Geschiedenis

woensdag 8 maart 2023

Het Boerenleven in Beek en Donk

Een eerdere uitgave van D'n Tesnuzzik was gewijd aan een virtuele rondleiding die Antoinette Huijbers maakte over het erf van een Beek en Donks boerengezin in de Middeleeuwen. Door deze fraaie beschrijving kregen we een goed beeld hoe een boerderij met erf er uitzag. Dit artikel sluit hier aardig op aan en richt zich op het boerenleven in ons dorp met de nadruk op de 19e eeuw. Aan de hand van gegevens over gewasteelt en veetellingen in opdracht van het Provinciaal- en gemeentebestuur krijgen we een indruk hoe de overgrote meerderheid van onze inwoners leefde. Deze gegevens zijn terug te vinden in tal van archiefstukken van Beek en Donk in het Regionaal Historisch Centrum in Eindhoven, of in Den Bosch bij het BHIC.
 
Meierij

Maar eerst een grove schets over de Meierij in de periode 1600-1800, waarin ook Beek en Donk valt. De provinciale commissie van landbouw geeft een goed beeld hoe de boer in deze streek leeft, wat hij bezit en zelfs wat ie eet. Zeer interessante lectuur, waaruit ik graag enkele fragmenten overneem. Maar vergeef mij het eenzijdige mannelijke beeld. De schrijver van dit provinciaal stuk heeft het alleen over de boer, niet over de boerin of over de kinderen!
 
De grootste armoede in de Meierij is van begin 17e eeuw tot 1740. De granen, vee en boter zijn zo laag in prijs dat de boeren hun lasten niet meer kunnen betalen, waardoor duizenden morgen (hectares) bij executie worden verkocht of braak blijven liggen. Na 1740 stijgen de prijzen voor vee en boter. De oorlog van 1747 zorgt ervoor dat Hannoverse en andere troepen in de Meierij gelegerd zijn. Zij betalen contant en goed en er komt geld bij de boeren en burgerij. Zodoende kunnen de “deserte” (verlaten) landerijen weer in cultuur worden gebracht.

Toch heeft de boer niet veel bezittingen. Het interieur van de boerenwoning bestaat uit niet veel meer dan zes rechte stoelen met de tafel, een bed met slechte veren, de overige bedden zijn grove linnen zakken gevuld met kaf. De dekens zijn meestal gemaakt van vlasafval en als touw in elkaar gedraaid doch wat losser en dat op grof garen ingeslagen. Dat noemt de boer drommeldekens en zijn wat dikker en zij lijken veel op de grove zakken van de wol die uit Spanje komt. Een paar ijzeren potten, een of twee koperen ketels en een theepot, een grote boer heeft nog enkele tinnen schotels. Hij bezit nooit meer linnen dan hij volstrekt nodig heeft. Tafellakens en servetten kent hij niet en voeg hier nog enige potten en pannen van grof aardewerk en voor elk een tinnen lepel en stalen vork bij, dan heeft men het gewone boeren huisraad.
 
Zijn kleding is ook niet veel meer dan wat hij draagt. Buiten een zogenaamd zondags pak is zijn buis van grof linnen waarop wol is ingeslagen en “tierenteij” (tieretiene, Frans tiretaine; naam van een stof, half wol half garen) wordt genoemd; de broeken zijn meest van grof linnen. Kousen draagt hij op zondag maar op werkdagen altijd grijs of blauw geverfde linnen lappen zonder voeten die onder en boven om ’t been met touwtjes worden vast gemaakt. In de houtblokken of klompen wat hooi of stro waardoor zij minder koude voeten krijgen dan de stedelingen met hun twee paar wollen of sajette (tot garen gesponnen wol) kousen.

Zijn eten is eenzijdig en slecht. ’s Morgens heeft de boer gewoonlijk thee of boekweit pap met ’n boterham van roggebrood. ‘s Middags aardappelen met wortelen, rapen of kool gekookt met varkensvet of reuzel. Met daarbij ’n bak gekarnde melk met daarin brokken roggebrood. De aardappel is het hele jaar de hoofdschotel met ’n saus van wat gekarnde melk met boter of olie, met daarbij een bak met melk en brood. Twee tot drie keer per week krijgt ieder ’n stukje spek. Rund of ander vlees komt er buiten de kermis slechts zelden in huis. Tijdens de oogsttijd of als er werkvolk is, bakt men ’s middags dikwijls een boekweit pannenkoek met olie of enige stukjes spek, dat wordt dan “spekstruif” genoemd. Bier komt zelden in huis. ’s Avonds weer een schotel aardappelen met wat saus en ’n bak melk of pap toe.
 
Tot slot een weinig vlijend citaat over de boer, neergepend door de provinciale schrijver:
“Daar is geen land bekend daar men met zoveel vlijt, zorg en moeite de koebeesten en paarden oppast als de Meijerij. Is er een koe of paard ziek den boer loopt aanstonds na den veedoctor, dog is zijn vrouw of kint ziek men wagt daar ordinair zo lang mede tot het te laat is.”
 
Laten we vlug overschakelen naar de Beek en Donkse situatie. Als ik schrijf over de boer heb ik het over het beroep van boer of over het boerengezin
 
Inwoners
In het jaar 1803 wonen er in Beek en Donk 1063 inwoners in 224 huizen, wat neerkomt op 4,7 bewoner per huis. De overgrote meerderheid is (keuter)boer die wat land bewerkt en ‘n paar stuks vee heeft. Er zijn nog geen fabrieken, enkel ‘n bakker, kleermaker, timmerman, strodekker, smid en brouwer, bijna altijd eenmansbedrijfjes en vaak ook met ’n koetje erbij in de wei. In honderd jaar tijd gebeurt het een en ander. In 1900 is het inwoneraantal in Beek en Donk toegenomen tot 1779. Er is de nodige bedrijvigheid zoals onder meer de zuivelfabriek met vier mannelijke werknemers, schoenmakers en klompenmakerijen, drie bierbrouwerijen en drie smederijen, de nodige bakkers, timmerwinkels, en Jaspers garenblekerij en -ververij met 25 werknemers. En natuurlijk de fabriek van P.v.Thiel & Zonen waar dan 179 mensen werken.
 
In dat jaar 1900 zijn er nog 138 boeren die eigenaar zijn of pachten. Twaalf jaar eerder, in 1888, zijn er nog 162 boeren die hun boterham verdienen op ‘n lapje grond van minder dan 10 hectares. Percelen groter dan 10 hectares komen hier dan nog niet voor, dat is pas voor het eerst in het jaar 1893. In onderstaande tabel van het jaar 1900 is een uitsplitsing gemaakt van de boeren met het aantal hectare waarover ze beschikken.

 

1900
aantal hectare
1-5
5-10
10-15
eigenaar
47
46
3
pachter
23
16
3

Op die kleine lapjes grond wordt van alles geteeld. Het is opmerkelijk dat er in het zandgebied van Noord-Brabant zoveel verschillende gewassen worden verbouwd. Dat hangt samen met de mate van zelfvoorziening van het gezin en de verzorging van het vee met in hoofdzaak producten van eigen bodem. In Beek en Donk telen de boeren in 1842 nog op grote schaal tien gewassen: rogge, gerst, haver, erwten, aardappelen, vlas, zomer- en winterkoolzaad, boekweit en spurrie[1]. Het vee mag tegen betaling op de geme(e)ne gronden weiden. Zo zijn er in 1849 159 veehouders die 382 koeien en kalveren en 77 paarden laten grazen, waarvoor zij per paard en koe ƒ0,80 en voor een kalf ƒ0,40 betalen. Deze gronden worden ook gebruikt voor het steken van plaggen die nodig zijn voor de mestbereiding in de stal. In het jaar 1851 kost bouwland ƒ405,40 per bunder en weiland ƒ245,- en de huur is ƒ20,27 per bunder bouwland en ƒ12,29 voor weiland.
 
De boeren moeten keihard werken voor een schamel bestaan. Kinderarbeid komt bijna overal voor, zo ook hier. Boerenzonen en -dochters moeten allerlei klusjes doen en in de oogstperiode moeten ook zij de handen flink uit de mouwen steken en zijn van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in touw. Zij worden dan van school gehouden en dat is af te leiden uit de leerlingenopgaven van de onderwijzers. Deze moeten op de peildata 15 januari en 15 juli aan het gemeentebestuur opgeven hoeveel leerlingen zij in hun klassen hebben. In de winterperiode is het aantal leerlingen altijd groter dan in de zomer. Zo zijn in het jaar 1851 in juli 42 van de 102 jongens niet aanwezig en bij de meisjes 43 van de 88. De rest is dus allemaal in of rond de boerderij bezig. Vanaf 1880 verandert dit en gaan de leerlingen voortaan het hele jaar door naar school. Op het einde van de 19e eeuw wordt door de beide hoofdonderwijzers en in het bijzonder door A.F.Hamelijnck landbouwonderwijs aan de kinderen gegeven en wordt het schoolverzuim sterk terug gedrongen. In het volgend staatje heb ik enkele schoolcijfers verwerkt. Het zijn de percentages aanwezige leerlingen op 15 juli ten opzichte van 15 januari. Je ziet dat vóór 1860 een derde van de jongens in de zomer niet naar school gaat en bij de meisjes is het getal nog groter, bijna vier van de tien.

 

Aanwezig percentage

jaar

jongens

meisjes

tot 1860

67

62

1861-1880

86

88

vanaf 1881

100

100

 
Mest
Kunstmest is in vroeger tijden onbekend en zo is de potstal eeuwenlang de plaats geweest waar de mest gehaald moet worden voor het bouw- en weiland. Het vee blijft gedurende de winter op stal en moet op stal gevoerd worden. Er is een kringloop op het boerenbedrijf dat als het ware vast zit in een vicieuze cirkel: hoe meer de boer teelt, des te meer voer heeft hij en des te meer vee hij kan houden; hoe meer vee hij houdt, des te meer mest hij kan maken en hoe meer mest er ter beschikking is, des te meer hij kan telen. In het begin van de winter wordt, zolang de voorraad strekt en de vorst het plukken niet belet, groenvoer verstrekt, 2-3 keer per dag een sop toegediend en indien nodig nog hooi en haverstro bijgevoerd. Dit alles wordt door het vee in vaste of vloeibare mest omgezet en door deze mest met andere grondproducten te mengen wordt de stalmest verkregen, de enige mest dat vóór de jaren tachtig van de 19e eeuw beschikbaar is. De beesten staan meestentijds op de stal en moeten een zo droog mogelijke ligging hebben; ze moeten dagelijks gestrooid worden met roggestro. Maar dit is op geen enkel bedrijf in voldoende mate aanwezig en moet dus met ander materiaal worden aangevuld. De boeren steken plaggen en men gaat krabben: het verzamelen van vergane bladeren, afgestorven onkruid onder heggen, in droge sloten, op walkanten, in bossen en zelfs dikke dennennaalden wordt hiervoor gebruikt. Hier in Beek en Donk wordt vaak op de wegen in het dorp gekrabd. Steeds komt er een nieuwe droge laag onder de koeien te liggen wat inhoudt dat de koeien steeds hoger komen te staan in de stal, omdat de mest zich onder hen opstapelt. Als het weer in het voorjaar het toelaat gaat de boer deze verzamelen en op het land uitrijden. Zo vermeldt de gemeente in 1890 dat er dan 150 boerderijen zijn waar de mest onder het vee bewaard wordt en waar dus geen mestvaalt is. Rond 1880 komt kunstmest en guano, vogelmest uit Peru, met hoge concentraties kalium, stikstof en fosfaten. Daarnaast komen ook andere kunstmestproducten in de handel en in 1896 verbruiken 128 Beek en Donkse boeren, naast 43 baaltjes guano en 56 baaltjes grasmest, ook 29.500 kg Chilisalpeter, 52.000 kg superfosfaat, 60.000 kg kaïniet (een mineraal zout) en 60.000 kg Thomasslakken (nevenproduct van de staalbereiding) op 495 ha bouwland en 400 ha grasland. Ook alom bekend is het vervoer per schuit van beer (fecaliën) uit de stad Den Bosch, waar we nu nog de naam De Beerput aan te danken hebben. In dat jaar leggen daar nog 3 schuiten van 25 ton elk aan en de kosten zijn 40 cent per honderd liter. Ook dat wordt over de landerijen uitgespreid ter verbetering van de teelt. Opgemerkt dient te worden dat het aantal schuiten met beer verminderde met de toename van de kunstmest, met het grootste aantal in het jaar 1887 van 24 schuiten. Vanaf 1897 is volgens de gegevens geen beer meer vervoerd.
 
Vee
Uit diverse overzichten valt te achterhalen hoeveel vee er bij de boer rondloopt. Over het algemeen heeft de boer maar ’n paar koeien, een paard of trekos voor vervoer van mest en voor de landbewerking, een varken voor het vlees en bij sommigen liepen enkele schapen. Ook is er wat bijenteelt.
 
paarden
Niet iedere boer heeft een paard. Zo zijn er in 1811 maar 64 paarden, in 1815 106 van drie jaar of ouder en halverwege die eeuw ligt het aantal rond 80, om daarna toe te nemen. Ook worden hier trekossen ingezet voor het zware werk. In 1815 zijn dat er 24 en in 1882 zijn het er nog maar zeven. Het zijn trouwens niet alleen boeren die paarden bezitten, ook herbergier Jan Bongers bezit er in 1849 eentje, evenals koopman / herbergier Andries Ledant en brouwer Van Will. Volgens een tellijst uit 1695 zijn er in dat jaar 247 paarden, in vergelijking met latere jaren een enorm aantal. Ongetwijfeld zijn er veel bestemd voor de verkoop aan de militaire legers.
 
koeien
De koeien worden 2-3 keer per dag bijgevoerd met sop: lauw kooksel van aardappelen, knollen met de bladeren, witte of gele wortelen, koolbladeren, spurrie, kaf of in het voorjaar afgesneden rogge, die daartoe vroeg gezaaid wordt, distels, brandnetels, mier, kweken (in het wild groeiend onkruid, ook kruipende tarwe genoemd), in de zomer jonge klaver, mals gras en al het groenvoer dat zij in de hof of op de akker voorhanden hebben. Dit alles wordt eerst gewassen, klein gehakt en daarbij wordt de overgebleven karnemelk, raap of lijnkoek, nat meel van rogge, haver of boekweit en spurriezaad gedaan en gekookt.
Koeien zijn voornamelijk bestemd voor de mestproductie, de melkproductie komt pas later echt op gang. Boerderijen met 6 à 7 koeien worden in Oost-Brabant tot de grote bedrijven gerekend. De meeste boeren in het jaar 1803 hebben 2 tot 3 koeien; het “rijkste” boerengezin is dat van Johannes Jan van de Ven. Hij woont op de “Heijde” en heeft acht koeien. In totaal zijn er in 1803 456 koeien en 58 kalveren. Door de jaren heen is het aantal koeien in het dorp vrij stabiel tot op het einde van de eeuw. Dan stijgt het aantal door meer voedergewassen vanwege betere teelttechnieken en de introductie van kunstmest. Pas in 1890 zijn er 15 van de 109 boeren die eigenaar zijn en 1 van de 53 pachters die zes of meer koeien hebben.
Ook burgemeester tevens gemeentesecretaris en notaris, Cornelis van Kemenade, heeft in 1849 ’n koetje rondlopen. Evenals de eerder genoemde Andries Ledant, herbergier aan de Heuvel, en touwslager Mathijs van Woensel. De grootste boer is in dat jaar Wilhelmus Renders met acht koeien. Ook heeft hij een springstier, waarmee hij wat geld bijverdient. In 1930 zijn M.Leenders met 20 hectare eigen land en A.v.Rijswijk met 11 ha. gepacht land de grootste boeren in het dorp met ieder negen melkkoeien. Van Rijswijk pacht van het kasteel en woont aan de Kasteellaan.

 

Melk wordt op de boerderij tot boter gekarnd en de boter die over is voor eigen gebruik wordt door de boerin in de dorpswinkel tegen andere spullen geruild of zij gaat ermee naar de botermarkt in Gemert. In 1894 start de coöperatieve stoomzuivelfabriek die vier mannen in dienst heeft. Vier jaar later, in 1898, leveren de boeren al 2.171.519 liter melk af bij de melkfabriek en daarvan wordt 70.362 kg boter gemaakt, ofwel 31 liter melk geeft 1 kilo boter. Tegenwoordig wordt van 25 liter melk 1 kilo boter gemaakt. Een leuk weetje is het volgende: in 1886 richt C.J.G.Keunen in de voormalige klompenfabriek Java een kunstboterfabriek op met de welluidende “Nederlandse” naam: Provincial Dairy Company Kounen (sic) en Co Limited. Er zijn dan meteen 14 mannen en 3 jongens in dienst. De fabriek draait tot en met 1888, waarbij verdere gegevens over productiemethoden ontbreken. Er is weinig omzet volgens B&W. Wel is bekend dat kunstboter of margarine niet van melk wordt gemaakt.
 
 
varkens
Varkens spelen in de 19e eeuw bijna geen rol van betekenis. Op elke boerderij scharrelen een of twee varkens rond, waarvan in het najaar er eentje op de leer geslacht wordt voor eigen gebruik en een goed stuk gaat naar de pastoor. Zo lopen er in 1815 bij de boeren in totaal maar 90 varkens rond. Voltijd slagers zijn er dan nog niet en in 1817 wordt dit werkje gedaan door veldwachter, tevens slachter, Matthijs van de Weijenberg. Eerder hanteren ook Jan van Woensel en Hendrik van Kuijk als bijverdienste het slachtmes. Opvallend is dat bedrijven met weinig grasland en minder rundvee zich in de 20ste eeuw het sterkst zijn gaan richten op de varkens- en pluimveehouderij, wat duidelijk in de tabel te zien is.
 

jaar

aantal varkens

1851

219

1870

183

1880

182

1900

443

1930

806


schapen
Schapenhouderij is in ons dorp nooit erg groot geweest. Lopen er in 1811 nog 213 voornamelijk heideschapen en 152 lammeren op onze gronden, in 1851 is dit aantal gereduceerd tot 120 schapen om in 1930 nog verder terug te vallen tot zeven. Tot 1870 zijn hier vier schaaphouders, daarna drie. In 1834 loopt in Beek en Donks dreven schaapherder Hubertus Clement.
 
geiten
De geit wordt beschouwd als de melkkoe voor de armen. In het laatste deel van de eeuw neemt het aantal spectaculair toe. Niet alleen de kleine boertjes, maar vooral de burgerij gaat over tot aanschaf van dit dier. Dit heeft op zich grote positieve gevolgen voor de gezondheid van de mensen. In 1914 is een brief gericht aan B&W, waarin sprake is van de oprichting van vereniging "Het Platteland" die zich ten doel stelt het geitenras te veredelen. Daarvoor is aangekocht een volbloed Zwitserse “zaane” bok. De vereniging onder voorzitterschap van P.v.d.Elsen vraagt een subsidie van ƒ15,- per jaar. Deze subsidie wordt door de raad toegewezen. Ook voor 1915 wordt dit bedrag voor de geitenfokvereniging uitgetrokken, omdat volgens de raad deze vereniging “werkt in het belang van de burger- en arbeidersstand”. In 1921 loopt hier zelfs een recordaantal van 250 bokken en geiten rond. Daarna neemt dit aantal sterk af.


kippen en ganzen
Vanuit Aarle-Rixtel, Beek en Donk en Lieshout worden jonge kuikens en ganzen met honderden stuks wekelijks naar Holland gezonden. De ganzen, die zeer gewild zijn om hun vlees, speciaal de lever, en de donsveren worden op de gebroektes[2] gehouden. Ze vernielen de gemene weiden en plukken veel grasstronken uit. Mesters van vroege kuikens zijn veelal arme boertjes uit die dorpen, stellen Ir. A.H.Crijns en prof. dr. F.W.J. Kriellaars. Dit klopt voor Beek en Donk maar gedeeltelijk. Ganzen worden hier alleen nog in de eerste jaren van de 19e eeuw gehouden, de term ganzenmelker heeft dus eigenlijk betrekking op de tijd vóór 1800. In 1818 zijn er acht boeren die in totaal 184 ganzen hebben: Antonie Verbruggen heeft er 22 (Broekkant), Hendrik Verbruggen 38 (Broekkant), Jan Vereijken 49 (Broekkant), Joseph de Bruin 3 (woonomgeving onbekend), Johannes Kanters 20 (Hoge Broekkant), Antonie Verhallen 20 (Lage Broekkant), de weduwe van Antonie Verbakel 16 (Leek) en de weduwe van Leendert van der Aa heeft aan de Everbest 16 ganzen. Wel klopt het dat zij bijna allen te traceren zijn in Beek en Donks “natte” gebied. In 1819 zijn er 12 personen met 254 en in 1820 nog maar 6 met 134 ganzen. Daarvan is Jan Vereijken de grootste met 50 exemplaren en in 1821 zijn hier geen ganzen meer geregistreerd.


Zoals eerder opgemerkt zijn bedrijven met weinig grasland zich in de 20ste eeuw gaan richten op de pluimveehouderij. Ook dat tonen de cijfers voor Beek en Donk in onderstaande tabel goed aan. We zien een explosieve toename van het aantal kippen vanaf de laatste 20 jaren van de 19e eeuw. Erg opvallend is dat men in 1916 -de Eerste Wereldoorlog is in volle gang- door gebrek aan voer gedwongen is alle kippen te verkopen!

jaar

aantal kippen

1851

544

1870

568

1880

582

1900

3210

1916

0

1930

19181


bijenteelt
Er zijn in 1864 21 imkers met 197 korven en dit aantal korven varieert in de loop der tijd sterk. De opbrengst is natuurlijk erg afhankelijk van het weer en in 1870 is een natte herfst en dus een ongunstige vlucht wat voor 263 korven een opbrengst te zien geeft van 3420 kilo honing en 480 kilo was. De prijzen zijn respectievelijk ƒ0,60 en ƒ0,80 per kilo. In 1926 zijn veertien bijenhouders, boeren en burgers, actief met 108 korven, hoofdzakelijk met “vaste bouw”. De grootste houders zijn Petrus Vereijken met 24, Chr.Vereijken met 22 en J.v.d.Boogaard met 14 korven.
 
Gewasteelt
Boekweit
Een typisch gewas van de arme zandgronden. De vorm van het boekweitzaad komt sterk overeen met die van beukennootjes, al zijn ze beduidend kleiner, ongeveer 6 mm lang. Het zaad wordt tot meel gemalen hoewel boekweit beslist geen graan is. Boekweit is een 'pseudo-graan'; de zaden, het meel en alle andere afgeleide producten van boekweit bevatten geen gluten. Boekweitmeel bevat veel magnesium, kalium en fosfor. Het is voedzaam en licht verteerbaar. Tot 1880 telen de boeren hier redelijk wat boekweit (tot 91 bunder of hectare), daarna verdwijnt dit gewas geleidelijk van de akkers om plaats te maken voor haver. Dit komt omdat door betere cultuurmaatregelen en bemesting de productie van de andere graangewassen belangrijk stijgt, in tegenstelling tot boekweit waar eerder het tegendeel het geval is. Boekweit houdt van schrale grond.
 
Vlas
Van de vlasbouw wordt zowel het lijnzaad als het vlas in de regel verkocht. De zaaitijd voor het lijnzaad is de lente. Na de oogst wordt het tijd gegeven om te drogen, waarna het thuis door de hekel gaat om het van het zaad te ontdoen. Daarna gaat het in de vlasroot (een grote kuil) om gedurende 10 à 14 dagen te ‘roten’. De vlasvezel laat daardoor los van de harde buitenbast. Als het uit de vlasroot komt wordt het gedurende een aantal dagen op het grasveld uitgespreid om te drogen, waarna het thuis de bewerking van het braken kan ondergaan om van alle overtollige bestanddelen ontdaan te worden. Een gedeelte van het vlas wordt gebruikt voor de vervaardiging van eigen linnengoed en kleding, van de hennep wordt door de touwslager het touw vervaardigd dat de boer nodig heeft voor verschillende doeleinden. In Beek en Donk wordt door Anthony Kluitmans rond 1816 en rond 1830 door zowel Antony als Mathijs van Woensel touw geslagen. In ons dorp is de vlasteelt nooit erg groot geweest. Rond 1840 verbouwen de boeren 25 bunder aan vlas om vanaf 1880 van de velden te verdwijnen.
 
aardappelteelt
In het midden van de 19de eeuw wordt ruim 60 hectare aan aardappelen, voornamelijk Eigenheimers, verbouwd met een toename tot ruim 100 hectare in 1930. Wanneer de aardappelziekte in 1845 bijna de hele oogst vernietigt duurt het tot 1848 voordat de opbrengst weer redelijk op peil is: 70 bunder levert in dat jaar 75 mud[3] per bunder op. Op het einde van de eeuw worden ook andere rassen dan Eigenheimers geteeld.
 
haver
Haver (Avena sativa) is een graansoort, die reeds sinds 7000 v.Chr. geteeld wordt. Haver komt oorspronkelijk uit Zuidoost-Europa en Zuidwest-Azië. Rond het midden van de 19e eeuw wordt in Beek en Donk 100 hectare haver verbouwd, om vanaf 1900 geleidelijk toe te nemen van 157 in 1920 tot 218 hectare in 1930. Dit gewas verdrijft de boekweit van de velden. Het woord evene is rechtstreeks van het Latijnse woord avena afgeleid. Evene of schrale haver wordt hier in 1916 nog op 36 bunder verbouwd.
 
winterrogge
Rogge is het belangrijkste gewas op de zandbedrijven, is betrekkelijk wintervast en kan enige jaren achtereen op dezelfde akker verbouwd worden zonder dat de opbrengsten dalen. Als de rogge is ingezameld worden de stoppels bij de eerste regen omgeploegd en daar spurrie op gezaaid. Wanneer die 5 à 6 duimen lang en in bloei staat worden de melkkoeien daar op getuierd (vastgelegd). Bij een goede herfst geven de koeien vette melk en daarvan maakt men gele en duurzame boter, hoewel enigszins sterk van smaak. De rest van de spurrie wordt geplukt, gekookt en aan het vee gegeven. Enkele akkers van het beste land waarop rogge gestaan heeft, worden direct gemest en herfstknollen in gezaaid, zodat bij ’n zachte winter de koeien goed voedsel hebben. Rogge vraagt veel mest en een goede grondbewerking. De mest uit de potstal is bijna geheel voor het roggeland bestemd.
Rogge levert de grondstof voor het dagelijks brood; tarwebrood is alleen voor de gefortuneerden, al zal het op kermis- en hoogtijdagen ook wel eens bij de boerengezinnen op tafel komen. Rogge is ook een uitstekend voer voor het mesten van varkens. Het gewas levert veel en lang stro op voor veevoeding, dakbedekking, strooisel in de stal en als bedstro. Ook Huijbers spreekt in haar artikel over het afdekken van het dak met roggestro. In de Beek en Donkse borgemeestersrekening is hiervoor “bewijs” te vinden: in 1775/1776 wordt het dak van het schoolmeesterhuis voorzien van nieuw stro: 1 vim[4] stro kost 2 gulden en 10 stuivers, voor roeden en banden wordt zeven stuivers betaald, de strodekker krijgt 14 stuivers loon en de opperman krijgt 10 stuivers.
In 1843 staat in het notulenboek van B&W vermeld dat roggebrood ons dagelijks voedsel is. In dat jaar wordt een “plaatselijke verordening omtrent het bereiden en verkoopen van roggebrood in de gemeente Beek en Donk" in de raad besproken en goedgekeurd; hele broden moeten zes pond, ‘n halve drie pond en een kwart brood anderhalf pond wegen; het moet van zuiver gemalen roggemeel zijn, zoals het van de molen komt, onuitgezift en ongebuild. Bij elke overtreding geldt een boete van ƒ6,- en bij herhaling ƒ12,- of bij onvermogen een gevangenisstraf van 3 dagen.
 
Verschuivingen
Als we kijken naar de veranderingen in de gewasteelt tussen 1850 en 1930 zien we een flinke verschuiving. Wordt in 1850 nog 90 hectare boekweit en 11 hectare spurrie geteeld, in 1930 zijn deze gewassen van de Beek en Donkse gronden verdwenen. Ervoor in de plaats komen enkele hectares met mangelwortelen (23 ha.) en 14 ha. koolrapen. En een flinke toename van de verbouw van haver. In onderstaande grafiek zie je de belangrijkste gewassen die hier geteeld worden, uitgedrukt in het percentage van het totale landbouwarsenaal in 1850 en in 1930.
 

Vanaf 1850 legt de landbouwscheikunde de basis voor de wetenschappelijke landbouw ten koste van de traditionele. Het gebruik van kunstmest betekent dat de boer minder afhankelijk is van de veestapel als mestbereider en hij kan daardoor de aandacht richten op de veestapel als inkomstenbron door melkwinning en vleesproductie. Het opstallen van het vee in de zomer kan verdwijnen. Grootschalige ontginningen kunnen worden uitgevoerd want de mest is niet langer de beperkende factor. Toch zijn de kennis en inzicht van de boer en het vasthouden aan overgeleverde traditionele waarden de beperkende factor. De vernieuwing in de landbouw is niet mogelijk zonder onderwijs, onderzoek en voorlichting. Ook hier wordt geëxperimenteerd met nieuwe methoden. In 1893 wordt een proefveld van 1 hectare in het Donksche Broek verdeeld in tien vakken met verschillende bemesting; in 1894 wordt 12 vat zaaihaver voor een nieuw aangelegd perceel in het Donksche Broek door de gemeente aangekocht en in 1895 wordt door B&W besloten een der lokalen van de Beekse school met vuur en licht beschikbaar te stellen voor het houden van een wintercursus landbouw tijdens de avonduren. Ook Beek en Donk gaat mee in de vaart der volkeren.
 
Het derde kwart van de 19de eeuw is een bloeitijd voor de Nederlandse landbouw. Vanaf 1850 neemt de vraag naar landbouw- en veeteeltproducten in het buitenland voortdurend toe, vooral vanuit Engeland en wat later ook vanuit Duitsland. Op de zandgebieden is wel vooruitgang maar deze gaat langzamer en geleidelijker. Vrij snel daarna volgt een crisis waarin de prijzen gaan dalen. Rond 1880 dalen de graanprijzen met de tarwe voorop. Later volgen ook de veeteeltproducten maar de crisis duurt voor de akkerbouwers langer dan voor de veehouders. Hieronder staan de marktprijzen van Arnhem, in guldens per hectoliter :

 

 

1851-60

1861-70

1871-80

1881-84

1885

Tarwe

11,35

10,51

11,59

9,65

7,72

Rogge

7,80

7,49

8,09

7,27

6,22

Haver

4,10

4,13

4,47

4,13

4,00

Boekweit

7,00

7,35

7,89

7,17

6,61

Aardappelen

2,54

2,41

2,80

2,33

2,00

Ook in Beek en Donk stijgen de prijzen voor de landbouwproducten tussen 1850 en 1860. We vergelijken de gemiddelde prijzen uitgedrukt in guldens per hectoliter:


1851

1860

tarwe

6,50

10,-

rogge

5,-

6,50

boekweit

4,-

6,-

haver

2,-

3,-


Ziekten

De boeren hebben altijd te kampen gehad met allerlei ziektes en plagen: gewassen die worden aangetast door kou of hitte en allerlei dierziektes met zware gevolgen voor de bedrijfsvoering. Zomaar een willekeurige greep:

In het jaar 1723 is een langdurige droogte en hitte geweest waardoor “de granen te velde in de aren tot in de voet verzengd zijn, ja, tot in de wortel verbrand waren” aldus het gemeentebestuur; in de nacht van 17 op 18 mei 1724 heeft het gevroren waardoor het koren volledig is bedorven.

In 1774 breekt een rundveeziekte uit. Alle gestorven beesten moeten onmiddellijk met de huid of vel worden begraven en de boeren krijgen voor elke huid of vel 3 gulden en 5 stuivers en voor ieder half beest (bedoeld wordt jonge dieren) ƒ1,- 12 stuivers en 8 penningen. De besmettelijke ziekte neemt zodanige vormen aan, dat de publicatie waarin vermeld staat hoeveel de mensen uitgekeerd krijgen voor de gestorven beesten, wordt ingetrokken. Het zou de gemeente te veel geld hebben gekost!

In de borgemeestersrekening van dat jaar staat vermeld dat de volgende boeren nog wel een schadeloosstelling krijgen en dat in totaal 63 gulden 7 stuivers en 8 penningen is uitgekeerd:

boer

gestorven

gulden

stuivers

penningen

Adriaen van den Bogard

1 heel beest

3

5

0

Gerit de Meeter

3 hele, 2 halve

13

0

0

Thomas Ketelaers

1 heel

3

5

0

Jacobus Hendrik Jacobs

3 hele, 3 halve

14

12

8

Wed. Jan Peeters

1 heel, 2 halve

6

10

0

Claes van den Oever

6 hele, 3 halve

22

15

0


Burgemeester de Jong schrijft op 28 maart 1817 een brief aan de Gouverneur van de Provincie, de tegenwoordige Commissaris der Koningin, waarin hij meedeelt dat van juni 1816 tot maart 1817 al 135 runderen zijn gestorven en dat er nog meer zullen volgen. Hoe hard de ziekte heeft toegeslagen tonen de volgende cijfers. In 1815 liepen er nog 823 koeien en kalveren bij de boeren, terwijl dit aantal in 1818 gereduceerd is tot 402!
Het jaar 1841 wordt geteisterd door Secale Cornutumziekte -ofwel hanensporen of moederkoorn genaamd- onder de rogge als gevolg van langdurige regen. Dit kan leiden tot ziekte bij mens en dier indien dit rogge als voedsel gebruikt wordt. Er wordt toezicht gehouden op markten en molens.
De aardappelziekte van 1845 zorgt voor de mislukking van de aardappeloogst. B&W schrijft dat de oogst geheel verloren is, wat inhoudt dat 60 bunder verloren is gegaan, waarvan 12 bunder vroege of Zeeuwse aardappelen. In Ierland heerst hongersnood als gevolg van dezelfde aardappelziekte.
In het najaar van 1896 breekt mond- en klauwzeer uit. In verband met deze ziekte benoemt de Commissaris van de Koningin  52 personen tot buitengewoon veldwachter ter bewaking van weiden of stallen!
In 1909 staat in het blad de Zuid Willemsvaart vermeld dat door de vorst van zaterdag 12 en zondag 13 juni verschillende percelen aardappels en boekweit beduidende schade hebben geleden.
 
Boerderij Pater Vogelsstraat. Foto: Collectie Ger Jansen

 

Landbouwtentoonstelling 1898

Ter plaatse telen de boeren hoofdzakelijk voor het eigen gezin en het vee en over de landbouwcrisis vanaf 1880 en de gevolgen voor de plaatselijke bevolking is in de notulenboeken van de gemeenteraad niets terug te lezen. Onder de bezielende leiding van burgemeester De Jong verenigen boeren zich in 1893 in de afdeling Beek en Donk der Noord-Brabantsche Maatschappij van Landbouw. Deze vereniging strekt zich over een zeer groot gebied uit: niet alleen boeren uit Beek en Donk, maar ook zijn leden aangesloten uit Aarle-Rixtel, Lieshout, Nuenen, Son, Helmond, Bakel, Gemert, Erp, St. Anthonis, Oploo Sambeek, Beugen en Veghel. Ook hoofdonderwijzer Hamelijnck draagt bij aan de landbouw door lessen te geven, niet alleen overdag aan de kinderen ook in de winterperiode ’s avonds aan de boeren. De opbrengsten stijgen, er zijn besparingen door gezamelijke inkoop van meststoffen en veevoer en de boeren worden zelfbewuster. Dit zelfbewustzijn bij de vereniging is zelfs zo groot dat zij het in 1898 aandurft een landbouwtentoonstelling te organiseren.

De inhuldiging van koningin Wilhelmina én het vijfjarig bestaan van de afdeling Beek en Donk zijn prima aanleidingen voor een luisterrijke viering. Nabij het kasteel wordt een landbouwtentoonstelling georganiseerd. Grote animator hiervan is onze burgemeester en tevens voorzitter van deze landbouwafdeling jonkheer J.O.de Jong. Hij schrijft aan de Commisssaris der Koningin dat door onderlinge samenwerking grote vooruitgang is geboekt op het gebied van veeteelt, zuivelbereiding, landbouwonderwijs en bemesting. Hij vraagt twee zilveren medailles met de beeltenis van de koningin voor de prijswinnaars en of de Commisssaris deze komt uitreiken. De Commissaris antwoordt dat hij helaas niet aanwezig kan zijn, wel schenkt hij ƒ10,- voor een vergulde zilveren medaille. Ook de gemeenteraad doet een duit in het zakje en schenkt ƒ100,-. Daarnaast wordt een collecte gehouden onder de bevolking.


Voorzijde Catalogus landbouwtentoonstelling 1898

In de catalogus die voor deze gelegenheid wordt gedrukt staat het programma vermeld. Op woensdag 14 september 1898, de dag na de kermis, is om elf uur de opening door de voorzitter, gevolgd door het volkslied en openingsmars door de harmonie. Vanaf twaalf uur volgen de keuringen der paarden en ander vee, bijenkorven en gereedschappen, dat de dag erna doorgaat. Harmonie “Oefening en Uitspanning”  verzorgt op donderdag van 2 tot 4 uur een uitvoering waarna wordt overgegaan tot de
prijsuitreiking. De toegang is op woensdag ƒ0,40 en op donderdag ƒ0,25 terwijl de leden van de landbouwafdeling gratis naar binnen mogen.

Deelnemers zijn bijna allemaal mensen uit de directe omgeving. Jonkheer de Jong zelf brengt het nodige in: een fokmerrie buiten mededinging, ’n zwartbonte melkkoe, drie fokvaarzen waarvan eentje van 15 maanden met Palestijn V als vader en een andere, zwartbonte van 3 jaar “om te doen zien welke invloed een goede stier en goede verzorging ter verbetering van de veestapel kunnen uitoefenen”. Ook lopen van hem een geit van het Zwitserse en eentje van het inlandse ras rond. De jonker levert bovendien haver van de rassen reuzentros en Probstei, zeven aardappelrassen die besproeid zijn met Bordeausche pap[5] en twee onbesproeide rassen. Hij stelt vijf soorten mangelwortelen tentoon. Hij zet een overhoeksche bijenkorf en een Dadans bijenkorf neer. U ziet een geweldig gastheer die het goede voorbeeld geeft. Voor de geïnteresseerde naar de verschillende oude rassen, zie deze voetnoot.[6]

Plaatsgenoot J.Dekkers laat César, een donkerbruine 9-jarige dekhengst en Apollo, een 2½‑jarige voshengst opdraven. Leraar van de winterlandbouwcursus, A.F.Hamelijnck levert zeven grassoorten.[7] En smid J.v.Vlerken levert gaffels, rieken enz.

Prijswinnaars

Volgens het blad Nieuws van de Week zijn behalve door betalenden ook 1400 niet‑betalenden, allen leden van de verenigingen of hun huisgenoten, de tentoonstelling komen bezoeken. Door 291 leden wordt deelgenomen “aan de gratis loterij zonder nieten” (zonder nieten: je wint altijd een prijs). Ook het weer laat zich van de goede kant zien: op beide dagen is het heet. Er worden in maar liefst 32 categorieën prijzen vergeven, soms voor de leek vreemde zoals stieren met brede tanden, beren van het inlandse ras en best bijgehouden melklijsten. Zo krijgt landbouwer H.Verhoeven uit Gemert de medaille beschikbaar gesteld door de CvK voor zijn blauwbonte stier. De plaatselijke winnaars zijn:

 

Categorie

Plaatselijke prijswinnaar

hengsten

J. Dekkers met Cesar

kalfkoeien

J.Vermeulen, met een 3e prijs voor de jonker

fokvaarzen met brede tanden

F.Vereijken

fokvaarzen zonder brede tanden

J.Vermeulen

beren, inlands ras

geen 1ste prijs, wel 2e prijs A.Smits

biggen

G.Wagemans

geiten

Jhr. de Jong

bokken

P.v.Leuken

schapen

P.Kanters

boekweit

M.v.d.Leemputten

aardappelen[8]

M.v.d.Leemputten

mangelwortelen

Jhr.de Jong met 5 soorten

collectie landbouwgewassen

F.Slits

verzamelingen gewassen van leerlingen van de landbouwcursus

K.v.d.Leemputten

best bijgehouden melklijsten

K.v.d.Leemputten

bijen

M.v.Dommelen

  

Bronnen:
Ir. A.H.Crijns en prof. dr. F.W.J. Kriellaars; Gemengd landbouwbedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant 1800-1885, Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, nummer 72

Bernard van Dam; Oud-Brabants Dorpsleven, Wonen en werken op het Brabantse platteland

 
RCH Eindhoven:
-      
Oud Rechterlijk Archief nummer 68
-      
Borgemeestersrekening 12-79, 12-81
-      
Jaarverslagen van de gemeente
-     
S.de Graaff; Historisch-statistische beschrijving van het Koninkrijk Holland: Departement Braband (met tabellen), Amsterdam 1807

      BHIC Den Bosch:
-      
Toegangsnummer 17, inventarisnummer 4757: Ongeagendeerde brieven
-      
Toegangsnummer 1142, inventarisnummer 8A3: Statistisch tafereel der Provincie Braband
-      
Toegangsnummer 129, inventarisnummer 8: Commissie van Landbouw in Departement Brabant, 1805-181

Bibliotheek Helmond:
-      
Microfiches Nieuws van de Week, 5 oktober 1898 met prijswinnaars landbouwtentoonstelling
-      
Microfiches Zuid Willemsvaart 1909

 

 



[1] Spurrie is een eenjarige plant die groeit op arme zandgrond en dient als veevoer.

[2] Broekgronden zijn woeste grazige stukken land, die nooit in cultuur zijn gebracht. Ze zijn laaggelegen, meestal bij een beek of rivier en de ontwatering laat veel of alles te wensen over. Ze staan in de winter en bij veel regenval in de zomer goeddeels onder water.

[3] 1 mud is 100 liter.

[4] 1 vim is 100 garven of bossen

[5] Bodeausche pap: deze doet in 1892 zijn intrede en is een bestrijdingsrniddel tegen Phytophtora, een schimmelziekte die aardappelen aantast, later ook toegepast bij tomatenteelt omdat ze allebei tot de familie der Nachtschaden behoren. De Bordeausche pap of Boulli bordilaise wordt gemaakt door kopersulfaat bij een kalkoplossing te voegen en niet andersom. Zoals men met een ezelsbruggetje tracht te onthouden: "Kobus gaat naar Kaatje" en niet omgekeerd.

[6] aardappelen: de rassen Jaune d’or, roodborstjes, zaaiers, blauwe hapkes, Eigenheimers, Richters Imperator, Bleek Roode Arnhemers en ook niet besproeide Bleek Roode Arnhemers en Witte geeltjes.

mangelwortelen: de rassen De Vauriac, Golden Tancard, mammouth, Jaune ovoide des Barres en Erfürter model.

[7] grassen: hoog zwenkgras, beemdlang bloem, kropaar, vossenstaart, Engelsch raijgras, Italiaans raijgras en Timothé gras.

[8] M.v.d.Leemputten met de aardappelrassen: Blauwputjes, rimpels of roode muisjes, Eigenheimers, Gloria, Roosjes, Richter Imperator, Gewoone roode, Beekerheische roode, Platte witte, Sachsers, Malthesers, Groote witte.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten