Zoals tegenwoordig ons dorp verdeeld is in wijken, zo heet de onderverdeling in vroeger jaren rotten. In die tijd is er sprake van verplichtingen van een aantal bewoners voor dat deel van het dorp. Schout en schepenen, de tegenwoordige gemeenteraad, wijzen aan het hoofd van zo’n rot een rotmeester aan die verplicht is deze taak op zich te nemen. Hij wordt geassisteerd door twee of drie rotgezellen. Tot de belangrijkste taken behoren assistentie bij het blussen van brand, het repareren van wegen en dijken en het schoonhouden van sloten en rivieren en tot slot het bewaken en verdedigen.
In de tweede helft van de 19e eeuw zie je een taakverschuiving optreden naar voornamelijk het schoonhouden van rivier de Aa, de sloten en dijken. Assistentie van de Donkse of Beekse brandweer is dan niet meer zozeer een taak van de rotgezellen, maar is dit meer een verplichting geworden voor alle inwoners van het dorp. De bewaking van het dorp is al eerder in handen gekomen van de marechaussee uit Helmond en later die van Gemert. Natuurlijk is de veiligheid van het gehele dorp ook een taak van de plaatselijke veldwachter. B&W draagt, nadat Mathias van de Kerkhof is overleden, Cornelis Vogels bij de Gouverneur voor, een zevenendertig jarige wever, getrouwd en drie kinderen, gepasporteerd soldaat, die kan lezen en schrijven. Hij wordt benoemd op 21 november 1843 en blijft hier veldwachter tot april 1875.
In de notulen van twee vergaderingen van burgemeester en wethouders kunnen we enkele interessante gegevens over de rotten lezen. We hebben dan in Beek en Donk negen rotten, waarin onderhoud moet worden gepleegd. In onderstaande tabel van 1843 zijn de rotnummers aangegeven met daarbij de rotmeesters die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. In de vierde kolom heb ik het gebied waarom het gaat, globaal aangegeven.
Vergadering 11 september 1843
|
rot |
rotmeester |
onderhoud |
huidig gebied |
|
1 |
Leendert Leenders |
huis nr. 4, bewoond door Severinus van der Putten tot en met nr. 39 het Boonhool |
Beekse en Donkse Broekkant |
|
2 |
Martinus van den Biggelaar |
huizen nr. 40, bewoond door Jan van der Aa tot en met nr. 62, bewoond door Hendricus Martinus Maas |
Trentstraat en Lekerstraat |
|
3 |
Francis Rooijakkers |
huis nr. 63, bewoond door Peter van de Kerkhof tot aan de Zuid‑Willemsvaart |
Mgr.Verhagenstraat, Tuinstraat, Bemmerstraat, Wellestraat |
|
4 |
Peter Rooijakkers |
huis nr. 92, bewoond door Antonie van den Berg tot aan het Heereinds bruggetje |
vanaf de Zuid‑Willemsvaart tot aan het bruggetje in de Kapelstraat |
|
5 |
Nicolaas van den Oever |
huizen nr. 117, bewoond door Johannes Vlemmings tot en met 132, bewoond door Martinus Slegers én de huizen op Heereind nummers 154 t.m. 158 |
overkant van het bruggetje in de Kapelstraat, Veldweg, Karstraat en een gedeelte van de Heereindsestraat |
|
6 |
Hendrik van der Aa |
huizen nr. 133, bewoond door de kinderen van Johannes Verbakel tot en met 153, bewoond door Johannes Verstappen |
gebied tussen de Grensweg en Donkersvoortsestraat |
|
7 |
Peter van den Bergh |
huizen vanaf het voorst bruggetje tot en met huis 186, bewoond door Hendricus Peters |
Pater Becanusstraat tot het Heuvelplein |
|
8 |
Willem van den Akker |
huizen nr. 188, bewoond door de weduwe van Johannes van de Rijdt tot en met 224, bewoond door Peter de Swart |
Heuvelplein tot de Beekse brug |
|
9 |
Jan Smits |
huis 225, bewoond door Martinus Smits, voorts de gehele Bekerheide met de herberg de Zwaan en de brugwachters-woning aan de Zuid Willemsvaart |
hoek Pater Vogelsstraat, Beekerheide, Berkendijkje |
Uit de vergadering van B&W van 1853 heb ik onderstaande tabel gedestilleerd. Daarin staan de rotnummers, die corresponderen met dezelfde nummers als in de vorige tabel, met de op dat moment verantwoordelijke rotmeester en zijn onderhoudsplichten.
Vergadering 7 januari 1853
|
rot |
rotmeester |
onderhoud |
|
1 |
Leendert Leenders |
onderhoud van de rivier de Aa, boven en beneden de Beeksche Aabrug |
|
2 |
Piet van de Kemenade |
onderhoud aan de “Gemertschen Dijk vanaf den kamp van de weduwe van Adam van de Rijdt tot de peeleind” |
|
3 |
Joseph Rooijakkers |
onderhoud van het bovenvak van de Aa, te beginnen beneden de Donksche brug tot aan den Paal |
|
4 |
Martinus van de Biggelaar |
onderhoud van het langvondersdijkje |
|
5 |
Hendricus van der Aa |
onderhoud van de weg aan de Kaatsbaan, de loop in de wering en de nieuwe loop aan de heide |
|
6 |
Francis Rooijakkers |
onderhoud van het benedenvak van de Aa |
|
7 |
Peter van den Bergh |
onderhoud van de weg langs het gemeentes houtbosje over de Beeksche Aabrug en het voorste gedeelte van de Peeldijk tot aan de Broek Aa |
|
8 |
Willem van den Akker |
onderhoud van de Peeldijk over de Broek Aa tot aan de erven van de Heere van Riemsdijk |
|
9 |
Jan Smits |
onderhoud van de Broek Aa beneden de Vonder tot aan het Laardonksch bruggetje |
Nachtwacht
De derde taak van de rotmeesters en rotgezellen
is die van bewaking van het gebied en het optreden tegen vagebonden (landlopers)
en dieven. Vooral tijdens de wintermaanden wordt een zogeheten nachtwacht
ingesteld, omdat Brabant dan vaak geteisterd wordt door dievenbendes en
rondtrekkende groepjes (ex)militairen.
De veldwachter gaat dan slaand op de gemeentetrom door het dorp ten teken dat de wacht een aanvang moet nemen. Dat de trom veelvuldig wordt gebruikt, blijkt wel als in 1816 voor vier gulden twee nieuwe vellen gekocht worden om deze te bespannen. De nachtwachten worden door de gemeente volop gesteund, zoals blijkt uit de gemeenterekening van 1816. Adam v.d.Rijdt levert voor drie gulden, vier stuivers en zes penningen kaarsen en olie, het raadslid Johannes van Vegchel klot voor tweeëntwintig gulden en vijftien stuivers. In datzelfde jaar ontvangt J.Schoonens van de gemeente het bedrag van vijf gulden en twaalf stuivers, omdat hij aan rotgezellen kannen jenever heeft geleverd, toen zij de Aa aan het vegen zijn geweest.
In de notulen van de vergadering van schout en schepenen van 16 oktober 1786 valt te lezen dat er toen gevaarlijke tijdsomstandigheden zijn. Men is blootgesteld aan veelvuldige “diverijen”, zodat een nachtwacht wordt ingesteld. Deze patrouilleert van tien uur ‘s avonds tot drie uur ’s nachts. In ieder rot zijn twee wachten en omdat toen het dorp in elf rotten is ingedeeld, zijn er dus tweeëntwintig mannen op pad, in de leeftijd van zestien tot zestig jaar. Zij zijn voorzien van snaphaan[1] of ander schietgeweer met “Kruyt en Loot off wel een Gavel of Riek” als ze zelf geen geweer hebben. Ze mogen niet dronken zijn, mogen tijdens de wacht niet drinken, geen overlast of schade berokkenen en zij mogen niet uit baldadigheid gaan schieten zoals uitdrukkelijk wordt vermeld. Ze mogen zich na 10 uur ’s avonds niet ophouden in een herberg of in andere huizen om er te kaarten.
In Beek is een patrouille van acht mannen, twee keer vier: vier man patrouilleert op de Broekkant, het kasteel, door de Peperstraat tot het huis van Johannes van Vegchel, vandaar weer naar de Broekkant en Laardonk;
de andere vier man patrouilleert aan de Heuvel, de Beekerheide, vandaar aan het Groenewout [sic] en de huizen aan de molen.
Op Donk zijn veertien mannen in drie groepen:
vier man beveiligen het “Boonhol over de Donkse
brug nevens en omme de huizen in de Lekkerstraat[2]” tot de Everbest;
zes man hebben patrouille vanaf “huisinge bewoond door Hendricus Verhofstad[3] neffen alle huisinge op de Donk en Capel, van daar naar Bemmer en vervolgens langs de huisinge op Heerent en Karstraat”;
vier man lopen rond bij de huizen op de Malkendonk[4], de Weijstraat, Donkersvoort en heijkant.
Zij mogen suspecte (verdachte) huizen visiteren en dus binnengaan, mogen verdachte personen aanhouden en zonder enig molest in bewaring stellen. In Beek moet men zich elke dag melden bij Johannes van Vegchel en Jan van der Putten voor inspectie of zij bekwaam zijn, dus niet dronken, ziek en dergelijke en of zij voorzien zijn van een behoorlijk geweer. Op Donk bij Lourens Maas, de zes mannen bij Antony van der Aa en vier man bij Johannes Verbakel. De peene of boete bedraagt ƒ3,- waarvan een derde deel voor de drossard, een derde deel voor de aanbrenger en het andere deel voor het volk op die wacht.
Dit wordt gepubliceerd op zondag 22 oktober 1786 en is ondertekend door : J.v.Vegchel als president en de schepenen Jan van der Putten, Willem van den Bogard, Lourens Maas, Antony van der Aa, Johannes Verbakel, Johannes Kanters en secretaris E.A. Rovers.
Slaande trom en vliegende vaandels
Ter afsluiting een aardig stukje uit de
vergadering van schout en schepenen van 3 maart 1766. Op voorstel van drossard
Gisbertus de Jong wordt besloten dat vanwege de meerderjarigheid van Willem V en ter gelegenheid
van diens inhuldiging als erfstadhouder der Verenigde Nederlanden als blijk van
vreugde over die gebeurtenissen hier het volgende zal plaatsvinden.
“Alle klokken worden drie uur lang door bekwame manschappen behoorlijk geluid 's morgens van acht tot negen uur, 's middags van twaalf tot een uur en 's avonds van zeven tot acht uur.
Alle rotgezellen, gestoken in hun beste kleren met een oranje kokarde[5] op de hoed en met een snaphaan, zullen zich precies 's morgens om acht uur moeten begeven bij hun vaandel waartoe zij behoren; als het volk verwijderd is, zullen de kapiteins met hun officieren en tamboers met slaande trom en vliegende vaandels samen komen op de Heuvel. Als zij allen verzameld zijn, schieten zij gezamenlijk drie keer met hun geweer. Nadat dit is gebeurd zullen zij afmarcheren door alle straten binnen deze heerlijkheid. Daarna terugkomend op de Heuvel schieten zij weer drie keer, "sorge dragende dat geen ongelukken daar door werden gecauseerd."
“Dan planten zij hun vaandels op de Heuvel en onder het slaan der trommen zal er elk half uur worden gezwaaid. Aan de kapiteins, officieren en hun rotgezellen die tot 's avonds zes uur op de Heuvel moeten verblijven, zal ter verfrissing zoveel drank als nodig worden gegeven terwijl er steeds geroepen dient te worden: "Vivat de Prins van Orange", in alle ordentelijkheid zonder onenigheid of ruzie.”
Verder wordt besloten het raadhuis van zeven tot tien uur 's avonds te "illumineren" met de nodige kaarsen en tevens worden alle vermogende ingezetenen uitgenodigd hetzelfde te doen in hun huizen.
Is getekend door president Jan van den Bogard en de schepenen Jan Thomas Strijbosch, Leendert Frederix, Claas Jacob Verbakel, Francis van den Oever, Leendert Leenders en Johannes van Veggel.
Dit feestelijk gebeuren vindt plaats op zaterdag 8 maart 1766; het was die dag betrokken en donker weer en nog wat frisjes, zo’n zeven graden volgens het knmi. Dat er flink gehesen wordt, en niet alleen de vlaggen, blijkt uit de gemeenterekening van dat jaar. Herbergier Dilis van Wil krijgt voor bier, kruit, kaarsen en het luiden der klokken het bedrag van honderdeen gulden twee stuivers en twaalf penningen. Het “Vivat de Prins van Orange” zal in de loop van de dag wel eens veranderd kunnen zijn in “We vatten d’r nog een”.
Bronnen:
Oud
Administratief Archief Beek en Donk 1300-1811,
inv. nrs. 4/4 en 4/5
Oud
Administratief Archief Beek en Donk 1300-1811,
inv.nr. 12/71
Archief
Beek en Donk 1811-1930, inv. nr. 8 notulen B&W
Geen opmerkingen:
Een reactie posten