Geschiedenis

donderdag 9 maart 2023

Corrupte veldwachter in Gemert

Tegenwoordig zijn politici zeer terughoudend als het gaat om zaken die nog onder de rechter zijn. Dat was vroeger anders, getuige de brief die twee wethouders en vier raadsleden[1] uit Gemert schrijven aan de Gouverneur van de provincie.
Terwijl de veldwachter vastzit in Eindhoven, hoopt een deel van de Gemerste gemeenteraad dat Sebastiaan of Bastiaan Stevens -over hem gaat het hier- snel op zijn post kan terugkeren, want, schrijven zij, in zijn betrekking als veldwachter is hem steeds de algemene achting en tevredenheid te beurt gevallen en zijn gedrag is te allen tijde “deftig” geweest. Nou, daar zullen veel dorpsgenoten anders over gedacht hebben en gelukkig voor hen heeft de brief geen enkel effect gehad.
Sebastiaan Stevens is geboren in Princenhage en werd veldwachter in Velp voordat hij in 1846 werd aangenomen in Gemert als opvolger van Johan Peter Weber.
 
Knevelarij
Al in 1855 wordt hij door de Procureur Generaal van de provincie ongeschikt geacht, schrijft deze aan de Gouverneur. Stevens, dan 46 jaar oud, zou meer dan eens verdacht zijn van diefstal, weigert soms zijn dienst en is brutaal. Stevens wordt opgepakt voor “knevelarij”, ofwel afpersing en machtsmisbruik. In de rechtzaak die wordt gevoerd in Eindhoven in november 1856 komen kwalijke zaken aan het licht. Hij wordt ervan verdacht bij zes personen geld geëist te hebben terwijl zij dat niet verschuldigd waren.
 
Negentien getuigen komen tijdens dit proces aan het woord. Zo heeft Stevens op een morgen in december 1855 Gerardus Rooijakkers bekeurd, omdat deze met een brandende lantaarn, die open was en waaraan een stukje glas ontbrak, in de schuur bezig was. Daarop ging de moeder, weduwe van Peter Rooijakkers, naar de veldwachter en vroeg: “Als ik U wat geef, is het dan goed?” Stevens antwoordde: ”Ik mag het niet doen, maar wacht, geef dan twee gulden en houd het stil.” Zoon Gerardus gaf hem het geld.
Dezelfde werkwijze hield Stevens erop na bij de familie Van der Burgt die in de schuur aan het dorsen was. Ook bij hen was de lantaarn niet in orde; de veldwachter kreeg in ruil voor het achterwege laten van een bekeuring een zak knollen.
Dienstmeid Aagje van der Wijst is de koeien aan het melken bij Peter van Dommelen. Het was nog donker en dus gebruikte zij een lantaarn. Ook hier duikt Stevens op en in plaats van een verbaal uitschrijven krijgt hij van de vrouw van Peter twee gulden.
Antonie van Duijnhoven wordt op ’n morgen in november, nadat hij een brandende lamp aan de deurstijl had gehangen, hierop aangesproken. Door Stevens anderhalve gulden te geven kreeg hij geen boete aan zijn broek.
Ook bij bouwman Jan Heeren wordt door de veldwachter dezelfde procedure gevolgd. Jan krijgt geen boete, maar komt er langsaf door Stevens een daalder te geven. Ook in dit geval ontkent Stevens alles.
Antonie van Berlo was samen met Peter van den Broek zogeheten tussen[2] op zijn kar aan het laden, die hij het jaar daarvoor had gepacht, maar nog niet binnengehaald, wat volgens plaatselijk gebruik in hetzelfde jaar moest gebeuren. Stevens had als oplossing bedacht, dat hij geen boete van zes gulden uitschreef, maar ’s avonds bij Antonie langskwam om hem twee gulden vijftig afhandig te maken.
 
Volgens ’n artikel uit het Wetboek van Strafrecht was dit alles geen poging tot knevelarij, wel was sprake van omkoopgelden. Uiteindelijk is het verdict van de rechter dat Stevens voor vier jaar de bak in moet met een geldboete van ƒ100,- plus betaling van de proceskosten van ƒ163,34½. Ook zou hij voor vijf jaar alle burgerrechten verliezen. Maar …. de Hoge Raad steekt hier een stokje voor en vernietigt deze uitspraak op 18 februari 1857 en verwijst de zaak naar het Provinciaal gerechtshof van Gelderland. In april van dat jaar heeft deze de zaak opnieuw bekeken en komt tot de conclusie dat Stevens daadwerkelijk schuldig is aan omkoping van vier personen en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van vier jaar, met daarbij vier geldboetes van ƒ100,-[3] plus tien jaar ontzetting van de burgerschapsrechten. Dit laatste houdt onder andere in dat hij geen openbaar ambt mag waarnemen en dat hij geen wapens mag dragen.

Relidief
Na prima speurwerk door de politie worden drie personen aangehouden op verdenking van inbraak in de kerk in Lieshout. Hier duikt de naam van de inmiddels ex-veldwachter en nu zonder beroep Sebastiaan Stevens op die samen met zijn zoon arbeider Adriaan en wever Hendrikus van Berlo hiervan beschuldigd worden. Alle drie wonen in Gemert. In de rechtzaak die volgt, wordt door 24 getuigen een uitvoerig beeld geschetst hoe in de nacht van 26 op 27 december 1852 de heren te werk zijn gegaan. Koster Christiaan Brouwers had de volgende morgen de inbraak ontdekt en pastoor Petrus van den Boer gaf tegenover de rechter een opsomming van alle gestolen en vernielde goederen uit kerk en sacristie, en dat was een hele waslijst. Hij kwam zelfs met een niet ter zake doende opmerking dat een paar pantoffels waren verplaatst door de inbrekers. Al met al werd de waarde van alle ontvreemde spullen geschat op ƒ500,-
De insluipers waren grondig te werk gegaan in het vergaren van de spullen. Zij waren aan de achterzijde van de kerk via een glas-in-loodraam boven op de biechtstoel (zonder spijt te betuigen) binnen gekomen. Een belangrijk voorwerp in het bewijs was de vondst van een hoornen knoop, die zoals later bleek, van een jas van een van de beschuldigden afkomstig was.
Sebastiaan was enkele dagen na de inbraak samen met zijn zoon naar Veghel gegaan om bij een aantal mensen gouden en zilveren spullen aan te bieden. Hier is Sebastiaan door de politie aangehouden, terwijl zoon Adriaan in de herberg van Tillemans op hem wachtte. Hierna werd huiszoeking verricht bij Stevens waar nog meer gestolen spullen werden gevonden, alsook inbrekersspullen zoals beitels en zaagjes. Stevens bekende de diefstal samen met Van Berlo te hebben gepleegd, waarna ook bij de laatste meegenomen spullen werden gevonden. Voor de bewijsvoering werden zelfs twee scheikundigen aan het werk gezet. Zoon Adriaan en Van Berlo ontkennen betrokken te zijn bij deze inbraak. De schuld van Hendrikus van Berlo kan niet worden bewezen, van de twee anderen wel, zodat Sebastiaan tot een tuchthuisstraf van tien jaar wordt veroordeeld en zoon Adriaan voor de tijd van vijf jaar ook de proceskosten moeten door hen worden betaald.
 
Het gemeentebestuur krijgt vanuit het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden bericht dat op 21 maart 1865 Sebastiaan Stevens gestorven is.

 

Bronnen:
https://iisg.amsterdam/nl; Waarde van de gulden
BHIC Toegangsnummer 17, inventarisnummer 1342 brief van de wethouders en raadsleden
BHIC Toegangsnummer 22, Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch 1838-1930, Strafvonnissen
Archief gemeente Gemert-Bakel, AG003-1688 Persoonsdossier Sebastiaan Stevens
Delpher, krantenberichten


[1] De brief is opgesteld op 19 augustus 1856 en ondertekend door wethouders Rooijackers en Slits en de raadsleden Van den Elsen, Van den Eijnden, Goossens en Van der Putten.

[2] Tus is turfzode uit de bovenste laag, met buntgraswortels. (Ironisch, woordspeling op ‘ondertussen’ , als iemand herhaaldelijk dat woord gebruikt:) Ónder tusse stíkte klot (:turf van betere kwaliteit), Volgens het Gemerts Woordenboek van Wim Vos.

[3] ƒ400,- komt tegenwoordig overeen met een bedrag van bijna €3800,-

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten