Het is druk in
de raadkamer in Beek als op 12 juni 1753 vier personen zijn opgeroepen te
getuigen tegen Regardus van der Heijden. De president-schepen Jan van den
Bogard en schepen Jan Janssen Canters horen Pieter Josephs, de 36 jarige
schoenmaker waar Regardus twee maanden tot 15 mei als knecht heeft gewerkt, wat
de andere getuigen beamen. Deze zijn de 21-jarige Goort Jan Peels[i], dienstknecht bij de
weduwe van Goord Royackers in Beek. Verder Govert van Bragt, 40 jaar van de
Molenweg en de 44-jarige Michiel van Bragt van de Donkse Boonhol.
Goort Jan
vertelt de schepenen dat hij twee keer een hemd miste, de eerste keer op 1 mei,
de tweede op dinsdag 15 mei. Hij zegt erbij dat even tevoren Regardus op zijn
bed heeft geslapen, zodat Goort Jan een “quaet vermoeden” had dat Van der
Heijden de boosdoener was, die beide keren het hemd in zijn broek heeft gestopt
en hij heeft gezien dat deze van voren “opgevult was”. Goort Jan merkt verder
op, dat hem door de huisvrouw van Mathijs Adams en ook door haar dochter Anna
Marij op de 23ste of 24ste mei is verteld dat Govert
enkele hemden heeft gekocht, waarop Goort Jan naar hem toe is gegaan en daar constateert
dat het daadwerkelijk zijn hemden zijn en die hem zijn ontstolen. Hij wil deze
natuurlijk terug maar Govert weigert en zegt dat hij de drossaard op de hoogte
zal brengen.
Op de vraag van
de schepenen of de getuigen ooit manshemden van Regardus hebben gekocht,
antwoordt Govert dit op Bededag voor 18 stuivers te hebben gedaan. In dat hemd
stond met rode letters G.J. in de hals, hoewel Regardus beweerde dat het zijn
hemd was maar dat hij geld nodig had. Daarna kocht Govert nog ’n keer voor 16
stuivers een manshemd. Hier stond de rode letter J. getekend en op maandag 21
mei kocht hij voor de derde keer voor hetzelfde bedrag een hemd, waar op het
hart een wit kruis getekend was. Ook Michiel getuigt dat hij in maart een hemd
van Regardus kocht. Op de borst stond een bruin kruis getekend. Dit deed hij
voor de som van 12 stuivers plus ’n “Soopie[ii] Jenever”.
Tijdens dit
verhoor worden de hemden getoond en erkent Govert dat drie van de vier hemden
hij van Regardus kocht en dat hij deze aan de drossaard heeft gegeven. Ook
Michiel zegt dat hij een van de vier hemden van Regardus kocht. Verder laten de
schepenen een zak met gereedschap zien. Schoenmaker Pieter bevestigt dat een
memorieboekje van rood leer met zwart en wit papier van hem is. Ook
schoenmakersgereedschap, waaronder een plat ritske[iii] is van hem. Verder
vertelt Pieter nog dat op 31 mei Jan Sintus Kuijten en zijn vrouw Dorothea bij
hem zijn geweest. Jan is schoenmaker in Breugel en Regardus heeft ook bij Jan
gewerkt. Toen Pieters vrouw met Dorothea sprak over de gestolen hemden, bleek
dat het hemd met het bruin kruis van haar zoon Sis was. Jan zei blij te zijn
dat Regardus bij hem weg was, want hij had gedreigd zijn huis in brand te
steken.
Regardus is op
vrijdag 15 juni in Sint Oedenrode gearresteerd en naar Den Bosch overgebracht.
Bij het eerste verhoor bekent hij afkomstig van Megen en 34 of 35 jaar oud te
zijn. In de wandeling wordt hij Reijk genoemd. Hij heeft 10 á 12 nachten bij
Gooyaart (Goort) Jan Peels geslapen en daar hemden gestolen. Hij bekent ook in
Breugel te hebben gestolen, maar ontkent Jan Sintus daar te hebben gedreigd zijn
huis in brand te steken; of het zou moeten zijn dat hij het deed toen hij een
glaasje gedronken had. Hij kon zich daar niks van herinneren. Over het laatste
worden Jan en vrouw Dorothea gehoord, evenals hun buurman, Hendrik van der
Horst. Allen bevestigen de dreiging tot brandstichting.
De aanklager
eist tijdens het proces een zware straf. Hij vindt dat bij een eerste diefstal
geseling met bannisement (verbanning) moet volgen. Wordt voor de tweede keer
gestolen dan is geseling met brandmerk een gerechte straf en steelt iemand voor
de derde keer verdient de dief de galg. Zover komt het voor Regardus niet. De
schepenen veroordelen hem op 20 juli 1753 alleen voor de diefstallen en niet
voor de bedreiging. Hij zal door de beul worden gegeseld met directe verbanning
uit de Meierij.
[i]
Goort Jan is de vader van Peternel Jan Peels die uit onze streek verbannen werd
en waarover ik eerder in D’n Tesnuzzik het artikel “Die zien we nooit meer
terug” schreef. Goort Jan is ook schutter van het vee.
[ii]
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/zoopje
E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek
zoopje In het algemeen Nederlands wordt de borrelnaam
zoopje niet of nauwelijks meer gehoord, behalve dan in de verbinding
koek-en-zopie voor ‘kraam op het ijs waar koek en drank worden verkocht’. Maar
in het Fries en in verscheidene dialecten is het woord nog springlevend, vooral
in Noord-Nederland. Zo drinken de Friezen een sûpke, de Drenten een zeupie en
de Groningers een zeupke. Het woord is in de afgelopen decennia ook
aangetroffen in Limburg, Twente, Vlaanderen en Zeeland.
De borrelnaam is in 1645 voor het eerst gevonden.
Zoopje is een verkleiningsvorm van het Middelnederlandse soop ‘slok, teug’ en
is afgeleid van het werkwoord zuipen. Aan het eind van de 16de eeuw werd het
gebruikt voor ‘kleine hoeveelheid wijn’, sinds het midden van de 17de eeuw voor
‘klein glaasje brandewijn’ en sinds het begin van de 18de eeuw voor ‘glaasje
jenever’. Soldaten en zeelieden kregen dagelijks een vast aantal zoopjes. Dit
werd in decreten vastgelegd. Zo besloten de bestuurders van de Verenigde
Oostindische Compagnie op 2 oktober 1760 dat ‘het volk, aan boord der schepen,
zal worden verstrekt twee soopjes daags, bestaande ieder soopje uit een half
mutsje’. Blijkbaar vond men dit toch te veel, want in 1768 werd bepaald: ‘Het
volk zal genieten drie soopjes ’s daags, ieder soopje van een quart mutsje’ —
op een kwart minder dus, hoewel het op het eerste gezicht meer lijkt.
Soldaten begonnen de dag vaak met een zoopje, vandaar
de samenstelling morgenzoopje, die aan het begin van de 17de eeuw is gevonden.
Men sprak ook van een zoet zoopje voor ‘jenever met siroop of brandewijn met
suiker’.
Het zoopje is in vele uitdrukkingen terechtgekomen. In
een spreekwoordenverzameling uit 1874 staan: hij wou zijn zoopje nog eens herkauwen, maar het schoot bij ongeluk te
hoog naar boven voor ‘hij braakt’; hij
is van den drank en gebruikt niets anders dan oud bier en zoopjes; zoo’n zoopje
smaakt naar meer en die drinkt te veel zoopjes, doet slechte koopjes. Een
dronkaard werd wel een zoopjesdrinker genoemd, een kroegbaas of slijter een
zoopjesman, de kroeg zoopjeskit. Ook de uitdrukking hij is een pimpelmees wordt
met zoopje in verband gebracht. Een spreekwoordenboek uit 1874 licht toe:
Zoopjes drinken wordt ook
wel pimpelen genoemd; daarom verkrijgt de zoopjes-drinker, bij woordspeling,
den naam van pimpelmees, een vogel, die ook gewoon is, herhaaldelijk met kleine
slokjes te drinken.
[iii]
ritske= een klein getand wieltje voor het maken van voorkens (gleuven) in de
randen van zolen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten