Geschiedenis

donderdag 9 maart 2023

Het hemd van het lijf vragen

Het is druk in de raadkamer in Beek als op 12 juni 1753 vier personen zijn opgeroepen te getuigen tegen Regardus van der Heijden. De president-schepen Jan van den Bogard en schepen Jan Janssen Canters horen Pieter Josephs, de 36 jarige schoenmaker waar Regardus twee maanden tot 15 mei als knecht heeft gewerkt, wat de andere getuigen beamen. Deze zijn de 21-jarige Goort Jan Peels[i], dienstknecht bij de weduwe van Goord Royackers in Beek. Verder Govert van Bragt, 40 jaar van de Molenweg en de 44-jarige Michiel van Bragt van de Donkse Boonhol.
Goort Jan vertelt de schepenen dat hij twee keer een hemd miste, de eerste keer op 1 mei, de tweede op dinsdag 15 mei. Hij zegt erbij dat even tevoren Regardus op zijn bed heeft geslapen, zodat Goort Jan een “quaet vermoeden” had dat Van der Heijden de boosdoener was, die beide keren het hemd in zijn broek heeft gestopt en hij heeft gezien dat deze van voren “opgevult was”. Goort Jan merkt verder op, dat hem door de huisvrouw van Mathijs Adams en ook door haar dochter Anna Marij op de 23ste of 24ste mei is verteld dat Govert enkele hemden heeft gekocht, waarop Goort Jan naar hem toe is gegaan en daar constateert dat het daadwerkelijk zijn hemden zijn en die hem zijn ontstolen. Hij wil deze natuurlijk terug maar Govert weigert en zegt dat hij de drossaard op de hoogte zal brengen.
Op de vraag van de schepenen of de getuigen ooit manshemden van Regardus hebben gekocht, antwoordt Govert dit op Bededag voor 18 stuivers te hebben gedaan. In dat hemd stond met rode letters G.J. in de hals, hoewel Regardus beweerde dat het zijn hemd was maar dat hij geld nodig had. Daarna kocht Govert nog ’n keer voor 16 stuivers een manshemd. Hier stond de rode letter J. getekend en op maandag 21 mei kocht hij voor de derde keer voor hetzelfde bedrag een hemd, waar op het hart een wit kruis getekend was. Ook Michiel getuigt dat hij in maart een hemd van Regardus kocht. Op de borst stond een bruin kruis getekend. Dit deed hij voor de som van 12 stuivers plus ’n “Soopie[ii] Jenever”.
Tijdens dit verhoor worden de hemden getoond en erkent Govert dat drie van de vier hemden hij van Regardus kocht en dat hij deze aan de drossaard heeft gegeven. Ook Michiel zegt dat hij een van de vier hemden van Regardus kocht. Verder laten de schepenen een zak met gereedschap zien. Schoenmaker Pieter bevestigt dat een memorieboekje van rood leer met zwart en wit papier van hem is. Ook schoenmakersgereedschap, waaronder een plat ritske[iii] is van hem. Verder vertelt Pieter nog dat op 31 mei Jan Sintus Kuijten en zijn vrouw Dorothea bij hem zijn geweest. Jan is schoenmaker in Breugel en Regardus heeft ook bij Jan gewerkt. Toen Pieters vrouw met Dorothea sprak over de gestolen hemden, bleek dat het hemd met het bruin kruis van haar zoon Sis was. Jan zei blij te zijn dat Regardus bij hem weg was, want hij had gedreigd zijn huis in brand te steken.
Regardus is op vrijdag 15 juni in Sint Oedenrode gearresteerd en naar Den Bosch overgebracht. Bij het eerste verhoor bekent hij afkomstig van Megen en 34 of 35 jaar oud te zijn. In de wandeling wordt hij Reijk genoemd. Hij heeft 10 á 12 nachten bij Gooyaart (Goort) Jan Peels geslapen en daar hemden gestolen. Hij bekent ook in Breugel te hebben gestolen, maar ontkent Jan Sintus daar te hebben gedreigd zijn huis in brand te steken; of het zou moeten zijn dat hij het deed toen hij een glaasje gedronken had. Hij kon zich daar niks van herinneren. Over het laatste worden Jan en vrouw Dorothea gehoord, evenals hun buurman, Hendrik van der Horst. Allen bevestigen de dreiging tot brandstichting.
De aanklager eist tijdens het proces een zware straf. Hij vindt dat bij een eerste diefstal geseling met bannisement (verbanning) moet volgen. Wordt voor de tweede keer gestolen dan is geseling met brandmerk een gerechte straf en steelt iemand voor de derde keer verdient de dief de galg. Zover komt het voor Regardus niet. De schepenen veroordelen hem op 20 juli 1753 alleen voor de diefstallen en niet voor de bedreiging. Hij zal door de beul worden gegeseld met directe verbanning uit de Meierij.


[i] Goort Jan is de vader van Peternel Jan Peels die uit onze streek verbannen werd en waarover ik eerder in D’n Tesnuzzik het artikel “Die zien we nooit meer terug” schreef. Goort Jan is ook schutter van het vee.

[ii] http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/zoopje

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek

zoopje In het algemeen Nederlands wordt de borrelnaam zoopje niet of nauwelijks meer gehoord, behalve dan in de verbinding koek-en-zopie voor ‘kraam op het ijs waar koek en drank worden verkocht’. Maar in het Fries en in verscheidene dialecten is het woord nog springlevend, vooral in Noord-Nederland. Zo drinken de Friezen een sûpke, de Drenten een zeupie en de Groningers een zeupke. Het woord is in de afgelopen decennia ook aangetroffen in Limburg, Twente, Vlaanderen en Zeeland.

De borrelnaam is in 1645 voor het eerst gevonden. Zoopje is een verkleiningsvorm van het Middelnederlandse soop ‘slok, teug’ en is afgeleid van het werkwoord zuipen. Aan het eind van de 16de eeuw werd het gebruikt voor ‘kleine hoeveelheid wijn’, sinds het midden van de 17de eeuw voor ‘klein glaasje brandewijn’ en sinds het begin van de 18de eeuw voor ‘glaasje jenever’. Soldaten en zeelieden kregen dagelijks een vast aantal zoopjes. Dit werd in decreten vastgelegd. Zo besloten de bestuurders van de Verenigde Oostindische Compagnie op 2 oktober 1760 dat ‘het volk, aan boord der schepen, zal worden verstrekt twee soopjes daags, bestaande ieder soopje uit een half mutsje’. Blijkbaar vond men dit toch te veel, want in 1768 werd bepaald: ‘Het volk zal genieten drie soopjes ’s daags, ieder soopje van een quart mutsje’ — op een kwart minder dus, hoewel het op het eerste gezicht meer lijkt.

Soldaten begonnen de dag vaak met een zoopje, vandaar de samenstelling morgenzoopje, die aan het begin van de 17de eeuw is gevonden. Men sprak ook van een zoet zoopje voor ‘jenever met siroop of brandewijn met suiker’.

Het zoopje is in vele uitdrukkingen terechtgekomen. In een spreekwoordenverzameling uit 1874 staan: hij wou zijn zoopje nog eens herkauwen, maar het schoot bij ongeluk te hoog naar boven voor ‘hij braakt’; hij is van den drank en gebruikt niets anders dan oud bier en zoopjes; zoo’n zoopje smaakt naar meer en die drinkt te veel zoopjes, doet slechte koopjes. Een dronkaard werd wel een zoopjesdrinker genoemd, een kroegbaas of slijter een zoopjesman, de kroeg zoopjeskit. Ook de uitdrukking hij is een pimpelmees wordt met zoopje in verband gebracht. Een spreekwoordenboek uit 1874 licht toe:

Zoopjes drinken wordt ook wel pimpelen genoemd; daarom verkrijgt de zoopjes-drinker, bij woordspeling, den naam van pimpelmees, een vogel, die ook gewoon is, herhaaldelijk met kleine slokjes te drinken.

 

[iii] ritske= een klein getand wieltje voor het maken van voorkens (gleuven) in de randen van zolen.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten