Maar eerst een grove schets over de Meierij in de periode 1600-1800, waarin ook Beek en Donk valt. De provinciale commissie van landbouw geeft een goed beeld hoe de boer in deze streek leeft, wat hij bezit en zelfs wat ie eet. Zeer interessante lectuur, waaruit ik graag enkele fragmenten overneem. Maar vergeef mij het eenzijdige mannelijke beeld. De schrijver van dit provinciaal stuk heeft het alleen over de boer, niet over de boerin of over de kinderen!
Toch heeft de boer niet veel bezittingen. Het interieur van de boerenwoning bestaat uit niet veel meer dan zes rechte stoelen met de tafel, een bed met slechte veren, de overige bedden zijn grove linnen zakken gevuld met kaf. De dekens zijn meestal gemaakt van vlasafval en als touw in elkaar gedraaid doch wat losser en dat op grof garen ingeslagen. Dat noemt de boer drommeldekens en zijn wat dikker en zij lijken veel op de grove zakken van de wol die uit Spanje komt. Een paar ijzeren potten, een of twee koperen ketels en een theepot, een grote boer heeft nog enkele tinnen schotels. Hij bezit nooit meer linnen dan hij volstrekt nodig heeft. Tafellakens en servetten kent hij niet en voeg hier nog enige potten en pannen van grof aardewerk en voor elk een tinnen lepel en stalen vork bij, dan heeft men het gewone boeren huisraad.
Zijn eten is eenzijdig en slecht. ’s Morgens heeft de boer gewoonlijk thee of boekweit pap met ’n boterham van roggebrood. ‘s Middags aardappelen met wortelen, rapen of kool gekookt met varkensvet of reuzel. Met daarbij ’n bak gekarnde melk met daarin brokken roggebrood. De aardappel is het hele jaar de hoofdschotel met ’n saus van wat gekarnde melk met boter of olie, met daarbij een bak met melk en brood. Twee tot drie keer per week krijgt ieder ’n stukje spek. Rund of ander vlees komt er buiten de kermis slechts zelden in huis. Tijdens de oogsttijd of als er werkvolk is, bakt men ’s middags dikwijls een boekweit pannenkoek met olie of enige stukjes spek, dat wordt dan “spekstruif” genoemd. Bier komt zelden in huis. ’s Avonds weer een schotel aardappelen met wat saus en ’n bak melk of pap toe.
|
1900
|
aantal hectare
|
||
|
1-5
|
5-10
|
10-15
|
|
|
eigenaar
|
47
|
46
|
3
|
|
pachter
|
23
|
16
|
3
|
Op die kleine lapjes grond wordt van alles geteeld. Het is opmerkelijk dat er in het zandgebied van Noord-Brabant zoveel verschillende gewassen worden verbouwd. Dat hangt samen met de mate van zelfvoorziening van het gezin en de verzorging van het vee met in hoofdzaak producten van eigen bodem. In Beek en Donk telen de boeren in 1842 nog op grote schaal tien gewassen: rogge, gerst, haver, erwten, aardappelen, vlas, zomer- en winterkoolzaad, boekweit en spurrie[1]. Het vee mag tegen betaling op de geme(e)ne gronden weiden. Zo zijn er in 1849 159 veehouders die 382 koeien en kalveren en 77 paarden laten grazen, waarvoor zij per paard en koe ƒ0,80 en voor een kalf ƒ0,40 betalen. Deze gronden worden ook gebruikt voor het steken van plaggen die nodig zijn voor de mestbereiding in de stal. In het jaar 1851 kost bouwland ƒ405,40 per bunder en weiland ƒ245,- en de huur is ƒ20,27 per bunder bouwland en ƒ12,29 voor weiland.
|
|
Aanwezig
percentage
|
|
|
jaar |
jongens |
meisjes |
|
tot 1860 |
67 |
62 |
|
1861-1880 |
86 |
88 |
|
vanaf 1881 |
100 |
100 |
Niet iedere boer heeft een paard. Zo zijn er in 1811 maar 64 paarden, in 1815 106 van drie jaar of ouder en halverwege die eeuw ligt het aantal rond 80, om daarna toe te nemen. Ook worden hier trekossen ingezet voor het zware werk. In 1815 zijn dat er 24 en in 1882 zijn het er nog maar zeven. Het zijn trouwens niet alleen boeren die paarden bezitten, ook herbergier Jan Bongers bezit er in 1849 eentje, evenals koopman / herbergier Andries Ledant en brouwer Van Will. Volgens een tellijst uit 1695 zijn er in dat jaar 247 paarden, in vergelijking met latere jaren een enorm aantal. Ongetwijfeld zijn er veel bestemd voor de verkoop aan de militaire legers.
De koeien worden 2-3 keer per dag bijgevoerd met sop: lauw kooksel van aardappelen, knollen met de bladeren, witte of gele wortelen, koolbladeren, spurrie, kaf of in het voorjaar afgesneden rogge, die daartoe vroeg gezaaid wordt, distels, brandnetels, mier, kweken (in het wild groeiend onkruid, ook kruipende tarwe genoemd), in de zomer jonge klaver, mals gras en al het groenvoer dat zij in de hof of op de akker voorhanden hebben. Dit alles wordt eerst gewassen, klein gehakt en daarbij wordt de overgebleven karnemelk, raap of lijnkoek, nat meel van rogge, haver of boekweit en spurriezaad gedaan en gekookt.
Varkens spelen in de 19e eeuw bijna geen rol van betekenis. Op elke boerderij scharrelen een of twee varkens rond, waarvan in het najaar er eentje op de leer geslacht wordt voor eigen gebruik en een goed stuk gaat naar de pastoor. Zo lopen er in 1815 bij de boeren in totaal maar 90 varkens rond. Voltijd slagers zijn er dan nog niet en in 1817 wordt dit werkje gedaan door veldwachter, tevens slachter, Matthijs van de Weijenberg. Eerder hanteren ook Jan van Woensel en Hendrik van Kuijk als bijverdienste het slachtmes. Opvallend is dat bedrijven met weinig grasland en minder rundvee zich in de 20ste eeuw het sterkst zijn gaan richten op de varkens- en pluimveehouderij, wat duidelijk in de tabel te zien is.
|
jaar |
aantal varkens |
|
1851 |
219 |
|
1870 |
183 |
|
1880 |
182 |
|
1900 |
443 |
|
1930 |
806 |
schapen
Schapenhouderij is in ons dorp nooit erg groot geweest. Lopen er in 1811 nog 213 voornamelijk heideschapen en 152 lammeren op onze gronden, in 1851 is dit aantal gereduceerd tot 120 schapen om in 1930 nog verder terug te vallen tot zeven. Tot 1870 zijn hier vier schaaphouders, daarna drie. In 1834 loopt in Beek en Donks dreven schaapherder Hubertus Clement.
De geit wordt beschouwd als de melkkoe voor de armen. In het laatste deel van de eeuw neemt het aantal spectaculair toe. Niet alleen de kleine boertjes, maar vooral de burgerij gaat over tot aanschaf van dit dier. Dit heeft op zich grote positieve gevolgen voor de gezondheid van de mensen. In 1914 is een brief gericht aan B&W, waarin sprake is van de oprichting van vereniging "Het Platteland" die zich ten doel stelt het geitenras te veredelen. Daarvoor is aangekocht een volbloed Zwitserse “zaane” bok. De vereniging onder voorzitterschap van P.v.d.Elsen vraagt een subsidie van ƒ15,- per jaar. Deze subsidie wordt door de raad toegewezen. Ook voor 1915 wordt dit bedrag voor de geitenfokvereniging uitgetrokken, omdat volgens de raad deze vereniging “werkt in het belang van de burger- en arbeidersstand”. In 1921 loopt hier zelfs een recordaantal van 250 bokken en geiten rond. Daarna neemt dit aantal sterk af.
Zoals eerder opgemerkt zijn bedrijven met weinig grasland zich in de 20ste eeuw gaan richten op de pluimveehouderij. Ook dat tonen de cijfers voor Beek en Donk in onderstaande tabel goed aan. We zien een explosieve toename van het aantal kippen vanaf de laatste 20 jaren van de 19e eeuw. Erg opvallend is dat men in 1916 -de Eerste Wereldoorlog is in volle gang- door gebrek aan voer gedwongen is alle kippen te verkopen!
|
jaar |
aantal kippen |
|
1851 |
544 |
|
1870 |
568 |
|
1880 |
582 |
|
1900 |
3210 |
|
1916 |
0 |
|
1930 |
19181 |
bijenteelt
Er zijn in 1864 21 imkers met 197 korven en dit aantal korven varieert in de loop der tijd sterk. De opbrengst is natuurlijk erg afhankelijk van het weer en in 1870 is een natte herfst en dus een ongunstige vlucht wat voor 263 korven een opbrengst te zien geeft van 3420 kilo honing en 480 kilo was. De prijzen zijn respectievelijk ƒ0,60 en ƒ0,80 per kilo. In 1926 zijn veertien bijenhouders, boeren en burgers, actief met 108 korven, hoofdzakelijk met “vaste bouw”. De grootste houders zijn Petrus Vereijken met 24, Chr.Vereijken met 22 en J.v.d.Boogaard met 14 korven.
Een typisch gewas van de arme zandgronden. De vorm van het boekweitzaad komt sterk overeen met die van beukennootjes, al zijn ze beduidend kleiner, ongeveer 6 mm lang. Het zaad wordt tot meel gemalen hoewel boekweit beslist geen graan is. Boekweit is een 'pseudo-graan'; de zaden, het meel en alle andere afgeleide producten van boekweit bevatten geen gluten. Boekweitmeel bevat veel magnesium, kalium en fosfor. Het is voedzaam en licht verteerbaar. Tot 1880 telen de boeren hier redelijk wat boekweit (tot 91 bunder of hectare), daarna verdwijnt dit gewas geleidelijk van de akkers om plaats te maken voor haver. Dit komt omdat door betere cultuurmaatregelen en bemesting de productie van de andere graangewassen belangrijk stijgt, in tegenstelling tot boekweit waar eerder het tegendeel het geval is. Boekweit houdt van schrale grond.
Van de vlasbouw wordt zowel het lijnzaad als het vlas in de regel verkocht. De zaaitijd voor het lijnzaad is de lente. Na de oogst wordt het tijd gegeven om te drogen, waarna het thuis door de hekel gaat om het van het zaad te ontdoen. Daarna gaat het in de vlasroot (een grote kuil) om gedurende 10 à 14 dagen te ‘roten’. De vlasvezel laat daardoor los van de harde buitenbast. Als het uit de vlasroot komt wordt het gedurende een aantal dagen op het grasveld uitgespreid om te drogen, waarna het thuis de bewerking van het braken kan ondergaan om van alle overtollige bestanddelen ontdaan te worden. Een gedeelte van het vlas wordt gebruikt voor de vervaardiging van eigen linnengoed en kleding, van de hennep wordt door de touwslager het touw vervaardigd dat de boer nodig heeft voor verschillende doeleinden. In Beek en Donk wordt door Anthony Kluitmans rond 1816 en rond 1830 door zowel Antony als Mathijs van Woensel touw geslagen. In ons dorp is de vlasteelt nooit erg groot geweest. Rond 1840 verbouwen de boeren 25 bunder aan vlas om vanaf 1880 van de velden te verdwijnen.
In het midden van de 19de eeuw wordt ruim 60 hectare aan aardappelen, voornamelijk Eigenheimers, verbouwd met een toename tot ruim 100 hectare in 1930. Wanneer de aardappelziekte in 1845 bijna de hele oogst vernietigt duurt het tot 1848 voordat de opbrengst weer redelijk op peil is: 70 bunder levert in dat jaar 75 mud[3] per bunder op. Op het einde van de eeuw worden ook andere rassen dan Eigenheimers geteeld.
Haver (Avena sativa) is een graansoort, die reeds sinds 7000 v.Chr. geteeld wordt. Haver komt oorspronkelijk uit Zuidoost-Europa en Zuidwest-Azië. Rond het midden van de 19e eeuw wordt in Beek en Donk 100 hectare haver verbouwd, om vanaf 1900 geleidelijk toe te nemen van 157 in 1920 tot 218 hectare in 1930. Dit gewas verdrijft de boekweit van de velden. Het woord evene is rechtstreeks van het Latijnse woord avena afgeleid. Evene of schrale haver wordt hier in 1916 nog op 36 bunder verbouwd.
Rogge is het belangrijkste gewas op de zandbedrijven, is betrekkelijk wintervast en kan enige jaren achtereen op dezelfde akker verbouwd worden zonder dat de opbrengsten dalen. Als de rogge is ingezameld worden de stoppels bij de eerste regen omgeploegd en daar spurrie op gezaaid. Wanneer die 5 à 6 duimen lang en in bloei staat worden de melkkoeien daar op getuierd (vastgelegd). Bij een goede herfst geven de koeien vette melk en daarvan maakt men gele en duurzame boter, hoewel enigszins sterk van smaak. De rest van de spurrie wordt geplukt, gekookt en aan het vee gegeven. Enkele akkers van het beste land waarop rogge gestaan heeft, worden direct gemest en herfstknollen in gezaaid, zodat bij ’n zachte winter de koeien goed voedsel hebben. Rogge vraagt veel mest en een goede grondbewerking. De mest uit de potstal is bijna geheel voor het roggeland bestemd.
|
|
1851-60 |
1861-70 |
1871-80 |
1881-84 |
1885 |
|
Tarwe |
11,35 |
10,51 |
11,59 |
9,65 |
7,72 |
|
Rogge |
7,80 |
7,49 |
8,09 |
7,27 |
6,22 |
|
Haver |
4,10 |
4,13 |
4,47 |
4,13 |
4,00 |
|
Boekweit |
7,00 |
7,35 |
7,89 |
7,17 |
6,61 |
|
Aardappelen |
2,54 |
2,41 |
2,80 |
2,33 |
2,00 |
|
|
1851 |
1860 |
|
tarwe |
6,50 |
10,- |
|
rogge |
5,- |
6,50 |
|
boekweit |
4,- |
6,- |
|
haver |
2,- |
3,- |
De boeren hebben altijd te kampen gehad met allerlei ziektes en plagen: gewassen die worden aangetast door kou of hitte en allerlei dierziektes met zware gevolgen voor de bedrijfsvoering. Zomaar een willekeurige greep:
In het jaar 1723 is een langdurige droogte en hitte geweest waardoor “de granen te velde in de aren tot in de voet verzengd zijn, ja, tot in de wortel verbrand waren” aldus het gemeentebestuur; in de nacht van 17 op 18 mei 1724 heeft het gevroren waardoor het koren volledig is bedorven.
In 1774 breekt een rundveeziekte uit. Alle gestorven beesten moeten onmiddellijk met de huid of vel worden begraven en de boeren krijgen voor elke huid of vel 3 gulden en 5 stuivers en voor ieder half beest (bedoeld wordt jonge dieren) ƒ1,- 12 stuivers en 8 penningen. De besmettelijke ziekte neemt zodanige vormen aan, dat de publicatie waarin vermeld staat hoeveel de mensen uitgekeerd krijgen voor de gestorven beesten, wordt ingetrokken. Het zou de gemeente te veel geld hebben gekost!
In de borgemeestersrekening van dat jaar staat vermeld dat de volgende boeren nog wel een schadeloosstelling krijgen en dat in totaal 63 gulden 7 stuivers en 8 penningen is uitgekeerd:
|
boer |
gestorven |
gulden |
stuivers |
penningen |
|
Adriaen van den Bogard |
1 heel beest |
3 |
5 |
0 |
|
Gerit de Meeter |
3 hele, 2 halve |
13 |
0 |
0 |
|
Thomas Ketelaers |
1 heel |
3 |
5 |
0 |
|
Jacobus Hendrik Jacobs |
3 hele, 3 halve |
14 |
12 |
8 |
|
Wed. Jan Peeters |
1 heel, 2 halve |
6 |
10 |
0 |
|
Claes van den Oever |
6 hele, 3 halve |
22 |
15 |
0 |
Burgemeester de Jong schrijft op 28 maart 1817 een brief aan de Gouverneur van de Provincie, de tegenwoordige Commissaris der Koningin, waarin hij meedeelt dat van juni 1816 tot maart 1817 al 135 runderen zijn gestorven en dat er nog meer zullen volgen. Hoe hard de ziekte heeft toegeslagen tonen de volgende cijfers. In 1815 liepen er nog 823 koeien en kalveren bij de boeren, terwijl dit aantal in 1818 gereduceerd is tot 402!
Ter plaatse telen de boeren hoofdzakelijk voor het eigen gezin en het vee en over de landbouwcrisis vanaf 1880 en de gevolgen voor de plaatselijke bevolking is in de notulenboeken van de gemeenteraad niets terug te lezen. Onder de bezielende leiding van burgemeester De Jong verenigen boeren zich in 1893 in de afdeling Beek en Donk der Noord-Brabantsche Maatschappij van Landbouw. Deze vereniging strekt zich over een zeer groot gebied uit: niet alleen boeren uit Beek en Donk, maar ook zijn leden aangesloten uit Aarle-Rixtel, Lieshout, Nuenen, Son, Helmond, Bakel, Gemert, Erp, St. Anthonis, Oploo Sambeek, Beugen en Veghel. Ook hoofdonderwijzer Hamelijnck draagt bij aan de landbouw door lessen te geven, niet alleen overdag aan de kinderen ook in de winterperiode ’s avonds aan de boeren. De opbrengsten stijgen, er zijn besparingen door gezamelijke inkoop van meststoffen en veevoer en de boeren worden zelfbewuster. Dit zelfbewustzijn bij de vereniging is zelfs zo groot dat zij het in 1898 aandurft een landbouwtentoonstelling te organiseren.
De inhuldiging van koningin Wilhelmina én het vijfjarig bestaan van de afdeling Beek en Donk zijn prima aanleidingen voor een luisterrijke viering. Nabij het kasteel wordt een landbouwtentoonstelling georganiseerd. Grote animator hiervan is onze burgemeester en tevens voorzitter van deze landbouwafdeling jonkheer J.O.de Jong. Hij schrijft aan de Commisssaris der Koningin dat door onderlinge samenwerking grote vooruitgang is geboekt op het gebied van veeteelt, zuivelbereiding, landbouwonderwijs en bemesting. Hij vraagt twee zilveren medailles met de beeltenis van de koningin voor de prijswinnaars en of de Commisssaris deze komt uitreiken. De Commissaris antwoordt dat hij helaas niet aanwezig kan zijn, wel schenkt hij ƒ10,- voor een vergulde zilveren medaille. Ook de gemeenteraad doet een duit in het zakje en schenkt ƒ100,-. Daarnaast wordt een collecte gehouden onder de bevolking.
| Voorzijde Catalogus landbouwtentoonstelling 1898 |
In de catalogus die voor deze
gelegenheid wordt gedrukt staat het programma vermeld. Op woensdag 14 september
1898, de dag na de kermis, is om elf uur de opening door de voorzitter, gevolgd
door het volkslied en openingsmars door de harmonie. Vanaf twaalf uur volgen de
keuringen der paarden en ander vee, bijenkorven en gereedschappen, dat de dag
erna doorgaat. Harmonie “Oefening en Uitspanning” verzorgt op donderdag van 2 tot 4 uur een
uitvoering waarna wordt overgegaan tot de
prijsuitreiking.
De toegang is op woensdag ƒ0,40 en op donderdag ƒ0,25 terwijl de leden van de
landbouwafdeling gratis naar binnen mogen.
Deelnemers zijn bijna allemaal mensen uit de directe omgeving. Jonkheer de Jong zelf brengt het nodige in: een fokmerrie buiten mededinging, ’n zwartbonte melkkoe, drie fokvaarzen waarvan eentje van 15 maanden met Palestijn V als vader en een andere, zwartbonte van 3 jaar “om te doen zien welke invloed een goede stier en goede verzorging ter verbetering van de veestapel kunnen uitoefenen”. Ook lopen van hem een geit van het Zwitserse en eentje van het inlandse ras rond. De jonker levert bovendien haver van de rassen reuzentros en Probstei, zeven aardappelrassen die besproeid zijn met Bordeausche pap[5] en twee onbesproeide rassen. Hij stelt vijf soorten mangelwortelen tentoon. Hij zet een overhoeksche bijenkorf en een Dadans bijenkorf neer. U ziet een geweldig gastheer die het goede voorbeeld geeft. Voor de geïnteresseerde naar de verschillende oude rassen, zie deze voetnoot.[6]
Plaatsgenoot J.Dekkers laat César, een donkerbruine 9-jarige dekhengst en Apollo, een 2½‑jarige voshengst opdraven. Leraar van de winterlandbouwcursus, A.F.Hamelijnck levert zeven grassoorten.[7] En smid J.v.Vlerken levert gaffels, rieken enz.
Volgens het blad Nieuws van de Week zijn behalve door betalenden ook 1400 niet‑betalenden, allen leden van de verenigingen of hun huisgenoten, de tentoonstelling komen bezoeken. Door 291 leden wordt deelgenomen “aan de gratis loterij zonder nieten” (zonder nieten: je wint altijd een prijs). Ook het weer laat zich van de goede kant zien: op beide dagen is het heet. Er worden in maar liefst 32 categorieën prijzen vergeven, soms voor de leek vreemde zoals stieren met brede tanden, beren van het inlandse ras en best bijgehouden melklijsten. Zo krijgt landbouwer H.Verhoeven uit Gemert de medaille beschikbaar gesteld door de CvK voor zijn blauwbonte stier. De plaatselijke winnaars zijn:
|
Categorie |
Plaatselijke prijswinnaar |
|
hengsten |
J. Dekkers met Cesar |
|
kalfkoeien |
J.Vermeulen, met een 3e prijs voor de jonker |
|
fokvaarzen met brede tanden |
F.Vereijken |
|
fokvaarzen zonder brede tanden |
J.Vermeulen |
|
beren, inlands ras |
geen 1ste prijs, wel 2e prijs A.Smits |
|
biggen |
G.Wagemans |
|
geiten |
Jhr. de Jong |
|
bokken |
P.v.Leuken |
|
schapen |
P.Kanters |
|
boekweit |
M.v.d.Leemputten |
|
aardappelen[8] |
M.v.d.Leemputten |
|
mangelwortelen |
Jhr.de Jong met 5 soorten |
|
collectie landbouwgewassen |
F.Slits |
|
verzamelingen gewassen van leerlingen van de landbouwcursus |
K.v.d.Leemputten |
|
best bijgehouden melklijsten |
K.v.d.Leemputten |
|
bijen |
M.v.Dommelen |
Bronnen:
Ir.
A.H.Crijns en prof. dr. F.W.J. Kriellaars; Gemengd landbouwbedrijf op de
zandgronden in Noord-Brabant 1800-1885, Bijdragen tot de geschiedenis van het
Zuiden van Nederland, nummer 72
Bernard van Dam; Oud-Brabants Dorpsleven,
Wonen en werken op het Brabantse platteland
RCH Eindhoven:
- Oud Rechterlijk Archief
nummer 68
- Borgemeestersrekening
12-79, 12-81
- Jaarverslagen van de
gemeente
- S.de Graaff; Historisch-statistische
beschrijving van het Koninkrijk Holland: Departement Braband (met tabellen),
Amsterdam 1807
BHIC Den Bosch:
- Toegangsnummer 17, inventarisnummer
4757: Ongeagendeerde brieven
- Toegangsnummer 1142, inventarisnummer
8A3: Statistisch tafereel der Provincie Braband
- Toegangsnummer 129,
inventarisnummer 8: Commissie van Landbouw in Departement Brabant, 1805-181
Bibliotheek Helmond:
- Microfiches Nieuws van de Week, 5
oktober 1898 met prijswinnaars landbouwtentoonstelling
- Microfiches Zuid
Willemsvaart 1909
[1] Spurrie is een eenjarige plant die groeit op arme zandgrond en dient als veevoer.
[2] Broekgronden zijn woeste grazige stukken land, die nooit in cultuur zijn gebracht. Ze zijn laaggelegen, meestal bij een beek of rivier en de ontwatering laat veel of alles te wensen over. Ze staan in de winter en bij veel regenval in de zomer goeddeels onder water.
[3] 1 mud is 100 liter.
[4] 1 vim is 100 garven of bossen
[5] Bodeausche pap: deze doet in 1892 zijn intrede en is een bestrijdingsrniddel tegen Phytophtora, een schimmelziekte die aardappelen aantast, later ook toegepast bij tomatenteelt omdat ze allebei tot de familie der Nachtschaden behoren. De Bordeausche pap of Boulli bordilaise wordt gemaakt door kopersulfaat bij een kalkoplossing te voegen en niet andersom. Zoals men met een ezelsbruggetje tracht te onthouden: "Kobus gaat naar Kaatje" en niet omgekeerd.
[6] aardappelen: de rassen Jaune d’or, roodborstjes, zaaiers, blauwe hapkes, Eigenheimers, Richters Imperator, Bleek Roode Arnhemers en ook niet besproeide Bleek Roode Arnhemers en Witte geeltjes.
mangelwortelen: de rassen De Vauriac, Golden Tancard, mammouth, Jaune ovoide des Barres en Erfürter model.
[7] grassen: hoog zwenkgras, beemdlang bloem, kropaar, vossenstaart, Engelsch raijgras, Italiaans raijgras en Timothé gras.
[8] M.v.d.Leemputten met de aardappelrassen: Blauwputjes, rimpels of roode muisjes, Eigenheimers, Gloria, Roosjes, Richter Imperator, Gewoone roode, Beekerheische roode, Platte witte, Sachsers, Malthesers, Groote witte.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten