Geschiedenis

donderdag 9 maart 2023

Mooie namen, slechte mannen

Het begon met een eigenaardig kattenbelletje dat ik al in 2011 in het archief in Den Bosch vond en waarnaar ik tot nu toe geen verder onderzoek had gedaan. Het is een aantekening van de rentmeester-generaal uit het jaar 1755 waarin hij schrijft dat erop gelet moet worden als een verzoek van de drost van Beek en Donk, Gisbert de Jong, binnenkomt voor een arrestatiepremie en geldelijke steun in de executiekosten van de opgehangen Pietje of Jantje van Neerstraaten.

Gisbert heeft hem laten ophangen, terwijl deze persoon geen zware delicten heeft gepleegd op het grondgebied van ons land en zeker niet op dat van Beek en Donk. Wel werd hij opgeëist door een ander land waar hij voor zijn misdaden tot de doodstraf was veroordeeld. Het lijkt er op dat Gisbert zijn boekje dus ver te buiten is gegaan.

 

Aantekening van de rentmeester-generaal van de Domeinen over de executie

 

In de aantekening staat nog vermeld dat, toen men met het dode lichaam naar de “buijten galg” ging, de meegenomen ladder te kort was. Een langsrijdende boer werd gedwongen zijn kar af te staan waarop de ladder gezet werd om zo het lijk te kunnen hangen. Toen een van de gezworenen zich uitliet over de manier van doen, was zo’n een stevige ruzie ontstaan dat de twee Bossche justitiedienaren de vlucht hebben genomen. Ook is nog opgemerkt dat op de dag van de executie er een maaltijd bij de drost is geweest waarbij flink gedronken werd[1].

Arrestatie

Samen met documenten over deze zaak in een ander archief, kunnen we onderstaande reconstructie maken[2]. Het blijkt om dezelfde man te gaan, over wie Frans Leenders enkele regels wijdde in zijn artikel over de galg en kaak[3]. Laten we eens kijken wat “Pietje” allemaal op zijn kerfstok heeft gehad en wat zijn verhaal is.

Het begint allemaal op 18 november 1754 als drost Gisbert de Jong Peter Sand laat arresteren door gerechtsbode Dirk Cleene. Dirk fouilleert hem en vindt in zijn zakken een schelling aan geld, ’n mes, drie koperen vingerhoedjes en een tas met een doopbewijs. Peter wordt ter plaatse ondervraagd door presidentschepen Jan van den Bogard en schepen Jan Thomas Strijbos. Peter is 39 jaar oud en geboren in Neersen in Duitsland, ook genaamd Neerstraaten. Hij is getrouwd met Anna Jansse met wie hij drie dochters heeft, allen gedoopt. Hij is linnenwever en in de wandeling wordt hij Vingerhoedjes Peter genoemd. Op de vraag of hij de “kleine Peter”, Dopkes Peter of Keugelkens Peter wordt genoemd, antwoordt ie dat hij ook Keugelkens Peter (Kogeltjes Peter) en ook Dopkens (Dopjes) Peter wordt genoemd. Hij bekent, na negen maanden in Neerstraaten te hebben vastgezeten, ontsnapt te zijn en gevlucht naar Zeeland waar hij met linnenweven en dorsen de kost verdiende. Van hier gaat hij naar Kraenenborg[4] in het Kleefse Land waar hij bij Pieter Adams weeft. Daarna vertrekt hij als wever naar Gennep, maar als het hem uitkomt bezoekt hij jaarmarkten in het Kleefse Land en de Meierij van Den Bosch waar hij het vingerhoedjesspel speelt –het nu beruchte balletje-balletje wat al in de Middeleeuwen bekend was onder die naam, ook wel als dopjesspel– vandaar de bijnamen van Peter.

Van hier wordt hij overgebracht naar de gevangenenpoort in Den Bosch en op 9 december weer ondervraagd. Nu bekent hij dat hij met een zekere Dorethe enige tijd heeft verkeerd en met wie hij “vleeselijk heeft geconverseert” maar ontkent dat hij in 1748 rondgetrokken heeft met Dikken Peter anders genaamd knopmakers Peter, Willem Ensinghof, Hendrik Ensinghof, Johannes Antoon Corts alias “klijnen Toon”, Ariken van Tuernhoudt, Piet van Gemert, Francis Borbone, de zwarte Nol, Hendrik de broer van de “klijnen Toon”, Jaco, Jan de gewezen bode van Boekel, de magere Pieter en ’t kijserke waarvan bekend is dat deze personen verschillende diefstallen op hun geweten hebben in het Duitse land.

De volgende dag wordt hem vragen voorgelegd die afkomstig zijn van drost Weijdenhorst uit Neerstraaten.

Peter bekent samen met Mathijs Hilden in hechtenis te zijn geweest na het plegen van delicten en dat beiden terdood zijn veroordeeld. Rond de pinksterweek 1749 is hij daar ontsnapt nadat hij zes weken tevoren op een nacht een zaag en vijl vond, waarmee hij het blok waarin hij vastlag, heeft doorgezaagd en de boeien in stukken gevijld. Maar hij weet niet wie ze gebracht heeft…!? Veertien dagen na zijn ontsnapping is Mathijs geëxecuteerd.

 

Vragen van de drost uit Neerstraaten



Op de vraag of hij Peter Schellekes, alias Rode Peter, een varken beloofde als hij hem zou helpen ontsnappen antwoordt hij dat het kan zijn dat zijn vrouw Rode Peter het varken beloofde, en ook dat Rode Peter, toen deze op wacht stond en bij hem binnenkwam, niet over een uitbraak heeft gesproken. Later zegt hij dat zijn vrouw hem vertelde het varken aan Rode Peter verkocht te hebben.

Gevraagd of de volgende personen hebben geholpen bij zijn vlucht uit de gevangenis: Tonis Thorar, Johan Roemers alias Geelen Jan, Peter Driessen alias Rode Peter, Peter Bebber alias Placken Peter, Hendricus Hissen en Sell Scherers Mathijs, ontkent Peter dat deze mensen met zijn vlucht te maken hebben gehad. Hij is alleen bij zijn huis geweest om van zijn vrouw een hemd te krijgen en heeft zich verborgen in het Holsbroekbos, waar hij alleen een koeherder is tegengekomen die in Munniken Glabbeek woonde. Dan vluchtte hij richting Roermond en sliep in een schuur bij een watermolen vlakbij een kerk of klooster.

 

Het beruchte vingerhoedjesspel waarmee oplichters op de jaarmarkten stonden

Beroving

Diezelfde dag erkent hij dat hij zich vele malen in de Meierij heeft opgehouden met het valsspelen met kaarten en het vingerhoedjesspel. En dat hij ook heeft “gevageert met kremerij” ofwel hij heeft als marskramer met doek, hop en veren rondgezworven. Hij heeft Dorethe als bijzit gehad die is geeëxecuteerd in Cloostercamp in 1748 en kort daarvoor heeft hij van haar een gestolen neusdoek gekregen. Hij heeft vrijwillig bekend dat vier maanden voor zijn gevangenneming in Neerstraaten ’s avonds een dochter van een tingieter bij hem is gekomen die zei dat hij naar Huls moest gaan waar Dorethe was. Zij was in een klein herbergje waar ook enige vagebonden [landlopers, zwervers] waren: Peter Richard, een zekere Smits geboren in Dusseldorp met zijn bijzit Mari, Gerard Vink, een zekere Hannes, een zekere Poulus geboren in Keulen en valsspeler met de kaarten, nog iemand waarvan Peter de naam niet weet en die hoogduits spreekt en Grietje, de bijzit van Peter Richard. Dat Peter Richard of Smits zakpistolen bij zich hadden en dat Gerard Vink voorstelde die nacht ’n overval te plegen in Frimmersdorf. Hij is met hen meegegaan en bij een boer tussen 10 en 11 uur aangekomen op de avond voor Vrouwligtmis[5]. Bij het openbreken van de muur naast de deur maakten zij zoveel herrie dat de hond aansloeg en de bewoners wakker werden. Daarop zijn zij gevlucht en ’s anderendaags gingen zij naar de markt in Krevelen. Van hier vertrok Peter naar Neerstraaten.

Dan zijn op 3 en 4 februari 1755 de laatste verhoren en hier wordt duidelijk waarvoor Peter en Mathijs in Duitsland terdood zijn veroordeeld. Zij hebben namelijk op 23 augustus 1748 Arnold Theven overvallen en hem beroofd van negen pistolen, twee ducaten en zeven “permissie schillingen”[6]. Beiden worden veroordeeld tot de doodstraf door middel van onthoofding met het zwaard, waarna de dode lichamen aan wielen en hun hoofden op ijzeren pinnen tentoongesteld worden. Peter is kunnen vluchten en zo zijn executie kunnen ontlopen, Mathijs niet.

In die tijd was het gebruik dat de definitieve bekentenis moest plaatsvinden daar waar de schepenen vergaderen en 24 uren na de laatste bekentenis. Dat gebeurt op 6 februari in de Raadkamer hier in het dorp. Peter bekent alles buiten “pijn en banden”[7].  Na zijn ontsnapping in Neerstraaten is hij verdergegaan met zwerven, valsspelen en inbraken plegen. Bovendien is hij, samen met andere vagebonden en landlopers, er zeer van verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan grove diefstallen, huisinbraken en knevelarijen [afpersingen] en daarom veroordelen de Beek en Donkse schepenen, na rijpe overwegingen én gelet op het preadvies van twee onpartijdige advocaten[8], hem om door de “meester van den Scherpen geregte” met het koord te worden gestraft tot de dood erop volgt. Vervolgens wordt het dode lichaam aan het “buijten geregt” tentoon gehangen totdat hij verteerd is. Dit gebeurt op 10 februari 1755. Let wel: de mensen werden daar niet opgehangen, maar de dode lichamen werden buiten het dorp bij een doorgaande weg aan de galg gehangen om zo aan vreemdelingen op doorreis duidelijk te maken, dat zij geen scheve schaats kunnen rijden. 

Symbolische galg die geplaatst is op de kruising Peeleindseweg / Gemertseweg

 

Tot zover het feitenrelaas over de man die hier eigenlijk niets misdadigs heeft gedaan, maar  toch werd geëxecuteerd in plaats van uitgeleverd te worden aan Duitsland.

 Twee vragen zijn nog interessant.

1. Wie voltrok de executie?

Beek en Donk had zelf geen scherprechter of beul, er zijn daarvan geen bewijzen in de gemeenterekeningen. Opvallend is dat in het jaar van deze executie ook geen beulsloon te vinden is in de archieven. Beek en Donk had in het verleden wel de afspraak gemaakt met de schepenen in Den Bosch dat zware misdadigers gevangen werden gezet in die stad. En het zou kunnen zijn dat daarom ook de Bossche beul deze executie voltrok. Als dit zo is, voerde David Hendrik Cleijne deze uit. Hij was namelijk in die tijd de stadsbeul en ontving van Den Bosch het jaarsalaris van ƒ468 plus ƒ75 huishuur en materiaalkosten. Er is echter geen aanwijzing in de Bossche gemeenterekening dat Beek en Donk een bedrag voor deze executie betaald heeft, maar misschien was dat ook niet nodig.

2. Hoe werd de veroordeelde om het leven werd gebracht?

Is hij met een touw gewurgd of kwam er toch een galg aan te pas? Ik vermoed het laatste en heb daarvoor de volgende “bewijzen”. Het dode lichaam werd aan de “buijten geregt” gehangen, dus is er ook een “binnen geregt” waar de daadwerkelijke executie plaatsvond, namelijk de kaak. Als je afbeeldingen ziet van zo‘n kaak in andere plaatsen, zijn deze over het algemeen niet groot. Dat was ook niet nodig, want de mensen werden hieraan geketend en zo te schande gezet. Maar bij ons was deze uitzonderlijk lang. In 1751 werd een nieuwe “kaak off Regtpaal”[9] geplaatst ter vervanging van de oude en deze moest bovengronds twintig voet[10] lang zijn. Isaak Ente was de aannemer die dit karwij voor zes gulden volbracht[11]. In een ander archiefstuk ontvangt dezelfde timmerman Isaak 16 stuivers voor het maken van een arm aan de kaak[12]. Waarvoor dient die arm anders dan voor het ophangen van misdadigers? In eerder genoemd artikel van Frans vermoedt een Belgisch expert dat door de uitzonderlijke lengte van de kaak deze zou dienen als herkenningspunt. Ik acht dit onwaarschijnlijk omdat deze midden in het dorp bij het raadhuis op het Heuvelplein stond en daarom niet diende als oriëntatiepunt voor vreemden. Ik denk dat de kaak gebruikt is als “binnengeregt” of galg. Maar zekerheid hierover heb ik niet.



[1] BHIC Den Bosch, archief Domeinen toegangsnummer 9, Inventarisnummer 62, journaal van de Rentmeester-Generaal

[2] RHC Eindhoven, archief Beek en Donk, ORA inventarisnummer 36.

[3] Frans Leenders, Galg en Kaak in Beek en Donk, D’n Tesnuzzik 2010, nummer 1.

[4] het huidige Kranenburg vlakbij Nijmegen, waar tegenwoordig veel Nederlanders hun boodschappen doen.

[5] Vrouwlichtmis: 2 februari, 40 dagen na Kerstmis.

[6] http://home.wxs.nl/~derks004/gulden/woorden.html.

Pistool  Oude benaming voor verschillende buitenlandse gouden munten, in het bijzonder voor de Spaanse kroon en de Franse Louis d'or en later ook voor andere dergelijke goudstukken. Een stuk goudgeld ter waarde van drie zilvere ducatons Hollands geld, ook wel gouden pistool. In Zuid-Nederland nog lang bekend als naam voor een goudstukje van 10 franken.

http://archive.is/bP7QC

Permissieschelling, 1°. schelling van uitheemschen slag die met permissie van de overheid als betaalmiddel in omloop mocht zijn, in 1752 buiten gebruik gesteld (”Dat de geheele en halve Brabantsche en andere soorten van soogenaamde Permissieschellingen, voortaan … sullen gangbaar zyn de geheele tot ses en de halve tot drie stuivers”, Gr. Placaetb. 6, 835 b [1730]; ”Door permissieschellingen verstond men Brabantsche zesstuiversstukken, die, als ze van goed gehalte waren, gedurende een zekeren tijd met verlof van de StatenGeneraal in de Vereenigde Nederlanden omloop mochten hebben. Alle andere uitheemsche munten, die op schellingen geleken, waren verboden.

[7] De term is “buiten pijn en banden van ijzer”. Info op Internet: Er is geen pijnbank aan te pas gekomen, zonder gepijnigd te zijn … maar of dit klopt waag ik te betwijfelen.

[8] RHC Eindhoven, oud archief Beek en Donk 1300-1811, inventaris 12-60 Rekening ƒ27 12 stuivers en 8 penningen aan de advocaten De Vlieger en C.M. Juijn voor preadvies.

[9] RHC Eindhoven oud rechterlijk archief Beek en Donk, dossier 71.

[10] Eén voet Bossche maat = 28,7 cm; dus 20 voet is 5,74 meter.

[11] RHC Eindhoven, oud archief Beek en Donk 1300-1811, inventaris 12-56.

[12] RHC Eindhoven, oud archief Beek en Donk 1300-1811, inventaris 12-180

Geen opmerkingen:

Een reactie posten