Op vrijdag 26 juni 1750 legde Pero een verklaring af bij de schepenen
van Aarle-Rixtel en gelukkig kon de ongelukkige Willem ook nog getuigen vóór
hij zes dagen later aan zijn fatale verwondingen bezweek.
Een dag eerder was Pero Aart Swinckels schapen aan het hoeden tegenover
het huis van de weduwe van Jan van Eijk op de Beekse Beecker Heijde. Daar liep
ook zijn dorpsgenoot Willem Antony Kilsdonk met de schapen van zijn baas.
Willem, geboren in Beek en Donk, is scheper bij schepen Jan Houts uit
Aarle-Rixtel waar hij ook bij inwoont.
Het ging goed fout toen ook de Beek en Donkenaren Frederick Josephs,
schaapsherder van Dirck Tony Rooijackers, en Willem Peter Willem Martens met de
schapen van de weduwe van Laurens van Duijn daar aankwamen. Zo gauw Frederick
Pero zag, stormde hij op Pero af en sloeg hem met de schepersschup[1]
hard op zijn hand. Pero zette het op een lopen en Frederick heeft hem nog “een
aerde clot” achterna geworpen met de woorden: “Gij komt er altijd op”. Bedoeld
wordt op de Beecker Heijde om de schapen te laten grazen.
![]() |
| Schepersschup |
Willem Kilsdonk zei in zijn getuigenis dat Willem Martens, zonder een woord te zeggen, op hem afkwam en hem met een mes die in de steel van de schepersschup zat, een slag toebracht. Waarna hij hem toebeet: “Wat doet gij hier met uw schapen.” Hierna sloegen Frederick en Willem M. op de vlucht. Pero is naar Willem terug gegaan en zag dat hij aan zijn hoofd bloedde. Willem zei hem nog “Ik moet sterven.”
Op 3 juli onderzochten Van Dijck en Van Gemert[2]
in het huis van Jan van Houts het lichaam van Willem Kilsdonk die de dag ervoor
gestorven was. Dit gebeurde in opdracht van Gijsbert de Jong, drossard van Beek
en Donk, en in het bijzijn van de Aarlese schepenen Hendrick van Ommeren, Jan
van de Ven en Antony Kreijvelt. De dokters stelden vast dat er een sissure
(scissuur=scheur) in de schedel was, stukjes bot in de hersenen zaten en ook
dat een gedeelte van de hersenen verrot uit het hersenvlies hing. Dit móest de
dood wel tot gevolg hebben. Willem werd 19 jaar oud.
Op 23 oktober van dat jaar getuigt Anna Peeters, die bij de weduwe van
Jan van Eijk inwoont, dat zij door ’n paar kinderen werd geroepen die vertelden
dat jongens aan het vechten waren en dat eentje de ander achterna zat tot het
huis van Jan Franse Peeters. Even later hoorde zij dat twee Aarlenaren, de
bewuste Pero en Willem, werden aangevallen. De eerste rechtzitting van de Beek
en Donkse schepenen vindt plaats op 31 oktober, waar Willem Martens niet
aanwezig is, want hij is gevlucht. Daarom is
een tweede en derde zitting nodig, waarop de verdachte ook ontbreekt. De
schepenen zullen advies inwinnen bij een onpartijdige rechtsgeleerde, advocaat
De Wit uit Eindhoven, hoe te handelen. Pas op 3 november 1751 spreken de
schepenen recht in deze zaak: zij bannen de gevluchte en zich nog steeds schuilhoudende
Willem Peter Willem Martens voor eeuwig uit onze heerlijkheid.
Bronnen:
BHIC Den Bosch, Raad
van Brabant, toegangsnummer 19, inventarisnummer 466-0311
RHC Eindhoven, Oud
Rechterlijk Archief Beeken Donk, inventarisnummer 37

Geen opmerkingen:
Een reactie posten