Geschiedenis

donderdag 9 maart 2023

Beek tegen Aarle, hard tegen hard

 

Op vrijdag 26 juni 1750 legde Pero een verklaring af bij de schepenen van Aarle-Rixtel en gelukkig kon de ongelukkige Willem ook nog getuigen vóór hij zes dagen later aan zijn fatale verwondingen bezweek.
 
Een dag eerder was Pero Aart Swinckels schapen aan het hoeden tegenover het huis van de weduwe van Jan van Eijk op de Beekse Beecker Heijde. Daar liep ook zijn dorpsgenoot Willem Antony Kilsdonk met de schapen van zijn baas. Willem, geboren in Beek en Donk, is scheper bij schepen Jan Houts uit Aarle-Rixtel waar hij ook bij inwoont.
 
Het ging goed fout toen ook de Beek en Donkenaren Frederick Josephs, schaapsherder van Dirck Tony Rooijackers, en Willem Peter Willem Martens met de schapen van de weduwe van Laurens van Duijn daar aankwamen. Zo gauw Frederick Pero zag, stormde hij op Pero af en sloeg hem met de schepersschup[1] hard op zijn hand. Pero zette het op een lopen en Frederick heeft hem nog “een aerde clot” achterna geworpen met de woorden: “Gij komt er altijd op”. Bedoeld wordt op de Beecker Heijde om de schapen te laten grazen.
 
Schepersschup

Willem Kilsdonk zei in zijn getuigenis dat Willem Martens, zonder een woord te zeggen, op hem afkwam en hem met een mes die in de steel van de schepersschup zat, een slag toebracht. Waarna hij hem toebeet: “Wat doet gij hier met uw schapen.” Hierna sloegen Frederick en Willem M. op de vlucht. Pero is naar Willem terug gegaan en zag dat hij aan zijn hoofd bloedde. Willem zei hem nog “Ik moet sterven.”
 
 
Op 3 juli onderzochten Van Dijck en Van Gemert[2] in het huis van Jan van Houts het lichaam van Willem Kilsdonk die de dag ervoor gestorven was. Dit gebeurde in opdracht van Gijsbert de Jong, drossard van Beek en Donk, en in het bijzijn van de Aarlese schepenen Hendrick van Ommeren, Jan van de Ven en Antony Kreijvelt. De dokters stelden vast dat er een sissure (scissuur=scheur) in de schedel was, stukjes bot in de hersenen zaten en ook dat een gedeelte van de hersenen verrot uit het hersenvlies hing. Dit móest de dood wel tot gevolg hebben. Willem werd 19 jaar oud.
 
Op 23 oktober van dat jaar getuigt Anna Peeters, die bij de weduwe van Jan van Eijk inwoont, dat zij door ’n paar kinderen werd geroepen die vertelden dat jongens aan het vechten waren en dat eentje de ander achterna zat tot het huis van Jan Franse Peeters. Even later hoorde zij dat twee Aarlenaren, de bewuste Pero en Willem, werden aangevallen. De eerste rechtzitting van de Beek en Donkse schepenen vindt plaats op 31 oktober, waar Willem Martens niet aanwezig is, want hij is gevlucht. Daarom is  een tweede en derde zitting nodig, waarop de verdachte ook ontbreekt. De schepenen zullen advies inwinnen bij een onpartijdige rechtsgeleerde, advocaat De Wit uit Eindhoven, hoe te handelen. Pas op 3 november 1751 spreken de schepenen recht in deze zaak: zij bannen de gevluchte en zich nog steeds schuilhoudende Willem Peter Willem Martens voor eeuwig uit onze heerlijkheid.
 
Bronnen:
BHIC Den Bosch, Raad van Brabant, toegangsnummer 19, inventarisnummer 466-0311
RHC Eindhoven, Oud Rechterlijk Archief Beeken Donk, inventarisnummer 37


[1] Schepersschup: cirkelvormige schijf, de zijkanten omhoog gebogen met kokervormige steelinlaat, een kluitenwerper

[2] Medicinae doctor Ignatius van de Dijck en chirurgijn Hendrikus van Gemert, beiden uit Gemert

Geen opmerkingen:

Een reactie posten