verboden was dat katholieke priesters personen trouwden, gebeurde dit natuurlijk toch. Het noteren van huwelijken en dopen in registers werd tijdens het het concilie van Trente (1545-1563) verplicht gesteld. De reden hiervan was om zodoende verboden huwelijken te voorkomen en te bestrijden. Verboden huwelijken waren huwelijken tussen familieleden onderling en tussen reeds gehuwden. Al in het jaar 1215 werd getracht het verbod op deze huwelijken na te leven door de instelling van de drie roepen in de kerk. Er werd dan op drie achtereenvolgende zondagen in de kerk door de pastoor bekendgemaakt dat de twee verloofden van plan waren te trouwen. Op deze manier konden clandestiene huwelijken, zeker in kleinere gemeenschappen, voorkomen worden. Maar doordat gemeenschappen steeds groter werden en mensen steeds mobieler werden, was dit systeem van de drie roepen niet meer voldoende. Een goede administratie moest uitkomst bieden. De pastoor moest daarom een register aanleggen waarin de namen van bruid en bruidegom, de huwelijksdatum en de namen van de getuigen werden vermeld.
Naast de
huwelijksregisters moesten de pastoors ook doopregisters aanleggen. Dit was om
huwelijken, waarin sprake was van bloedverwantschap, te voorkomen. Om toch te
kunnen trouwen binnen een familieband kon dispensatie (ontheffing) worden
aangevraagd. Hoe nauwer de familieverband was hoe moeilijker het was om deze
huwelijksdispensatie te krijgen. Een bisschop kon toestemming geven voor een
huwelijk tussen achterneef en achternicht terwijl een pauselijke dispensatie
nodig was voor een huwelijk tussen volle neef en nicht. Naast deze bloedverwantschappen
was het ook niet toegestaan om binnen de banden van geestelijke verwantschap te
trouwen. Geestelijke verwantschap was een verwantschap die ontstaat bij de doop
tussen alle aanwezigen bij die doop; getuigen, dopeling en ouders.
Overlijdensregisters waren niet door het concilie van Trente verplicht gesteld.
Zij werden door de pastoor in de meeste gevallen wel bijgehouden, maar vanuit
een financieel oogpunt. Het begraafregister was dan ook eigenlijk een kasboek
waarin werd bijgehouden wie betaald had voor zijn uitvaart en de daarbij
behorende diensten. De begraafregisters beginnen in de meeste parochies dan ook
later dan de verplicht gestelde doop- en trouwregisters.
Bronnen:
BHIC
Den Bosch, toegangsnr.
317 Familie De Jong van Beek en Donk en het huis Eyckenlust te Beek en Donk,
inventarisnummer 1351
RHCe
Eindhoven, 13045 gemeentebestuur Beek en Donk 1610-1810, inventarisnummer 12
gemeenterekeningen
Groot
Placaet-boeck der Staten-Generaal der Vereenighde Nederlanden enz., volume 1,
pagina 176
www.delpher.nl,
Boeken, Echt-reglement



Geen opmerkingen:
Een reactie posten