Tegenwoordig zijn politici zeer terughoudend als het gaat om zaken of personen die nog “onder de rechter zijn”. Dat was vroeger anders, getuige de brief die twee wethouders en vier raadsleden[1] uit Gemert schrijven aan de Gouverneur van de provincie.
Terwijl de veldwachter vastzit in Eindhoven, hoopt een deel van de Gemertse gemeenteraad dat Sebastiaan of Bastiaan Stevens -over hem gaat het hier- snel op zijn post kan terugkeren, want, schrijven de bestuurders, in zijn betrekking als veldwachter is hem steeds de algemene achting en tevredenheid te beurt gevallen en zijn gedrag is te allen tijde “deftig” geweest. Nou, daar zullen veel dorpsgenoten anders over gedacht hebben en gelukkig voor hen heeft de brief geen enkel effect gehad.
Knevelarij
Sebastiaan Stevens is geboren in Princenhage. Hij wordt in 1846 in Gemert veldwachter als opvolger van Johan Peter Weber. De Procureur-Generaal van de provincie informeert in 1855 de Gouverneur dat hij Sebastiaan ongeschikt acht. Stevens, dan 46 jaar oud, zou meer dan eens verdacht zijn van diefstal, weigert soms zijn dienst en is brutaal. Een jaar later pakt men hem op voor “knevelarij”[2]. In de rechtszaak die volgt komen kwalijke zaken aan het licht. De verdenking is dat hij bij zes personen geld geëist heeft, terwijl zij dat niet verschuldigd zijn.Negentien getuigen komen tijdens dit proces aan het woord. Zo bekeurt Stevens op een morgen in december 1855 Gerardus Rooijakkers, omdat deze met een brandende lantaarn waaraan een stukje glas ontbreekt, in de schuur bezig is. De moeder, weduwe van Peter Rooijakkers, komt het huis uit en vraagt de veldwachter: “Als ik U wat geef, is het dan goed?”, waarop Stevens antwoordt: ”Ik mag het niet doen, maar wacht, geef dan twee gulden en houd het stil.” Zoon Gerardus haalt het geld en koopt daarmee de boete af.
Dezelfde werkwijze houdt Stevens erop na bij de familie Van der Burgt. Adriaan, Johannes en Johanna zijn ’s morgens in alle vroegte in de schuur aan het dorsen. Ook bij hen is de lantaarn niet in orde; de veldwachter krijgt later in ruil voor het achterwege laten van een bekeuring een zak knollen.
Dienstmeid Aagje van der Wijst is de koeien aan het melken bij Peter van Dommelen. Het is nog donker en dus gebruikt zij een lantaarn. Ook hier duikt Stevens op en in plaats van een verbaal uitschrijven krijgt hij van de vrouw van Peter twee gulden.
![]() |
|
Artikel 23 uit het Brandreglement van Gemert 1807 |
Ook bij bouwman Jan Heeren wordt door de veldwachter dezelfde procedure gevolgd. Jan krijgt geen boete, maar komt ervan af door Stevens een daalder te geven. Ook in dit geval ontkent Stevens tijdens het proces alles.
Antonie van Berlo is samen met Peter van den Broek zogeheten tussen[3] op zijn kar aan het laden, die hij het jaar daarvoor heeft gepacht, maar nog niet binnengehaald wat volgens plaatselijk gebruik in hetzelfde jaar moet gebeuren. Stevens heeft als oplossing bedacht, dat hij geen boete van zes gulden uitschrijft, maar ’s avonds bij Antonie langs zal komen om hem tweeënhalve gulden afhandig te maken.
Tijdens het proces blijkt volgens ’n artikel uit het Wetboek van Strafrecht dat dit alles geen poging tot knevelarij is. Wel is sprake van omkoopgeld. Uiteindelijk is het verdict van de rechter dat Stevens voor vier jaar de bak in moet met een geldboete van ƒ100,- plus betaling van de proceskosten van ƒ163,34½. Ook verliest hij voor vijf jaar alle burgerrechten.
Maar …. de Hoge Raad steekt hier een stokje voor en vernietigt op 18 februari 1857 deze uitspraak en verwijst de zaak naar het Provinciaal Gerechtshof van Gelderland. In april van dat jaar heeft deze de zaak opnieuw bekeken en komt tot de conclusie dat Stevens daadwerkelijk schuldig is aan omkoping van vier personen en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van vier jaar, met daarbij vier geldboetes van ƒ100,-[4]plus tien jaar ontzetting uit de burgerschapsrechten. Dit laatste houdt onder andere in dat hij in die periode geen openbaar ambt mag waarnemen en geen wapens mag dragen.
Relidief
Na prima speurwerk door de marechaussee worden drie Gemertenaren aangehouden op verdenking van inbraak in de kerk in Lieshout. De naam van de inmiddels ex-veldwachter en nu werkloze Sebastiaan Stevens duikt op, die samen met zijn zoon Adriaan en wever Hendrikus van Berlo hiervan beschuldigd worden. In de rechtszaak die volgt, wordt door 24 getuigen een uitvoerig beeld geschetst hoe in de nacht van 26 op 27 december 1862 de heren te werk zijn gegaan en wat daarna is gebeurd. Koster Christiaan Brouwers ontdekt de volgende morgen de inbraak en pastoor Petrus van den Boer geeft tegenover de rechter een opsomming van alle gestolen en vernielde goederen uit kerk en sacristie, en dat is een hele waslijst. Hij komt zelfs met de niet ter zake doende opmerking dat een paar pantoffels door de inbrekers waren verplaatst.![]() |
|
Kerk
en pastorie in Lieshout waar de Gemertenaren hebben |
De insluipers zijn grondig te werk gegaan in het vergaren van de spullen. Zij komen aan de zijkant van de kerk via een glas-in-loodraam boven op de biechtstoel -zonder spijt te betuigen- binnen. ’n Offerblok wordt opengebroken, een Lieve-Vrouwenbeeld beroofd van gouden halssieraad en zilveren kroon, van een misboek worden de zilveren sloten gesloopt. In de sacristie nemen zij naast geld een kelk en zilveren schenkkannetjes mee. Ook een processiekruis van Berlijns zilver[5] behoort tot de buit, evenals diverse andere religieuze voorwerpen. Al met al wordt de waarde van alle ontvreemde spullen door de pastoor geschat op ƒ500,-.
Sebastiaan is enkele dagen na de inbraak naar Veghel gegaan om bij een aantal mensen gouden en zilveren spullen aan te bieden. Hier is hij door de marechaussee aangehouden, terwijl zoon Adriaan even verderop in een herberg op hem wacht. Hierna wordt huiszoeking verricht en worden nog meer gestolen spullen gevonden, alsook inbrekersspullen zoals beitels en zaagjes. Stevens bekent de diefstal samen met Van Berlo te hebben gepleegd, waarna ook bij Hendrikus gejatte spullen worden gevonden.
Een belangrijk voorwerp in de bewijslast is de vondst van een hoornen knoop, die zoals later blijkt, van een jas van een van de beschuldigden afkomstig is. Ook wordt voor de bewijsvoering de hulp ingeroepen van twee scheikundigen die kaarsvet op kleding van de beschuldigden onderzoeken. En toch krijgt men het bewijs niet helemaal rond. Zoon Adriaan en Van Berlo blijven ontkennen betrokken te zijn bij deze inbraak. Het eindoordeel van de rechter is dat de schuld van Hendrikus van Berlo niet kan worden bewezen, van de andere twee wel. Sebastiaan wordt tot een tuchthuisstraf van tien jaar veroordeeld en zoon Adriaan voor de tijd van vijf jaar. Ook de proceskosten moeten door hen worden betaald. Sebastiaan zit niet lang in de gevangenis, want het gemeentebestuur krijgt vanuit het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden bericht, dat hij op 21 maart 1865 gestorven is.
Bronnen
BHIC Toegangsnummer 17, inventarisnummer 1342 brief van de wethouders en raadsleden
BHIC Toegangsnummer 22, Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch 1838-1930, StrafvonnissenArchief gemeente Gemert-Bakel, AG003-1688 Persoonsdossier Sebastiaan StevensDelpher, krantenberichten over beide rechtszaken
[1] De brief is opgesteld op 19 augustus 1856 en ondertekend door de wethouders Rooijackers en Slits en de raadsleden Van den Elsen, Van den Eijnden, Goossens en Van der Putten.
[2] Juridisch betekent knevelarij sjoemelen met geld door een ambtenaar; het als verschuldigd aan hemzelf of een andere ambtenaar vorderen, ontvangen of bij een uitbetaling inhouden van een bedrag waarvan hij weet dat het niet verschuldigd is. Info www.juridischwoordenboek.nl
[3] Tus is turfzode uit de bovenste laag, met buntgraswortels. (Ironisch, woordspeling op ‘ondertussen’, als iemand herhaaldelijk dat woord gebruikt:) Ónder tusse stíkte klot (:turf van betere kwaliteit), aldus het Gemerts Woordenboek van Wim Vos.
[4] ƒ400,- komt nu overeen met een bedrag van ruim €4000,- Info https://iisg.amsterdam/nl; Waarde van de gulden.
[5] Berlijns zilver is een zilverkleurige metaallegering van koper, zink en nikkel.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten