Verhalen over vroeger zijn mooi. Hoe is het toen geweest, hoe leven de mensen, wat doen ze en hoe ziet het dorp eruit? Fraaie artikelen over deze onderwerpen verschijnen in D’n Tesnuzzik. Kun je ook inzicht krijgen in het vroegere Beek en Donk aan de hand van cijfers? Dit artikel is een poging daartoe, waarbij meteen opgemerkt wordt dat cijfers alleen niet voldoende zijn, omdat het onderwerp zich niet leent voor louter ongevoelige getalletjes.
“Gedenk te sterven” is de vertaling van bovengenoemde Latijnse titel. Deze spreuk werd vaak gebruikt als inscriptie op Romeinse drinkbekers. Het moest de mensen eraan herinneren dat het leven eindig was. Dit geldt voor ons vandaag de dag nog steeds. Het artikel gaat over de dood. Niet als filosofisch verhaal of welke rituelen er rondom de dood hier plaatsvonden, maar over het sterven in Beek en Donk in vroeger jaren. Aan de hand van enkele cijfers wordt een schets gegeven van sterfgevallen en gebeurtenissen in bepaalde jaren. Daarnaast ook enkele meer of minder in het oog springende gebeurtenissen.
Cijfers
Het eerste
overzichtje laat enkele jaartallen zien met daarbij het aantal inwoners in ons
dorp per 31 december van dat jaar en het aantal sterfgevallen gedurende dat
jaar. In de grafiek eronder geven de kolommen het aantal overledenen aan. Een
snelle conclusie zou kunnen zijn dat de mens in vroeger jaren gezonder zou
leven dan nu, omdat er toen veel minder sterfgevallen waren, maar dat is
natuurlijk niet het geval. Met de toename van het aantal inwoners neemt het
aantal sterfgevallen ook toe. Toch is dit nog niet het hele verhaal. Wil je een
goede vergelijking kunnen maken tussen vroeger en nu, moet je het aantal
sterfgevallen omzetten naar 1000 inwoners. Dan zie je de dalende dikke lijn in
de grafiek.
Ook nu moet je weer oppassen niet te snel conclusies te trekken. Het zijn slechts enkele cijfers en het beeld kan worden vertroebeld, in dit geval door het jaar 1900 dat een piek te zien geeft. Om een goed beeld te krijgen moet je alle cijfers nemen om een globaal beeld te krijgen en dan krijg je de volgende grafiek.
Pieken
In de voorgaande
grafiek zie je ook verschillende pieken waar de sterfte hoger is dan in andere
jaren. Zo heersen in 1826 de pokken in Nederland. Er vallen veel slachtoffers
en dat geldt ook hier bij ons in het dorp. Er sterven bovengemiddeld meer
mensen dan normaal, 45 personen in 1826 tegenover gemiddeld 28 in die jaren.
Ook 1870 kan beschouwd worden als een jaar dat er uit
springt. In dat jaar, schrijft secretaris Swinkels in het jaarverslag van de
gemeente, “hebben mazelen en roodvonk geheerst onder kinderen, waardoor er
slechts weinigen overleden zijn." Deze cryptische zin vraagt om nadere
uitleg. De verklaringen van overlijden van de dokters die in het archief
aanwezig zijn, geven een doorkijkje in de ziektes die heersen en waaraan de
mensen zijn gestorven. In dat jaar sterven volgens de officiële cijfers 51
personen, waarvan dertien alleen al in juni: drie jonge kinderen aan mazelen en
vijf aan angina. Aan rondvonk overlijdt niemand. Gezien de tijdsomstandigheden
besluit B&W dat de kermis in dat jaar niet door kan gaan. Verder zijn er in
dat jaar ook nog drie sterfgevallen met buiktyfus als oorzaak. Bij de familie
van Franciscus Klomp is dat jaar grote treurnis. Eerst overlijdt op 10 juni het
tien maanden oud zoontje Martinus aan mazelen en op 18 december sterft de een
maand oude dochter Maria aan stuipen.
In 1893 zijn er zes gevallen van tyfus in ons dorp, waarvan twee met dodelijke afloop; door ontsmetting der woningen, bedden en kleren en het afgezonderd houden van diegenen die met de lijders in aanraking kwamen is die ziekte zo veel mogelijk tegen gegaan. Tyfus wordt dikwijls veroorzaakt door verontreinigd water. Verder sterven dertien kinderen aan stuipen en op 18 mei verdrinkt Marianus Swinkels op vijfjarige leeftijd.
Het jaar 1911 mag niet onvermeld blijven. Men is in die dagen gewend aan een hoge sterfte, maar dit jaar is extreem. Vooral onder de kinderen slaat het noodlot toe: van de 78 verklaringen van overlijden zijn er 43 van baby’s jonger dan twee jaar. Dat heeft voor een groot deel te maken met het zeer hete weer in de periode eind juli tot half augustus en begin september. Op 28 juli loopt de maximumtemperatuur in De Bilt op tot boven de 35°C en tel voor onze streek daar gerust nog ‘n paar graden bij. Jonge kinderen worden hiervan dikwijls de dupe, velen sterven, ook hier in onze regio. In de maanden augustus en september sterven liefst 19 kinderen beneden het jaar aan uitdrogingsverschijnselen in ons dorp! De officiële doodsoorzaak is gastro enteritis volgens dokter Timmers, ofwel een acute ontsteking aan het maagdarmkanaal. Er moet een diepe droefheid hebben geheerst bij veel gezinnen.
In onderstaande grafiek wordt een overzicht gegeven van het totaal aantal sterfgevallen in de jaren 1908 tot en met 1914 van Beek en Donk, Aarle-Rixtel en Lieshout. Deze gegevens zijn afkomstig van de Historische Databank Nederlandse Gemeenten. Voor Beek en Donk wijkt in 1911 het cijfer (72) af van het aantal verklaringen van overlijden van dokter Timmers (78). In de drie plaatsen is duidelijk sprake van een sterftepiek in het jaar 1911.
Hoewel Nederland niet daadwerkelijk aan de oorlog meedoet, wordt ook ons land door deze ziekte geteisterd en natuurlijk rijst de vraag of deze ook in Beek en Donk heeft huisgehouden. We zien ter plaatse dat vooral onder mannen de sterfte in 1918 significant hoger is dan normaal (32,8 tegenover 23 in 1917 en 15,5 in 1919, berekend per 1000 mannelijke inwoners), terwijl dit bij vrouwen niet het geval is, zie de grafiek.
Tragische momenten
Hiervoor kwamen
enkele abstracte en algemene zaken aan de orde, om een idee te geven. Ter
afsluiting volgen enkele individuele gevallen en gaan we terug naar de
menselijke maat. De dood kan op een onverwacht moment komen, soms dicht bij
huis soms veraf. De dood als uiterste consequentie van de geboorte. Zomaar een
greep in de tijd.
Moord
Reinier Verspagen,
alias Rut Speck, 30 jaar oud, geboren in Helmond en woonachtig in Beek en Donk,
is op 21 november 1739 ’s morgens tussen 10 en 11 uur naar Antony Goort
Rijckers gegaan, die aan de Heuvel (Heuvelplein) woont. Hij wil verhaal halen
over zijn gevangen broer. Er ontstaat een gevecht, hij trekt een mes en steekt
Antony in de rug waaraan hij overlijdt.
Op 5 september 1740 wordt de moord behandeld in het bijzijn van drossaard Gerardus de Jong en de schepenen Wouter Caessen, Jan Peeters, Hendrik Strijbos, Peter Willem Martens, Peter Verhallen en Tomas Strijbos. Alleen schepen Rogier van Deursen is er niet bij. Reinier wordt veroordeeld en als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen wordt hij opgehangen, “met de coorde geëxecuteerd”. Dat gebeurt op 13 september 1740.
In de borgemeestersrekening van het jaar 1740 staat een bedrag van 36 gulden en 18 stuivers voor vertering in eten en drinken. Een echt galgemaal, niet voor de ter dood veroordeelde maar voor de dorpsnotabelen: de drost, schepenen en andere regenten! Het kan best zijn dat dit smulfestijn zich afspeelde in herberg de Swaen waar Laurens van Duijn in die tijd hospes was. Ter vergelijking: het dagloon van meester timmerman Hendrick Willem van Dinter is in dat jaar 12 stuivers en een paard kost in die tijd 36 gulden, zodat je kunt zeggen dat er aardig gefeest is.
Cholera
In 1866 schrijft
B&W aan de inspecteur van gezondheid dat hier geen cholera heerst, maar dat
wel twee gevallen van cholerine, een milde vorm van cholera, zijn
geconstateerd. Zij treft hiervoor de volgende voorzieningen:
1. B&W inspecteert alle armenwoningen of zij verneemt van anderen of deze behoorlijk gereinigd, de legersteden behoorlijk zuiver en van vers stro zijn voorzien, of het beddengoed zindelijk en zuiver is; zo niet dan wordt dit op kosten van de gemeente gedaan
2. de 2 spijkerfabrikanten -naast Piet van Thiel heeft ook Petrus van der Putten een spijkerfabriek- worden opmerkzaam gemaakt dat het werkvolk steeds van vers drinkwater wordt voorzien, omdat volgens de geneesheer een geval van cholerine is te wijten aan "kwaad water"
3. een lokaal is beschikbaar; daarin komen kribben, bij iedere krib is een bed met peuluw [peuluw= peluw= langwerpig onderkussen, hoofdmatras], twee hoofdkussens, twee wollen lakens, twee linnen lakens en zes bierkruiken met stoppen om te verwarmen. Vermoedelijk wordt met het lokaal het huisje aan de Brandstraat bedoeld, bestemd voor ziekenverpleging
4. om bezoedeld linnen en beddengoed op te bergen worden vier lege petroleumvaten met deksel aangeschaft. De geneesheer zorgt in het lokaal voor desinfecteermiddelen. Medicamenten zullen aanwezig zijn. De afzonderlijke raadsleden onderzoeken van tijd tot tijd de armenwoningen in hun eigen buurt. Niet bekend is waar dit lokaal zich bevond.
Een gruwelijk ongeluk
Theodorus v.d.Elsen is in 1892 te Gouda geboren. Hij is de
zoon van Petrus van den Elsen en Maria van der Putten. Hij is 16
jaren jong als hij op zaterdag 16 mei 1908 ’s morgens vroeg om kwart over
zes een verschrikkelijk ongeluk krijgt in de fabriek Java in Beek, onderdeel
van de firma van Piet van Thiel & Zn. Een maand eerder heeft
hij daar ook al een ongeluk gehad. Het letterlijk verslag van burgemeester
Verhaak aan de inspecteur van de arbeid te Venlo luidt:
“De verongelukte is meermalen gewaarschuwd dat hij te onvoorzichting was en men meent (daar ’t een feit is dat hij een gebroken riem aan ‘t repareeren was) dat hij hiermede bezig zijnde den voet op een 2e vrij zijnde riem zette. Deze riem zal op de een of andere wijze om zijn voet geraakt zijn en hem meegetrokken hebben, waardoor hij mede in deze gebroken riem vastraakte. De nabij hem werkende Carolus van den Burgt verklaart, dat hij eensklaps den verongelukte mede omhoog zag gaan en zag toen ook den tweeden riem.
Van den Burgt gaf direct sein aan de machinekamer en de machine stopte onmiddellijk. Toen was achter [sic] alles geschied. De beenen en ’t lichaam zaten om de as gedraaid, een arm was op den zolder gevlogen en ’t hoofd in stukken van ’t lichaam gerukt.”
Het moet een vreselijk gezicht zijn geweest. Op 22 mei wordt in het kasboek van de firma Van Thiel het bedrag geboekt van ƒ10.- voor twee heilige missen in Donk en in Beek ter nagedachtenis. Verder gaat de piëteit van de firmanten met de familie niet.
Vermist
Als laatste een
kleurrijk figuur in het dorp. Veel dorpsgenoten herinneren zich ongetwijfeld
nog Willem van den Elzen. Hij fietste op 30 oktober 1988 van Someren waar hij
op bezoek is geweest bij familie van zijn broer Jan, naar huis. Hij is niet
thuis aangekomen en er is daarna ook nooit meer van hem gehoord. Wat kan er
zijn gebeurd, een ongeluk, een misdrijf? Niemand die het weet. De familie staat
voor een raadsel en het duurt meer dan vijf jaar voordat dit boek wettelijk
gesloten mag worden en de weinige bezittingen verdeeld.
Voor hem geldt een toepasselijke laatste zin van dit artikel: het leven was wonderbaarlijk, de dood wonderlijk en een baar kwam er niet aan te pas.
Bronnen:
Centraal Bureau voor de Statistiek, StatLine
KNMI, antieke
waarnemingen
ORA, Beek en Donk,
criminele rol 36
OAA
Borgemeestersrekeningen 12-45
Gemeentelijk archief Beek en Donk 1811-1930, Inventarisnummer
28 en 39
Rijksarchief Den Bosch,
Archief 188, plaatsingsnummer 54
Centrale klapper BS 1811-1975
gemeente B&D geb. geh. overleden pagina 965“Nederland in
verandering”, Erik Beekink e.a. met cd-rom Historische Databank Nederlandse
Gemeenten
“In veel huizen wordt gerouwd; De Spaanse Griep in
Nederland”, Reinold Vugs
Geen opmerkingen:
Een reactie posten