Tegenwoordig zouden we spreken van een
ongelukkige jeugd. Dat was zeker bij Adriaentje Falx het geval. Zij ging van
hot naar her om haar kostje bij elkaar te scharrelen en uiteindelijk is zij al
bedelend in de Meierij beland, meer bepaald in onze streken toen zij opgesloten
en verhoord werd in de Gevangenpoort in Den Bosch. Dat was op 18 februari 1735.
Bewogen
leven
Tijdens dat verhoor verklaarde zij 24 of
25 jaar oud te zijn, geboren in Castel tussen Turnhout en Geel, het huidige
Kasterlee in Belgiƫ. Haar vader, boer Jan, stierf toen zij nog jong was. Haar
moeder ging toen als meid werken en wonen bij de pastoor en bij de secretaris
van Poyel vlakbij Geel, terwijl Adriaentje bij haar oom Wouter Teijsen in Zill gewoond
heeft en later bij een andere man, Peter genaamd ook in Zill. Als haar moeder
hertrouwde, is Adriaentje weer bij haar gaan wonen totdat haar stiefvader
stierf. Dan is zij naar Grobbendonk vertrokken om bij een boer te werken,
waarvan zij alleen de voornaam kent, Peter en zijn zoon Francis. Van hieruit ging
zij in Poyel bij boer Adriaan aan de slag. Toen zij ziek werd, keerde zij weer terug
naar moeder waar zij ongeveer een jaar verbleef. Adriaentje vertrok vervolgens naar
Wilg, om ’n jaar lang bij boer Adriaen te dienen. Weer stapte zij op, nu naar Antwerpen,
om bij een bakker vlakbij de Minne Broederskerk te gaan werken. Dat duurde korter
dan een jaar want zij “kreeg dikke benen”, waarmee zij in het ziekengasthuis belandde.
Daarna was zij zonder werk nog twee jaar in Antwerpen om van hieruit in de
zomer koren te snijden in de polders. Daar kwam zij weer in contact met An, 24
jaar en ongehuwd, die zij eerder in Antwerpen ontmoette. Beiden zijn gaan
bedelen en hebben “geschojt” en zodoende kwam Adriaentje in de Meierij terecht
waar zij ongeveer anderhalf jaar gebedeld heeft, waarna zij weer terug naar de
polders ging waar zij een zekere Jan Leenders (Cleijn Jantje, ook Jan van Boekel
genaamd) tegenkwam. Jan was geboortig van Maaseik. Zij zijn in Antwerpen
getrouwd door de pastoor van de grote kerk.
Vuur
en brand
Voor ons wordt het verhaal interessant,
nu Adriaentje en Jan vanuit het land van Kessel in Meijel aankwamen. Daar zagen
zij ’n vuur branden waar de broers van Jan, Willem en marskramer Martinus met
zijn vrouw Anneke en nog twee vrouwen zich aan het warmen waren. Beiden bleven nog
twee dagen, trokken dan voor acht dagen verder door de Meierij om dan weer voor
’n dag of acht naar Kessel terug te gaan. Adriaentje ging alleen terug naar de
Meierij en sprak met Jan af elkaar na vier dagen weer te treffen bij boer
Teunis, de ex-borgemeester in Milheeze. Hierna ging zij samen met Jan en een andere
bedelaar, Cobus Pap, naar Beek en Donk waar zij, aangekomen bij de hoeve van Antony Roijackers, vroegen of zij
daar mochten slapen. Dat mocht. Antony woonde op de hoeve die enige tijd erna,
op 7 mei 1734, is afgebrand. Adriaentje verklaarde dat zij enige tijd voor die
brand samen met haar man en kind alsook met Cobus en zijn vrouw Catrien, ook al
bij de hoeve van Antony waren geweest. Dat was rond pasen op 25 april. Cobus vertelde
haar toen, dat zij de naam had eieren te hebben gestolen bij Antony, wat Adriaentje
ontkende. Ook ontkende Adriaentje bij haar verhoor dat zij tegen Antony gezegd
zou hebben dat het hem zou betreuren dat hij haar hiervan beschuldigde. Wel
bekende zij dat zij op de dag dat de hoeve afbrandde in Beek was geweest, samen
met haar man en zijn halfbroer Peter. Zij zaten toen in een akker bij het huis
van Adam Blankert toen Peter opmerkte dat er brand was. Zij zijn ernaartoe gelopen
en zagen dat het voorhuis in brand stond.
Het heeft er alle schijn van dat
Adriaentje en Jan later op 25 januari 1735 in Heeswijk Dinther zijn
gearresteerd, want zij worden door de schepenen uit die plaats verhoord. Adriaentje
wordt ervan verdacht en beschuldigd samen met een groep van 10 tot 12 befaamde
gauwdieven rondgetrokken te hebben. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan landloperij,
roverij en dieverij. Bovendien zou Adriaentje, heel verdacht, aanwezig zijn
geweest bij de brand in Beek. Bij haar verhoor ontkent zij iets met deze brand
te maken te hebben. Hierop eist de aanklager dat als Adriaentje de
beschuldigingen zou ontkennen, zal worden gemarteld en daarna bestraft. Over
Jan wordt niets gezegd want hij heeft, om zijn straf te ontlopen, zich al
eerder opgehangen. Zij blijft echter ontkennen iets met de brand te maken te
hebben. Uiteindelijk wordt Adriaentje “met roeden om den hals” door de beul de
stad Den Bosch uitgezet en uit de Meierij te verbannen.
Bronnen:
Stadsarchief Den Bosch, Dataschurk
D’n Tesnuzzik, 2011 nr. 2, artikel Frans
Leenders over de oude hoeve Ten Bleek
Geen opmerkingen:
Een reactie posten