Peternel, wie kent haar niet? Natuurlijk
de inwoners van haar geboortedorp Beek en Donk. Ook die van Gerwen, Opwetten,
Erp, Lieshout en Gemert wisten wie zij was, hoewel zij snel uit de herinnering
van de mensen gewist zou worden. Want op 27 juli 1765 spraken de schepenen van
Den Bosch het vonnis over haar uit: eeuwige verbanning uit de Meierij vanwege
bedelarij, bedrog en diefstal. Zij kwam er nog genadig af, omdat zij ”niet de
schranderste was” én omdat zij vrijwillig, zonder marteling, bekende. Haar korte
leven in onze contreien was daarmee voorbij.
Peternel Jan Peels[1] was toen twintig jaar
jong. Geboren in Beek had zij al snel de smaak te pakken gekregen. Zij was nog
maar twaalf jaar toen zij op een avond bij een zekere Bastiaen uit zijn
“schaprije”[2] een ducaat stal. Gelukkig
gaf haar vader het geld weer aan zijn overbuur terug. Nadat zij eerst in Erp
bij de broer van de Nuenense Goort Bloeme en daarna in Lieshout bij Willemijn
Jan Evers had gewoond, ging zij naar Gemert waar zij bij Jan Huijpke Neven[3] in huis was. Ook hier had
zij last van vlugge vingers, want ze bietste twaalf duiten uit de broek van
haar baas. Later verklaarde zij dat het geld uit de zakken was gevallen en dat
zij het had teruggegeven. In dit dorp heeft zij zich door Leendert Moonen,
nadat zij door hem dronken was gevoerd, laten opkloten, om aan Maria Strijbos
van De Engel[4]
vier guldens te vragen om daarvan een varken te kopen wat natuurlijk verzonnen
was. Maria trapte erin. Ook hier zou haar vader het geld later aan Maria hebben
teruggegeven.
Overval
In 1765 vertrok zij naar Gerwen waar zij
als dienstmeid bij Francis (Sis) Voolen in huis was. Hier vond in de nacht van
18 op 19 juni van dat jaar een gewelddadige inbraak en overval plaats bij
koster/schoolmeester Jacobus Duijtz. Even na twaalf uur werd de deur
opengebroken en stormden drie mannen naar binnen. Door de herrie wakker
geworden wist Jacobus zich te verbergen op de zolder, maar zijn moeder, Johanna
Cleene[5] en Christina Hanewinckel
die bij hen op bezoek was en er sliep, werden hardhandig geboeid en onder
bedreiging van een pistool gedwongen geld en goederen te wijzen. Kisten en
kasten werden onder het roepen van “Blixem, donder, duijvel help ons, sta ons bij”
opengebroken en alles werd geplunderd. Voor totaal 456 gulden en 17 stuivers
werd aan geld en goederen meegenomen, een heel bedrag in die tijd.
Peternel verklaarde dat haar bazin de
dag na deze overval haar had aangespoord te gaan bedelen. Daarop vertrok zij om
zogenaamd naar haar oom in Strijp te gaan. Aangekomen bij de Opwettense
watermolen van Jan Sengers liegt zij tegen zijn vrouw, dat zij bij een brand
alles was kwijtgeraakt. Vrouw Anna gaf haar toen ’n dubbeltje. Vervolgens ging
Peternel bedelend in Tongelre en Eindhoven verschillende huizen langs waar zij
vertelde de dienstmeid van Jacobus Duijtz te zijn en bij de overval ook alles
te zijn kwijtgeraakt. Ook hier kreeg ze wat geld. Maar op 24 juni werd Peternel
in Gerwen gearresteerd en na een eerste verhoor in Nuenen naar Den Bosch
overgebracht, omdat zij naast bedelarij er ook van verdacht werd de overvallers
van Duijtz te kennen.
Beschuldiging
Tijdens dit eerste verhoor zei Peternel
dat de overval gepleegd was door de Gemertenaren Leendert Moonen, Jan Daendels
en Gerrit Doode. Maar in Den Bosch verklaarde zij dat zij zich door de
consternatie versproken had en dat het Leendert Moonen, Aeldert Daendels en Tijs
zoon van de Swarte-Piet waren. Althans dat vermoed zij, want zij hadden al
meerdere diefstallen gepleegd, rode kolen afgesneden en brandhout gestolen. Ook
verklaarde zij dat Tijs en Leendert in Bakel hemden hadden gestolen. En dat pleitte
niet in hun voordeel. Maar wat zeker geen pluspunt was, was dat Peternel van
haar bazin had gehoord welke kleren deze schelmen tijdens de overval aan hadden.
Het waren dezelfde mannen in dezelfde kleren als die Peternel kende van haar
tijd in Gemert.
De schepenen van Den Bosch waren niet
onder de indruk van haar aantijgingen, want alleen Peternel werd veroordeeld.
Binnen twee keer vierentwintig uur moest zij onze streek verlaten hebben. In
tegenstelling tot Peternel, lijkt het erop dat de brute overvallers van Jacobus
de dans zijn ontsprongen en hun gerechte straf hebben ontlopen. Van hen zijn (nog)
geen dossiers of vonnissen bekend en het kan zijn dat Peternel het verhaal over
de drie Gemertse mannen uit haar duim gezogen heeft.
 |
Deel uit de terechtzitting op 27 juli 1765 van Peternel Jan Peels
|
Achtergrondinformatie
Jan
Peels, vader van
Peternel, werd in 1738 in Beek schutter en gerechtsdienaar. Hij heeft vaak gezien
dat vanaf 1745 de deuren van de Donkse kapel openstonden, zowel op zondagen,
heilige dagen als op werkdagen en dat velen van buiten Beek en Donk aan Sint
Leendert offerden. Jan kreeg van drossard Gijsbert de Jong opdracht de
kerkdeuren te sluiten. Eens kreeg Jan van een pelgrim die niet naar binnen kon
een stuiver om aan Sint Leendert te offeren, Jan nam deze aan, maar hij heeft
deze niet geofferd. Wat hij wel met het geld deed staat niet beschreven. Later
is deze kapel gesloten en in 1753 is deze gesloopt.
Christina
Hanewinckel
gedoopt in Bergeijk op 24
april 1735, vader Albert, moeder Catharina Hermannus van der Clee, Nederduits
Gereformeerd.
Christina trouwde op 4
november 1759 in Geldrop met Markus Klock (geboren in Sprang). Markus woonde in
Leende waar hij predikant was.
Christina trouwde weer op
10 mei 1767 in Veldhoven met Francois Everhardus van Braam (geboren in Bergen
op Zoom), hij was weduwnaar van Johanna Catharina de Compt. Christina
woonde toen in Breugel,
hier werd vermeld dat zij getrouwd was met Marcelus Kloek. Francois was schepen.
Christina stierf op 15
december 1785 in Nuenen.
Leendert
Moonen, 25 jaar oud,
lang, had aan Jan Corsten bekend ook in Erp gestolen te hebben. Jan Corsten
woonde aan de “Veerse Heij” (Verre Heide). Leendert had met Peternel
“gevreijd”. Hij was een gewezen soldaat.
Jan
Daendels, 27 jaar oud,
niet lang.
Gerrit
Doode, Gemert, niet
lang. Heel Gemert wist dat Gerrit in Bakel op dievenpad was geweest.
Maria
Strijbos, meisjesnaam
Maria Anna van Elderen, geboren op 15 juni 1699 als dochter van Emont Arnoldi van
Elderen en Elisabeth van Empel. Maria trouwde op 24 november 1737 in Gemert met
Thomas Joannes Strijbos, ex Donk.
Bronnen:
Stadsarchief Den Bosch, Dataschurk
129-05
Stadsarchief Den Bosch, Rechterlijk
Archief Vonnisboek 43
Archief Gemert-Bakel
BHIC Den Bosch, Raad van Brabant,
inventarisnummer 535
Database Mariet Adriaans
[1] Ook wel
foutief Pieternel Jan Peters genoemd
[3] In het
dossier wordt ook de naam Jan Hulphoven genoemd
[4] De Engel
bevond zich op de hoek van Stereind (destijds Het Schild) en Binderseind
[5] Johanna
Cleene was de weduwe van de gewezen schoolmeester Casparus Duijtz