Het was ‘n gezellig groepje, onze
arbeiders uit Beek en Donk en Gemert. Ze hadden altijd veel lol als ze na het
werk in Helmond op de tram naar huis stapten. Er werden de nodige grapjes
verteld en zo schoot de reis goed op. Nog plezieriger was het als ook het
schoolmenneke, zoals zij hem noemden, op dezelfde tram stapte. Dan hadden ze
nog meer plezier, want ze namen hem vaak in het ootje en elke keer trapte het
menneke er ochèrm in, want ’t was ’n onnozelaartje.
Zo kon het gebeuren dat hij op ’n
donderdagavond in mei ook op de tram van half acht instapte. Ook nu waren de grappenmakers in een olijke bui en
vlak voordat ze bij de Beekse brug waren, pakten ze het menneke beet, stopten
hem in een grote lege zak die in de tram lag en bonden de zak dicht. Aangekomen
bij de halte zetten ze de zak buiten, waar de postbode al klaar stond om zijn
postzak naar het postkantoor te brengen. Hij nam hem op zijn schouder en vond
dat ie deze keer toch wel erg zwaar was. Plots begon de zak op zijn rug te
spartelen en verschrikt liet ie deze op de grond vallen, waar hij opensprong.
Tot zijn verbazing kroop het menneke schielijk uit de zak, rende terug en kon
nog net op tijd op de rijdende tram springen. Want hij moest natuurlijk wel
weer op tijd in Gemert zijn, waar ie woonde.
Uit mijn duim gezogen? Nee hoor, ik las
het bericht in de Tilburgsche Courant van zondag 14 mei 1905.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten