Geschiedenis

zaterdag 6 november 2021

De vlammenwolf slaat toe

“Zo ben jelui wat wezen spuiten?” Het ironisch toontje valt niet in goede aarde. Ze komen net van hun oefening bij het kanaal en bij de timmerwinkel van Laurentius v.d. Heuvel worden de spuitgasten zó door hem begroet, nota bene een van hen. Ze zijn al verbolgen omdat spuitgast Piet van Bragt op z’n gemak komt aangesloft op het moment dat ze net de slangen hebben opgerold. Hij vertelde hen dat hij niet eerder op de hoogte was dat vandaag de oefening werd gehouden. Op de terugweg wordt nog heel wat afgemopperd en opperbrandmeester Alphons Swinkels sust de gemoederen met de toezegging dat hij in zijn rapport aan burgemeester en wethouders zal voorstellen Van den Heuvel een boete of straf te geven. Anders is het gevaar aanwezig dat bij een volgende gelegenheid ook anderen willekeurig zullen wegblijven. En dat kan natuurlijk niet! Het is tenslotte 1926 en iedereen heeft zijn verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van de brandweer.

Dienstplicht
Evenals de Donkse bestaat de Beekse brandweer in die jaren uit 20 mannen, die verplicht aanwezig moeten zijn bij brand en bij de oefeningen, of het moet zijn dat men ziek is, buiten de gemeente aan het werk, of aan het helpen bij een andere brand. Van vrijwilligheid is geen sprake. Het college van burgemeester en wethouders wijst gewoon mannen aan die verplicht zijn de dienst op zich te nemen of ze het nou leuk vinden of niet. De regels zijn al losser geworden dan vroeger, want nu kan men zich voor ƒ2,50 laten vervangen, en zelfs kan men de dienstplicht helemaal afkopen voor het forse bedrag van ƒ10,-. Deze verzachtende mogelijkheid geeft B&W aan in antwoord op een schrijven van Marinus v.d. Vorst, de latere voorzitter van Sparta ’25. In zijn brief van 1 juni 1928 schrijft Van de Vorst dat hij op de expeditieafdeling van Van Thiels Draad-Industrie werkt. Hij moet daarbij bijna iedere dag 1 tot 2 uren na kantoortijd doorwerken om de facturen op tijd gereed te hebben. Dat valt natuurlijk niet te combineren met de dienstplicht van de brandweer en hij hoopt dan ook dat B&W genegen zal zijn om zijn benoeming in te trekken. B&W reageert binnen drie dagen op zijn brief en antwoordt dat er geen argumenten aanwezig zijn om zijn benoeming in te trekken. Fijntjes wijst het college erop dat wellicht zijn werkgeefster bereid gevonden wordt deze verplichte dienst af te kopen. Het gebeurt niet, want tijdens de oefening van 20 juni van dat jaar is hij als gewoon spuitgast aanwezig bij de Donkse brandweer, omdat hij toen namelijk in de Leekerstraat woonde, de latere Mgr. Verhagenstraat

Brandspuit
Tot 1788 heeft Beek en Donk geen eigen brandspuit, bij brand wordt gewoon met emmers en ketels water geblust. Drossard Benjamin de Jong schrijft aan Peter Jansen van der Putten en Gerrit Smits, borgemeesters in het dorp en verantwoordelijk voor de hele financiële administratie van de gemeente, dat zij een som van ƒ440,- moeten betalen aan Arnoldus Sluijers. Hij is brandspuitmaker in Helmond en bij hem wordt een nieuwe brandspuit gekocht “vermits alhier geen brandspuijt was.” In datzelfde jaar is ook sprake van de bouw van een brandspuithuisje door diezelfde Peter Jansen v.d. Putten die ook  timmerman is, voor 78 gulden, 17 stuivers en 8 penningen. Laten we ervan uitgaan dat geen sprake is van belangenverstrengeling. Niet bekend is waar deze gebouwd wordt. In latere jaren staat de spuit onder het gemeentehuis, het tegenwoordige Oud Raadhuis.

Reglementen
Het oudste, in het archief in Helmond gevonden, reglement ter voorkoming van brand is dat van 9 maart 1733. Daarin staat onder meer dat  twee keer per jaar de schoorstenen, bakovens, brouwerijen, mouterijen en vuurplaatsen gecontroleerd worden. Een forse boete van drie gulden wordt geheven als deze niet in orde zijn. Mocht na controle blijken dat er niets aan de veiligheid is gedaan kan de bakoven, op advies van een metselaar, ingeslagen worden.

In het brandreglement van 1789 zijn de drossard, de president en schepenen van de heerlijkheid, de huidige gemeenteraad, opperbrandmeester. Ook zijn er vier onderbrandmeesters of directeuren en verder zijn twaalf van de kundigste inwoners geaffecteerde (aangewezenen) en vier hiervan zullen “voor de Darmen van de Brandspuyt moeten zorgen.”

Gedeelte uit het brandreglement van 1789

De vier onderbrandmeesters en de vier die verantwoordelijk zijn voor de brandslangen zijn te herkennen aan de stok met een ronde knop, rood-wit geverfd, die zij steeds bij zich dienen te hebben. De inwoner die het eerst bij het raadhuis is om met een paard voorzien van gareel of haam de spuit te vervoeren, krijgt een zilveren ducaton (munt met een waarde van drie gulden). Komt meteen daarna iemand anders met een paard dan krijgt deze een daalder om zo de ijver te belonen. Dat de brandweer in de volksmond dikwijls drankweer wordt genoemd, heeft toch wel een historische kern van waarheid. In artikel 17 staat geschreven dat twee keer per jaar, of zoveel meer als nodig wordt beoordeeld door de heren brandmeesters, er een oefening is. En na deze oefening krijgen de spuitgasten een halve ton bier op rekening van de gemeente!

In het latere reglement van 1818 staat de burgemeester en niet meer de hele gemeenteraad aan het hoofd van de brandweer. Hij is verantwoordelijk voor de veiligheid in het dorp en dus ook voor de brandveiligheid. Samen met de wethouders en brandmeesters wordt elk jaar in februari en oktober schouwvoering verricht, waarbij vooral gelet wordt op de schoorstenen bij de huizen. Speciale aandacht is er bij de smeden en bakkers. In dit reglement ter voorkoming van brand staan de nodige boetes als de ingezetenen zich niet houden aan de verschillende wetsartikelen.

Is er momenteel veel gekrakeel over een rookverbod in openbare gebouwen, in 1818 gaat men een stap verder. Artikel 1 luidt: “Niemand zal op straat bij eenige Huizen tabak mogen rooken, zonder van een dopje op de pijp voorzien te zijn, en met geen brandende tabakspijpen, in Schuren of Stallen mogen gaan, op verbeurte eener boete van vijf en zeventig Cents.”

Ook is iedere inwoner verplicht bij brand mee te helpen blussen. De brandmeesters, opzichters van de brandspuiten en de rotmeesters van de gemeente stellen hen in dubbele rijen op van het brandende huis tot aan het dichtsbijzijnde water op om aan de een de gevulde en aan de ander de lege emmers door te geven. Als de orders van de burgemeester of brandmeesters niet worden opgevolgd of als men nalatig blijft kan een boete opgelegd worden van twee gulden, aldus artikel 15.

Artikel 17 is bijna humoristisch beschreven en luidt letterlijk: “Bijaldien er des nachts brand kwam te ontstaan en door een der Ingezetenen zulks gezien moge worde, zal verpligt wezen, dadelijk Brand te roepen, en naar de naaste Huizen te loopen en te roepen; vervolgens zal ieder Ingezeten die zulks bewust is, dadelijk, met een brandende Lantaarn en een Ketel of Emmer met water daar heen loopen, op verbeurte eener boete van één Gulden.”

Donkse brandweer
Tijdens de raadsvergadering van november 1847 wordt besloten dat een 2e brandspuit op Donk moet komen. Vanwege de uitgestrektheid van de gemeente is dit wenselijk; in eerdere jaren was daarvoor geen geld, maar door de verkoop van gemeentegronden is het nu wel haalbaar. Met eenheid van stemmen wordt dit besloten en B&W wordt opgedragen nadere informatie in te winnen en aan de raad rapport uit te brengen. Het duurt tot augustus 1848 voordat Gedeputeerde Staten toestemming geven om geld hiervoor uit te trekken en pas op 19 juni 1849 ondertekent  timmerman Petrus van Thiel als laagste inschrijver het contract tot de bouw van een brandspuithuisje, dat tevens dient voor wachthuis en bewaarplaats voor gevangenen. Hij bouwt dit voor een bedrag van ƒ393,-. Dit huisje wordt aan de kaatsbaan vlakbij de plaats waar de St. Jozefschool in de Kapelstraat heeft gestaan gebouwd en moet op 1 oktober van dat jaar gereed zijn. Voor het bedrag van ƒ225,- wordt een tweede draagbare brandspuit aangeschaft, die burgemeester Van Kemenade bij de firma De Vries in Eindhoven al gekocht heeft, onder voorbehoud van toestemming van de gemeenteraad.

Vanaf dan opereren er twee brandweerkorpsen in het dorp elk 20 manschappen sterk. Naast de opperbrandmeester zijn er drie brandmeesters, een seingever, een trompvoerder (tromp= mondstuk van de slang van een brandspuit) en de overige mannen worden de spuitgasten genoemd. Als in 1883 begonnen wordt met de bouw van de jongensschool in de Kapelstraat  is men het erover eens dat zo’n brandhuisje vlakbij zo’n fraai gebouw geen gezicht is. De raad besluit daarom in februari 1884 het bestaande af te breken en op de speelplaats een nieuwe te laten bouwen.

Verslag
Burgemeester en wethouders bepalen steeds wanneer de korpsen moeten oefenen en telkens is ook iemand van dat college aanwezig. De oefeningen worden altijd aan het kanaal gehouden. De opperbrandmeester rapporteert aan het college wie aanwezig is geweest en hoe de oefening is verlopen; ook worden eventuele gebreken doorgegeven. Natuurlijk rapporteert de opperbrandmeester het college van B&W na elke brand.

Hier volgt zo’n verslag van Antoon Peters,  plaatsvervangend opperbrandmeester bij de spuit Beek: op zondag 11 mei 1902 rond 17.30 uur is brand ontstaan bij Johannes Smits en bij de Weduwe van Antoon van Deijnen te Beek (in de Mauritsstraat, Zjon ); G.v.Thiel was verhinderd wegens een zieke hand; Christiaan v.Thiel, plaatsvervanger van zijn broer, had de spuit al opgehaald uit het raadhuis, aanwezig waren al  P. v. Will, P. Bouwmans en F. Rox. Ook kwamen de brandmeesters Joh. Manders en Th. v.d. Akker en de gasten Hendricus Peters, Johannes v.d. Kruis, W. Schoofs plaatsvervanger Albert Heesakkers en Egidius v.d. Zande. Rond 6 uur kwamen Piet Vermeulen, Piet Vereijken en Leonardus van der Leemputten. Marinus Smits te Donk is ook aanwezig, deze schijnt zijn post afgedragen te hebben aan zijn broer Theodorus Mz., smid te Beek.

Om 20.00 uur kwamen Piet van Leuken, Piet van den Einde en Adrianus Kuipers welke allen buiten de gemeente waren geweest. Onderscheiden heeft zich trompvoerder Antoon Jansen. De spuit en slangen werkten goed, maar het troebele water zorgde voor verstopping van de zuiger. Particulieren weigerden mee te werken en ook de opperbrandmeester H.H. Verhagen van Donk met enkele andere brandgasten waren aanwezig zonder spuit. Opperbrandmeester Alphons Swinkels was zondags en ’s maandags niet in Beek en Donk.

Peters stelt voor de slangen op haspels te rollen zoals op veel andere plaatsen het geval is. Antoon Jansen heeft door zijn snelle optreden niet de tijd gehad om de daarvoor bestemde kleding te gaan halen zodat zijn zondagse pak nat, bevuild en op enkele plaatsen verschroeid is en wil voor hem een vergoeding.

Branden
Er zijn in de loop van al die jaren natuurlijk vele branden geweest in Beek en Donk. Twee springen er uit. De eerste vanwege kordaat optreden van een jong meisje, de tweede vanwege de schaalgrootte.

Op 23 augustus 1843 ontstaat brand in de bouwmanshuizinge ofwel de boerderij van Hendricus Maas getrouwd met Johanna van der Putten. De boerderij is eigendom van de vader van Johanna, Goord v.d. Putten. Er gaat veel verloren: opgeschuurd graan, hooi, stro, een paard, twee runderen, twee varkens, alle landbouwwerktuigen en veel huisraad.  Zij hebben een dienstmeid in huis, de dertienjarige Petronella Pardoel. Deze redt met gevaar voor eigen leven het leven van de “zinneloze meesteres” Johanna. Petronella raakt hierbij gewond. De gemeenteraad, onder de indruk van haar heldinnengedrag, beloont haar door maximaal ƒ50,- in de kosten van geneeskundige hulp voor rekening van de gemeente bij te dragen. In november krijgt zij van Gedeputeerde Staten van de provincie ook een gratificatie van ƒ50,-. Een uitzonderlijk hoog bedrag!

De Vlammenwolf te Beek en Donk
Met deze titel kopt het regionale blad De Zuid Willemsvaart op 27 mei. In bloemrijke taal wordt verslag gedaan van de brand bij Van Thiels Draad-Industrie in de nacht van zaterdag 25 op zondag 26 mei 1929. Deze breekt uit in de machinefabriek en slaat over naar andere afdelingen zoals de timmerwinkel, de modelzolder, de hout- en olieopslagplaats en galvaniseerderij. De fabrieks-brandweer kan weinig doen, omdat de koppelingen van het blusmaterieel uitgerekend in de machinefabriek opgeslagen zijn. Zowel de Donkse als de Beeks brandweer is aanwezig  en zij doen wat ze kunnen. Maar de spuitgasten met hun handpompen en twee waterstralen zijn niet opgewassen tegen dit geweld en technisch directeur Herman van Thiel belt daarom de Helmondse burgemeester met het verzoek tot ondersteuning door de Helmondse brandweer. Deze is binnen een kwartier met twee bluswagens aanwezig, aldus de verslaggever. Het moet een verschrikkelijke brand zijn geweest met ontploffende chemicaliënbussen en vlammen die veertig meter de lucht inschieten. Vol lof is de verslaggever over de Helmondse brandweer, die de samenwerking met de primitieve dorpsbrandweermiddelen zo goed begreep, maar hij wil de Beek en Donkse branweerlui niet tekort doen, want zij hebben hard gezwoegd. Om vijf uur ’s morgens is men de brand meester en kan de schade worden opgemaakt. Er zijn verschillende afdelingen met in totaal dertig machines in de as gelegd en vernietigd. De schade wordt geraamd op 4 à ƒ500.000,-

Deze brand heeft nog een financieel staartje. De gemeente Helmond stuurt voor haar assistentie in de bestrijding van de brand een gepeperde rekening van ƒ575,60 naar de gemeente. De gemeenteraad is niet van zins deze te betalen en het duurt nog tot december van dat jaar, waarbij zelfs Gedeputeerde Staten eraan te pas moeten komen, voordat een einde komt aan het gehakketak. De raad blijft bij haar standpunt: de burgemeester als bevelhebber heeft geen assistentie gevraagd en dus moet Van Thiel voor de kosten opdraaien, ook mede gezien het feit dat directeur Herman tegen de Helmondse burgemeester in hetzelfde telefoongesprek waarin hij om assistentie vroeg, heeft gezegd de kosten te zullen dragen als de gemeente Beek en Donk bezwaar zou maken.

Enkele namen
Het is onbegonnen werk om alle namen van de spuitgasten van de voorbije tweehonderd jaar te vermelden, daarvoor zijn er teveel geweest.  Ik vermeld alleen de (opper)brandmeesters tot het jaar 1929 voor zover die te achterhalen zijn uit de stukken.
In Beek zijn dat

in het jaar 1818 J.P. v.d. Putten, J. v.d. Putten, P. v.d. Putten en A.P. van Will;
in 1837 zijn bierbrouwer A.P.v. Will, bakker Arnoldus van Leuken, landbouwer Johannes v
Hout en kuiper Dirk v.d. Boogaard, opperbrandmeester;

in 1868 is A.v.d. Boogaard opperbrandmeester, in 1882 is dat Geert van Leuken en in 1891 wordt Egidius van Will opgevolgd door P.F. Peters;

in 1899 wordt Alphons Swinkels de opvolger van opperbrandmeester  A. van Hoof en is dit tot het jaar 1929.

Op Donk is tot 1886 H. Royackers opperbrandmeester, opgevolgd door H.H. Verhagen die dit blijft tot 1902. Timmerman Martinus Linssen is opperbrandmeester en tot 1917 smid Franciscus Ant. van Griensven, die in dat jaar opgevolgd wordt door Hubertus Heesakkers. In 1918 is het Hendricus Maas en in 1919 tot 1924 Mart. Joh. Lammers, hotel- en caféhouder. Vanaf 1924 is het de timmerman Albert v.d. Laar.

Bronnen
Historisch Informatie Centrum, Helmond,Gemeentearchief Beek en Donk 1811-1930:Inventarisnummers 500 t.m. 507 Brandweer c.q. -bestrijding
Registers van notulen van de vergaderingen van B&W 8 t.m.12
Registers van notulen van de raad 1 t.m. 7
Oud archief Beek en Donk 1300-1811 4/2, 4/6
Artikel Zuid Willemsvaart, 27 mei 1929

 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten