Geschiedenis

vrijdag 5 november 2021

Volkert & Co

Toen in Haarlem een grote rechtszaak begon in 1838, kon men nog niet vermoeden dat dit consequenties voor de Gemertse textielindustrie zou hebben. Kranten stonden vol van een geschil tussen de Nederlandsche Handel‑Maatschappij en een drietal Belgische fabrikanten, dat in de rechtbank van Koophandel werd uitgevochten.

In het jaar 1824 werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) opgericht door koning-koopman Willem I. Hij was zelf grootaandeelhouder en bemoeide zich tot zijn aftreden in 1840 actief met de gang van zaken van het bedrijf. Het doel van deze NHM was het uit het dal halen van de Nederlandse economie na de jaren van Franse overheersing. Centraal hierbij stond het herstel van de handel van Nederland met haar koloniën in Indië. Anders dan voorheen voor de VOC, die zich hoofdzakelijk beperkte tot aanvoer van Indische producten naar Nederland, was voor de NHM een wederzijdse handelsbeweging het uitgangspunt. Het industriebeleid was bijna helemaal gericht geweest op het zuidelijke bedrijven die met leningen en subsidies werden ondersteund, terwijl textielbedrijven de voorkeur hadden met bestellingen door de NHM. De afscheiding van België met de noordelijke provincies in 1830 zorgde ervoor, dat het aandeel van Nederlands textiel op de koloniale markt dramatisch slonk ten opzichte van de Engelse concurrentie. Dit wilde men een halt toeroepen door het aantrekken van Belgische textielfabrikanten uit de streek van Gent. Deze Belgen vestigden zich in Haarlem en Leiden en brachten niet alleen betere technieken met zich mee, zelfs hele fabrieken werden overgeplaatst vanuit het zuiden. In Twente verbeterde men de textielindustrie -lees de katoenindustrie- door het aantrekken van Engelse knowhow.

 

Naam NHM boven de ingang van het
huidig stadsarchief in Amsterdam

Op 18 april 1838 was de rechtszaak in Haarlem, aangespannen door de NHM tegen de fabrikanten Poelman, fils en Tervaeke allen uit België en gezeteld in Haarlem. Advocaat Van Hall wilde namens de NHM af van het contract met hen, want hij beschuldigde de fabrikanten van duistere praktijken. Zo waren er de nodige onderlinge verwisselingen bij en nieuwe betrekkingen tussen hen. De advocaat plaatste vraagtekens waarom een groot deel van het lokaal van Poelman verhuurd werd aan Couvreur uit Maldegem, die handelde in vreemde en inlandse goederen. Het gerucht ging dan ook dat Poelman weer naar België was vertrokken. En in november 1837 werden de zaken gedreven door de firma Couvreur Hartog Zoon. Prévinaire, een Belgisch fabrikant, en Jacobson, koffiemakelaar uit Rotterdam, waren bij laatstgenoemde firma commanditaire vennoten -stille vennoten met financiële inbreng- die bovendien afzonderlijk grote leveranties van lijnwaden voor de Oost (het huidige Indonesië) verzorgden, die eigenlijk van binnenlandse oorsprong moesten zijn. Het was bekend dat tussen de fabrikanten en België nauwe betrekkingen waren blijven bestaan en Couvreur had in de zomer van 1837 in Engeland nog aanzienlijke hoeveelheden katoenen lijnwaden ingekocht. De NHM verdacht de drie firma’s te weten die van Poelman, Fils en Fervaeke en die van Couvreur en Hartog Zoon én Prévinaire en Jacobson, dat in een en hetzelfde lokaal handel gedreven werd in katoenen lijnwaden, terwijl deze uitsluitend bestemd was voor de fabricage van inlandse goederen. De NHM dacht bedrog op het spoor te zijn, want publiekelijk werd beweerd dat veel Belgische fabrikanten Belgische en Engelse goederen leverden die voor inlandse doorgingen. In Nederland kon men (nog) niet de fijne stoffen vervaardigen en Couvreur leverde, na een reis in 1837 naar Engeland, fijnere soorten textiel aan de NHM. Eind 1837 ontdekte de NHM in de pakhuizen van Couvreur textiel van de fijnere soorten die nog niet voorzien waren van certificaten van oorsprong. Aldus de advocaat, die wilde dat het contract met de Belgische fabrikanten werd beëindigd, omdat deze door hen zou zijn geschonden.

Lipman, advocaat der gedaagden, bracht in zijn pleidooi naar voren, dat het aanvallen waren tegen vreemdelingen. De NHM probeerde spitsvondige redeneringen op te hangen en kwam niet met bewijzen. De katoenspinnerij werd van Gent (België) verplaatst naar Haarlem, evenals een katoenweverij voor het bedrag van ƒ750.000,-.

Er heerste afgunst bij de Overijsselse industriëlen, omdat voor de Haarlemse producten een betere prijs werd betaald door de NHM en zij bleven klagen over de gesponnen garens die nodig waren voor het weven; maar er was steeds voldaan aan de eis dat de gesponnen garens in Nederland vervaardigd en van voldoende kwaliteit moesten zijn. De NHM had zelf goederen in Engeland gekocht via Wilson en Prévinaire, en in dezelfde pakhuizen opgeslagen als de goederen uit Haarlem. Lipman bracht ook naar voren dat de NHM Prévinaire beschuldigde in 1836 eigen goederen van vreemde oorsprong te hebben geleverd, waarop de NHM later moest terugkomen. Opnieuw ontstond wrevel tegenover de Belgische fabrikanten toen de Minister van Koloniën, Johan van den Bosch, in 1837 rechtstreeks zakendeed met Prévinaire en Jacobson ter waarde van twee miljoen gulden. Beide commissionairs zouden de verdeling der orders aan de onderscheidene fabrikanten regelen en de NHM werd dan belast met de ontvangst en verzending der goederen. Het monopolie van de NHM werd zodoende bedreigd. Doordat de NHM beweerde dat niet meer goederen vervaardigd konden worden, zoals wenselijk en mogelijk geacht door de Minister, veronderstelde de NHM dat dit alleen kon door bedrieglijke invoer. ’n Bewijs van bedrog van de “certificaten van oorsprong’’ werd niet geleverd. Lipman weerlegde in zijn pleidooi de aanvallen van de NHM. 

Op 22 augustus 1838 volgde het einde van de rechtszaak: procureur Willekes MacDonald van de NHM verzocht de rechtbank deze rechtszaak te beëindigen aangezien beide partijen tot onderling genoegen een schikking waren overeengekomen, aldus De Avondbode van 25 augustus 1838. Opvallend is nog dat in dezelfde krant vermeld werd dat de heer Ed. Jacobson uit Rotterdam eigenaar was geworden van de fabriek van de heren Poelman Fils en Fervaecke. Het wantrouwen tegenover de Belgen blijft, zal blijken. 

Gemert

Wat heeft het voorgaande met Gemert te maken? Sinds ’n aantal jaren hadden Prévinaire en Couvreur Hartog & Co handelszaken opgericht in Brabant ter ondersteuning van de fabricage van katoenen stoffen. Zij wilden de productie daarvan uitbreiden. De NHM wilde op de hoogte worden gebracht welke soorten katoen werden vervaardigd, maar ook wilde zij deze firma’s controleren. Daarom reisde een zekere R. Campbell namens de NHM in november 1837 naar Brabant en schreef daarvan een verslag, onder andere over Gemert. Hieruit kan de volgende interessante informatie gehaald worden: “In een gedeelte van het kasteel woont de burgemeester, terwijl in het andere deel het kantoor van heren Couvreur Hartog & Co. gevestigd is. In de lokalen van die vleugel zijn 17 weefgetouwen geplaatst voor zogenoemde rode 5/4 doeken en slingdans 6/4 en dienen voornamelijk voor het oefenen van die wevers die zich ter verkrijging van werk aanmelden en nog niet bekend zijn met de fabricage daarvan. Zij leren het vak van Tenbrink uit Elberfeld. Deze 17 weefstoelen zijn alle met wevers bezet. Ook zijn er vijf scheermolens in dit gebouw werkzaam. Behalve deze huiswevers werken voor het etablissement van Gemert tussen 100 tot 150 buitenwevers die allen in de gemeente of in de omtrek wonen. Aan werk heeft het aldaar vanaf de oprichting niet ontbroken, geen wever wordt ooit zonder werk afgewezen en een opdracht is ontvangen voor 12.000 stuks slingdans die binnen zes maanden geleverd moeten worden. Wat geen probleem is, want de geoefende wevers maken meestal slingdans en onder hen zijn er die drie stuks 6/4 breed en drie ellen lang per dag kunnen weven. Het loon daarvoor is 35 centen per stuk, zodat zij per dag 21 stuivers of ruim ƒ7,- per week kunnen verdienen.”

“Geen wonder dus dat de wevers zich liever in massa aan het weefkantoor melden dan bij de oude Helmondsche fabrikanten, zoals vroeger, werk vragen. Van deze Heren waren het de Heeren Princen van Helmond die in Gemert vroeger het meest hunne bonten lieten vervaardigen, doch thans door het verlies van al hunne wevers daarmede hebben moeten ophouden. Voor de roode doeken 5/4 werd 15 centen loon betaald. Buiten deze beide artikelen, werd er noch in het etablissement te Gemert noch voor rekening van hetzelve door de buitenwevers, een eenig ander soort van fabrikaat vervaardigd. In het magazijn van het weefkantoor vindt men zes kettingen voor gewone calicots, doch tot heden heeft men aan de fabricatie van dit lijnwaad noch van fijndere soort cambrics gedacht.”

Na het Haarlemproces werd Couvreur Hartog & Co in Gemert overgenomen door Jacques Jean Volkert onder de firmanaam Volkert & Co. De zaken gingen niet zoals zou moeten en Volkert verzocht de NHM al in december van 1838 orders te plaatsen zodat 400 wevers aan het werk gehouden konden worden. Toen de NHM hem hierbij niet kon of wilde helpen zag hij zich genoodzaakt zijn werkzaamheden grotendeels stil te leggen. Jacques vroeg in een brief aan de gouverneur of deze zijn invloed bij het ministerie van Binnenlandse Zaken kon aanwenden dat de NHM alsnog de helpende hand wilde toesteken. Hierop schakelde de gouverneur Van Lanschot in, die agent voor Brabant bij de NHM was. Niet bekend is of Van Lanschot daadwerkelijk heeft kunnen of willen helpen met orders. Mocht dit het geval zijn zal het minimaal zijn geweest, omdat Van Lanschot niet veel ophad met de “vreemde” bedrijven, die ten koste van de bestaande inlandse bedrijven veel orders kregen van de NHM.

Fraude?

Dan kwam begin 1840 een alarmerende, geheime, brief binnen bij de gouverneur van de provincie afkomstig van de Nationale Nijverheid, departement van Buitenlandse Zaken, waarin vermeld werd, dat voortaan certificaten van Nederlandse oorsprong afgegeven moesten worden voor katoenen lijnwaden die hier geweven waren en ook alle bewerkingen hadden ondergaan.
 
“Ten einde misleiding en kwade praktijken tegen te gaan zal het nodig zijn om nu ook het oog te houden op de Wevers, ten effecte dat door hen geene vreemde Calicots als eigen fabrikaat worden afgeleverd.”Daarvoor moesten de gemeentebesturen -zonder dat zij van het doel op de hoogte werden gebracht- nauwkeurig opgeven hoeveel van de aanwezige weefgetouwen calicots maakten en na berekening van de gemiddelde opbrengst van ieder weefgetouw nagaan hoeveel stukken wekelijks ongeveer in de gemeente werd gefabriceerd.

Nu komt het, ondertekenaar van de brief, de heer Netscher, twijfelde sterk aan de betrouwbaarheid van de firma Volkert gezien het volgende letterlijke citaat uit deze brief:

“Bij de bovenbedoelde opnemingen zal in het bijzonder dienen te worden gelet op de omvang der werkzaamheden van de firma Volkert & Co. te Gemert door welke gedurende de laatste drie maanden van het jaar 1839 de aanzienlijke hoeveelheid van 1000 stukken slingdans, 1150 stukken sarongs, 700 stukken cotonetten, 3333 douzijnen hoofd en andere doeken als eigen fabrikaat en begeleid van certificaten van inlandsche oorsprong zijn afgeleverd, terwijl deze firma zoo door haare vestiging nabij de grenzen, als door derzelver combinatie met bekende Belgische fabrijkanten, het vermoeden heeft doen ontstaan dat door dezelve als eigen fabrikaat wordt afgeleverd hetgeen werkelijk aan de andere zijde der grenzen vervaardigd is.” Het lijkt er dus op dat Netscher Volkert van fraude of smokkel verdacht.

Hierop stuurde de gouverneur alle districtscommissarissen en de stedelijke besturen een brief met het verzoek te voldoen aan de vraag van Netscher. Wesselman was van mening dat in geen enkele gemeente calicots werden geweven, omdat hiervoor te weinig weefloon tegenover stond. Door de administrateur van de Nationale Nijverheid waren toch opgaven gedaan van materiaal vervaardigd door Volkert, zodat sprake was van tegenstrijdige berichten. De gouverneur gaf Wesselman daarop opdracht dit alsnog nader te onderzoeken. In een -geheime- brief van Wesselman aan de gouverneur schreef hij dat hij zich had vergist. Volkert vervaardigde weliswaar geen calicots, maar artikelen in vriesbont, broek- en rokkestreep en dergelijke. Toch werden ook deze goederen door de gouverneur onder calicots verstaan. Daarom was Wesselman gaan informeren bij de burgemeester en anderen wat Volkert en Co. produceerde.

Hij vervolgde: “In 1837 werd door Couvreur en Hertog [ZvdL: Wesselman vergist zich in de namen: dit moet zijn Couvreur en Hartog] een fabriek opgericht voor goederen naar Oost-Indië; het fabrikaat bestaat uit sarongs, slingdans, nikanias, hoofd- en andere doeken, cotonetten en andere artikelen. Deze werden geleverd aan de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Beweerd werd dat Couvreur en Hartog betrokken waren bij een geruchtmakende procedure met de NHM, samen met andere fabrikanten; zij kregen geen nieuwe orders. Enige maanden later veranderde in Gemert de firma Couvreur en Hartog in Volkert en Co. en het gerucht ging dat de fabrikaten niet meer door de NHM, maar rechtstreeks voor eigen rekening naar Oost-Indië verzonden werden en zo de markt overvoerden en bedierven.

Volkert kromp in en nu [ZvdL: januari 1840] hebben zij 180 weefstoelen in werking. Om in drie maanden tijds het aantal te vervaardigen die is opgegeven, zouden 330 à 340 weefstoelen nodig zijn; of het moet zijn dat zij voorraad hadden.” De opgave van de burgemeester over de laatste drie maanden van 1839 van de certificaten klopte met die van de Gouverneur, maar, schrijft Wesselman, de burgemeester was niet aanwezig toen de artikelen verpakt werden, dus kon men er geen staat op maken. Met andere woorden, ook Wesselman was niet overtuigd dat alles correct verlopen was bij en door Volkert.

Certificaten

Om fraude tegen te gaan werden certificaten van oorsprong gebruikt. Het gemeentebestuur moest deze controleren en ondertekenen wanneer goederen bestemd waren voor de export naar Java of Madura. In deze certificaten moesten zaken worden opgenomen als soort textiel, breedte, lengte en zwaarte. Ook moesten nummers en merken van balen of kisten worden vermeld, evenals het merk van de fabrikant. Deze waren een soort bewijs dat het product in Nederland was vervaardigd. Deze certificaten bleven moeilijkheden opleveren, hoewel alles via circulaires was geregeld. In mei 1840 meldde Netscher dat certificaten van oorsprong waren opgestuurd op naam van Volkert, waarin het gewicht van de te verzenden katoenen stoffen niet was opgenomen, wat volgens ’n circulaire verplicht was. Daarom waren geen visa verstrekt. Deze verplichting zou bij het gemeentebestuur van Gemert niet bekend zijn geweest. Ook het jaar daarop was het nodige te doen over deze certificaten. Er was een klacht door Prévinaire uit Haarlem ingediend bij de minister van Binnenlandse Zaken, dat geen certificaten waren afgetekend door de gemeentebesturen van Helmond en Gemert. Wesselman antwoordde de gouverneur die uitsluitsel hierover wilde hebben, dat de agent van Prévinaire in Gemert de heer Van der Meersch was, die nooit enige belemmering van de zijde van het plaatselijk bestuur had ondervonden.

 

Certificaat van Oorsprong
“Toen drie jaar terug ’n geruchtmakende procedure was tussen de NHM met enkele fabrikanten over levering van buitenlands fabrikaat, hebben de heren Couvreur en Hartog, Prévinaire en anderen in deze streken goederen laten vervaardigen. Zij leverden certificaten van oorsprong, getekend door de burgemeester van Gemert en Helmond, zonder dat de burgemeesters enige aantekening daarvan bijhielden.” Wesselman merkte op dat er mensen waren die er niet voor terugdeinsden valse verklaringen af te geven. En deze figuren schroomden er niet voor handtekeningen na te maken, vandaar dat hij de burgemeesters gelastte een register aan te leggen met daarin opgenomen de namen der fabrikanten, dagtekening, de hoeveelheid en soort goederen en dergelijke. Aldus Wesselman. Hoe het ook zij, de verdenkingen tegen Volkert leidden niet verder dan globaal onderzoek, tot een rechtszaak kwam het niet.

Weldoener failliet

In 1839 had Van Lanschot als agent van de NHM nog voor ƒ110.000,- aan orders kunnen plaatsen bij 6 Helmondse fabrikanten en bij J. Th. Prinzen in Gemert. Voor eenzelfde bedrag tekenden 8 ondernemers in 1840; in dat jaar was Van Lanschot voor het eerst opgetreden als intermediair voor de firma Volkert & Co. die tot dan kennelijk rechtstreeks via Haarlem orders had gekregen. De slechte economie zorgde voor een sterke terugval van orders geplaatst door de NHM in de jaren 1841, 1842 en 1843. In januari 1842 stuurde Volkert als monster ’n stuk cotonette naar de NHM in de hoop op ‘n opdracht. Volkert kreeg als teleurstellend antwoord dat “uit hoofde der ongunstigen stand van weefgoederen in Oost-Java tot geen bestellingen op de heeren Volkert & Co. aangeboden cotonetten kan worden overgegaan.” In de zomer van 1842 schrijft Van Lanschot dat Volkert bijna niets meer laat weven en in oktober 1843 deed de firma Volkert & Co. de NHM het voorstel elf kisten slendangs in consignatie (aan een handelaar -NHM- worden goederen ter beschikking gesteld met het oog op voortverkoop) aan te bieden waarvoor de firma dan een voorschot zou ontvangen. Hierop ging de NHM niet in.

De slechte economische situatie in de winter van 1842/’43 zorgde ervoor dat in Gemert veertig huisgezinnen van wevers zonder werk kwamen te zitten. Op de dag van de verjaardag van koning Willem II, 6 december, zorgde Jacques Jean Volkert er soms voor dat de wevers een aardigheid kregen, maar nu kocht hij 400 pond meel en rijst die onder de armen en werklozen verdeeld werden. De Gemertenaren uitten hun dankbaarheid voor zoveel edelmoedigheid met “Leve de Koning! Leve Volkert!” Het jaar daarop kocht Jacques weer enkele honderden ponden rijst en meel, die hij verdeelde onder de armen. Helaas voor hem en Gemert ging de firma in december 1844 failliet, waarna op 16 februari, 3 en 31 maart 1846 de goederen uit het failliete bedrijf verkocht werden. Naast de nodige stoffen waren er vijf scheerramen, 46 weefgetouwen, drie Jacquardmachines, ’n twijnmolen en spoelmachine. Gelukkig voor Volkert konden alle schulden betaald worden uit de opbrengst van de faillissementsverkoop, waardoor hij op 13 juli 1846 juridisch gerehabiliteerd werd door de rechtbank in Eindhoven.

Gezin Volkert

Jacques Jean werd op 4 april 1816 geboren aan de Botermarkt in Dendermonde, waar zijn ouders woonden. Vader Godschalk was er meester-kleermaker in het leger dat daar in het garnizoen verbleef. Later woonde de familie in Haarlem, waar kleermaker Jacques Jean op 19 juli 1837 trouwde met Theodora Moritz. Op dezelfde dag trouwde ook zijn zus Anne Francoise Joseph met Matthias van Thiel. En zus Catharina was ruim een jaar eerder getrouwd met Philippus Theodorus Moritz, een broer van Theodora. Negen maanden later werd het eerste kind Elisabeth Frederica in de Sint Jansstraat in Haarlem geboren bij Jacques Jean en Theodora. Kort hierop verhuisden zij naar het kasteel in Gemert. Hier werden nog zeven kinderen geboren, waaronder ‘n tweeling, Jacobus Martinus Antonius met zijn doodgeboren broertje zonder naam. Jacobus werd maar veertien maanden oud.

Het gezin Volkert beleefde in het jaar 1846 een emotionele rollercoaster, hoewel dat woord toentertijd nog niet bestond. Vreugde en verdriet volgden elkaar op. Want ga maar na, eerst het chagrijn van de faillisementsverkoop, dan de geboorte van hun dochter Theodora op 19 april, in juli de juridische rehabilisatie en dus schuldenvrij, dan de dood op 18 oktober van hun zes maanden oude dochtertje, gevolgd door hoop op een betere toekomst in een nieuw land. Want Jacques Jean gaf bij de burgerlijke stand in Gemert aan dat hij met echtgenote Theodora en dochtertje Maria Hypolyta naar Java ging vertrekken. Waar de andere kinderen Volkert bleven is vooralsnog een raadsel, maar in de “Javasche Courant” kunnen we lezen, dat op 19 maart 1847 het gezin Volkert daadwerkelijk in Batavia was aangekomen met de Nederlandse bark “Catharina Maria”.

Uit krantenberichten en gegevens uit de burgerlijke stand van Haarlem valt verder op te maken dat de familie enkele keren van en naar Java was gegaan. In 1850 werd dochter Wilhelmina Francina geboren in Samarang -het huidige Semarang op Midden Java- en zoon Joseph Theodorus in 1852 in Oenarang, het huidige Ungaran. Van juli 1855 tot en met november 1858 woonde de familie met z’n tienen in de Korte Begijnestraat in Haarlem, waar hun eerste dochter Elisabeth Frederica op 21 april 1856 stierf en zoontje Leonard Hendrik op 17 februari 1857 werd geboren. In 1860 was de familie weer in Samarang aangekomen, nu met echtgenote en zeven kinderen en in maart 1868 weer naar Nederland teruggekeerd wegens “ongesteldheid”. Jacques Jean had last van hevige hoofdpijnen, slechte spijsvertering, ongeregelde stoelgang, zwaarmoedigheid en hartvergroting. Hij genas daarvan door gebruik van antimiasmatisch water van dokter Koene!!

Op Java dreef Jacques Jean lange tijd het handelshuis “J.J. Volkert en Co”, waarin hij allerlei goederen verhandelde, van hammetjes en zwezeriken tot zelfs ‘n bastaard Arabisch paard. Ook hier zette hij zich in voor de medemens, want Volkert collecteerde samen met anderen voor de rooms-katholieke armen aldaar. Uiteindelijk stierf Jacques Jean op 7 februari 1881 in de stad Schiedam. In de overlijdensakte staat zijn naam vermeld als Jacobus Johannes, de vernederlandste naam die je in meer aktes tegenkomt. 

Bronnen en geraadpleegde literatuur:

BHIC Brabants Historisch Informatie Centrum Den Bosch, Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, inventarisnummers 911, 943, 945, 959, 960, 4694, 8224

BHIC Brabants Historisch Informatie Centrum Den Bosch, Archief Familie van Lanschot

www.Delpher.nl, De Avondbode 11 en 26 mei 1838; en krantenartikelen in het Algemeen Handelsblad


Stadsarchief Dendermonde, geboorteakte Jacques Jean Volkert

Stadsarchief Schiedam, overlijdensakte Jacques Jean Volkert


www.wiewaswie.nl, diverse officiële akten Burgerlijke Stand

Drs. Giel van Hooff, “Johan Theodor Prinzen (1784-1864) en de Gemertse Textielnijverheid”, Busselke nr. 7 een uitgave van Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”, Gemert, 1981

Ad Otten, “Katoenfabriek in het kasteel”, Gemerts Heem nr. 4, 1978

Henk Giebels, “Het Gemerts weversoproer van 1849”, Bijdragen tot de Geschiedenis van Gemert, Uitgave van Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”, Gemert, 1999

Dr. W.A.J.M. Harkx, “De Helmondse textielnijvereid 1794-1870”, Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, deel VIII, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg, 1967, pagina’s 136 en 137

R.T. Griffiths, “Eyewitnesses at the Birth of the Dutch Cotton Industry 1832-1839”, Economisch en Sociaal-Historisch jaarboek 1977, Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief veertigste deel, Martinus Nijhof, ’s-Gravenhage, 1977, pagina’s 153 t.m. 157

Dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt, “F. van Lanschot als intermédiaire tussende Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Nijverheid in Noord-Brabant (1825-1846), Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, N.V. Centrale Drukkerij, Nijmegen, pagina’s 56, 57, 68, 77, 78 en 81.

 

Algemeen Handelsblad 7 januari 1845

Algemeen Handelsblad 11 december 1843


 

 


 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten