Geschiedenis

vrijdag 10 maart 2023

Revolvers tegen vuisten en doorslagen

Aanleiding voor dit artikel zijn twee zaken die nauw met elkaar in verband staan.
In de eerste plaats een digitale krantenartikel bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag waarin staat dat een van de Van Thiels revolvers heeft gekocht. Interessant genoeg voor nader onderzoek! In de tweede plaats kom je begin 1910 in het archief van de Commissaris der Koningin in Den Bosch vanuit het hele provinciale gebied diverse aanvragen tegen voor een vergunning tot het dragen van een revolver. Je zou bijna denken dat het een gevaarlijke periode en gebied is. Ook vanuit ons dorp vraagt koopman Johannes Engels op 24 januari toestemming om in de wintermaanden van november tot mei een revolver te dragen, omdat hij met zijn paard en vrachtkar twee keer per week naar Eindhoven gaat. Vaak met het nodige geld op zak. Bij dergelijke aanvragen wordt eerst altijd de plaatselijke burgemeester gevraagd of dit verantwoord is. In ons geval vindt onze burgemeester Verhaak dat de man “bedaard en van onbesproken gedrag” is, zodat geen gevaar bestaat voor een verkeerd gebruik van het wapen.
 
Zoals u weet was op 20 december 1909 in Beek en Donk een grote staking uitgebroken bij de firma P. van Thiel & Zn. die pas op 4 juli 1910 werd opgeheven. 170 Arbeiders gingen in staking, maar de firma wilde koste wat kost de fabriek draaiende houden. Dat gebeurde onder andere met enkele werkwilligen (in vakbondstaal onderkruipers), kinderen van de firmanten zelf en later ook stakingsbrekers die vanuit de omgeving werden geronseld.
 
Dat zette natuurlijk kwaad bloed en de stakers postten daarom regelmatig bij de poort om deze mensen op andere gedachten te brengen en hen te laten weten dat dit eigenlijk niet door de beugel kon. Ook volgden zij regelmatig de onderkruipers bij het komen en gaan naar de fabriek en de mensen uit Erp en Veghel werden bijna elke dag door een grote groep stakers “begeleid” van en naar het Beekse tramstation. De Van Thiels vonden dit blijkbaar zo intimiderend dat een van hen besloot bij een wapenhandelaar in Helmond voor hun bescherming revolvers te kopen. Uit de archieven zijn drie namen van onderkruipers te achterhalen die bij de Commissaris der Koningin een vergunning aanvroegen voor het bezit van zo’n revolver. Lieshoutenaar Wilhelmus van Aarle vroeg dit op 29 december ’09 en kreeg als eerste vergunning. In januari kreeg Martinus van Bracht ook toestemming, omdat burgemeester Verhaak dit geoorloofd vond, daar hij “als baas en door zijn wat luidruchtig partij kiezen voor zijn patroon, wel vijanden gemaakt kan hebben.”
De derde persoon, baas en ladingmeester der boten, Johannes (Hannes) van de Laarschot vroeg ook een vergunning aan, maar de burgemeester stak hier een stokje voor. Hij vond Hannes weliswaar “een bedaard man die tot voor kort weinig de herbergen bezocht”, maar thans “bezoekt hij ze met enige andere personen geregeld en trof ik hem zelf zondagavond in een bierhuis aan, wat in deze mij ook niet aanbevelenswaardig voorkomt.” Dus géén vergunning.
 
Brief van de firma Van Thiel aan de burgemeester van Beek en Donk
met het verzoek een samenscholingsverbod in te stellen


Hoewel in het krantenbericht sprake is dat ene Van Thiel tien revolvers zou hebben aangeschaft, zijn er slechts drie te achterhalen, althans waar vergunning voor is aangevraagd. Maar er zijn meer wapens illegaal in omloop geweest, hetgeen blijkt uit een niet ondertekend briefje in het Beek en Donkse archief[i]. Daarin is te lezen dat verschillende onderkruipers revolvers dragen en op 17 april hebben zij nog een duif geschoten bij sluis 5 in Erp. Bovendien zijn de stakers Cor v.d. Putten en Wil Martinali door drie onderkruipers met een revolver bedreigd op de weg naar Gemert. Niet vermeld is wanneer dit gebeurde. Ook klaagde weduwe Verbakel Boerdonk dat bijna elke avond onderkruipers op haar hond schieten. Het aantal van tien revolvers waar in het krantenartikel sprake is, kan dus goed in overeenstemming met de werkelijkheid zijn.
In een klein dorp als de onze lopen bij zo’n grote staking de spanningen tussen onderkruipers en stakers met hun aanhang soms hoog op en zijn incidenten daarom onvermijdelijk, zeker gezien deze wapens. Er zijn enkele opgewonden standjes die rekeningen te vereffenen hebben en ’n paar van deze afrekeningen passeren hier de revue. Ik baseer me hiervoor op archiefstukken, krantenartikelen uit die periode en rechtbankverslagen uit Den Bosch en Roermond.
 
 
Poging tot doodslag
Op woensdagavond 9 februari rond zeven uur wandelt een groep stakers bij het huis in de Leekerstraat D77 (later is dit Mgr. Verhagenstraat 36 geworden) waar onderkruiper Hendricus van de Laarschot en zijn familie woont[ii].
Hij is de broer van Johannes die vergunning voor het dragen van een revolver aanvroeg en niet kreeg en werkt sinds het uitbreken van de staking ook bij de firma. Hij is op dat moment binnen en hoort rumoer op straat, even later gevolgd door een harde knal tegen de deur, althans hij beweert later dat er met stenen gegooid is, hetgeen de stakers ten stelligste ontkennen. Als door een wesp gestoken stormt hij naar buiten en wordt geconfronteerd met ’n groep stakers, wel vijfentwintig man sterk. Hij grijpt zijn met hagelpatronen geladen revolver, onderwijl roepend: “Wacht verdomme, ik zal jelui eens leren”, schiet en raakt de twintigjarige Martinus Jacobus van den Elzen in zijn linkerknie. Hij vuurt nog eens en treft hem in zijn linker elleboog. Voor de derde keer haalt ie de trekker over en schiet bij Matheus van den Elzen de pijp aan diggelen die hij in de mond hield. Hij houdt alleen een stuk van de pijpensteel over.
Gelukkig voor de stakers valt de schade mee, twee wondjes en een kapotte pijp, maar toch. Er wordt door vier personen direct aangifte van het gebeurde bij burgemeester Verhaak gedaan, die opdracht geeft Hendricus op te brengen naar het raadhuis[iii]. Hier wordt hij verhoord door detachementcommandant Prothoff[iv] en Hendricus verklaart dat hij de revolver van een zoon van een der firmanten heeft gekregen[v]. In zijn rapport omschrijft Prothoff de daad van Van de Laarschot als zijnde “poging tot doodslag”[vi], een ernstig feit waarvoor ie een zware pijp zal gaan roken, dunkt me. Vervolgens is Hendricus gearresteerd en naar de gevangenis in Roermond overgebracht waar hij op 16 februari weer in vrijheid wordt gesteld, volgens de Tilburgsche Courant.
Krantenbericht over het schietincident in Het Volk van 15 februari 1910

 
Op woensdag 30 maart volgt in de rechtbank te Roermond het gerechtelijk onderzoek onder leiding van president Baron de Bieberstein. Deze hoort acht getuigen, waaronder dokter Timmers die de wonden van Van den Elzen heeft behandeld. Hij verklaart dat de wonden ongevaarlijk waren. Wachtmeester der marechaussee Bil uit Roermond heeft de revolver geïnspecteerd, proeven gedaan met de hagelpatronen en geconstateerd dat op een afstand van drie meter zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, maar op een afstand van zes tot zeven meter niet. En dat is ongeveer de afstand waarop Hendricus schoot. Vervolgens komt marechaussee Prothoff aan het woord die het voorval nog eens beschrijft. Gewonde Van den Elzen, pijproker Van den Elzen, Antonius van den Eijnde, Hendrikus Engels en tenslotte Martinus van der Sanden leggen hun getuigenissen af met allemaal hetzelfde verhaal van het gebeurde. Ook verdachte Hendricus zelf komt nog met zijn kant van het verhaal. Hij wordt bijgestaan door Jhr. Mr. G. Michiels van Kessenich, advocaat in Roermond.
 
Op 12 april volgt de uitspraak waarbij de verdachte zelf niet aanwezig is. De officier van justitie heeft ondanks poging tot zware mishandeling toch maar acht dagen cel geëist. Hoewel de rechter “bedreiging met eenig misdrijf tegen het leven” bewezen acht en Van de Laarschot daadwerkelijk met opzet het leven van de mensen bedreigde door te vuren -zijn advocaat beweerde dat hij gehandeld heeft uit noodweer-, komt de rechtbank toch tot een vonnis van maar drie dagen hechtenis, omdat ter rechtszitting niet rechtsgeldig bewezen kon worden dat sprake was van “poging tot zware mishandeling”. Wel moet de revolver worden vernietigd en de als bewijsstukken dienende jas en broek van Martinus Jacobus van den Elzen moeten worden teruggegeven.
 
Saillant detail: niet alleen steunden de Van Thiels de onderkruipers materieel met revolvers, ook financieel was er back-up. Toen Hendricus moest vóórkomen kreeg hij op 21 maart drie gulden voor reisgeld naar Roermond. Dit werd nota bene betaald uit de kas van de firma, zoals ook het tramgeld hieruit werd betaald aan de onderkruipers die elke dag vanuit Erp en Veghel kwamen werken, tot zelfs fietsen en verhuiskosten voor de Veghelnaren[vii]. Overigens blijkt uit de kasboeken niet dat de advocaat door de firma werd betaald. Wél leende Hendricus op 17 mei ƒ60,- uit de firmakas, wellicht om hem daarmee te betalen en voor andere kosten. Vaak werd in dergelijke gevallen zulke leningen via het loon terugbetaald.
Reactie van de slachtoffers van Van de Laarschot in een ingezonden stuk in de in Helmond verschijnende krant De Zuid-Willemsvaart van 19 februari 1910

Deel van het kasboek van de firma Van Thiel, waarin vermeld staat dat ƒ3,- werd betaald aan Van de Laarschot als reisgeld naar de terechtzitting in Roermond

 
De drie dagen hechtenis van een onderkruiper staan in schril contrast tot de eisen en vonnissen bij andere gelegenheden waarbij stakers of hun aanhangers betrokken zijn. Je kunt je afvragen of hier sprake is van klassenjustitie.
Zo wordt op 27 april bij het gerechtshof in Den Bosch Petrus Engels in hoger beroep veroordeeld tot vier maanden cel. Petrus, zelf geen staker, stond op 30 januari samen met de stakers Cornelis v.d. Berg en Arnoldus v.d. Kerkhof op de weg van Beek naar Donk. Toen Cornelis ’n steen gooide naar de onderkruipers Antonius en Johannes van Doore uit Veghel ontstond ruzie, waarop Petrus beiden met een doorslag[viii] sloeg. Eerder was hij hiervoor al in Roermond veroordeeld tot zes maanden en vernietiging van de doorslag. En Cornelis was door het kantongerecht in Helmond op 24 februari wegens dit stenen gooien veroordeeld voor straatschenderij tot een boete van ƒ5,- ongeveer een weekloon.
 
Zware mishandeling
Het volgende voorval is gedestilleerd uit een krantenbericht en getuigenverklaringen bij de rechtbank[ix]. Op de fabriek werken vader Bertus (Albertus) C(K)ouwenberg en de twee zonen Wilhelmus en de getrouwde Theodorus. Vader Bertus is onderkruiper, terwijl beide zonen wél met de staking meedoen en bij de fabriek posten, wat natuurlijk tegen het zere been van Bertus is. Als de ongetrouwde Wilhelmus op ’n dag thuiskomt, zegt vader hem dat de drie gulden ondersteuning die hij voor de staking krijgt te weinig is. Hij zegt de zoon de wacht aan en vertelt hem dat, als hij nog eens zou posten en niet mee naar het werk ging, hij “hem kapot zou slaan of de deur uitgooien”. Tijdens de stakersvergadering de dag erna vertelt de zoon dit; iedereen is verontwaardigd en broer Theo zei dat hij wel bij hem kon komen als vader hem uit huis gooide.
 
Dit huiselijke akkefietje wordt in het dorp bekend en op maandag 16 januari hebben de 21-jarige Wilhelmus Goossens en de 19-jarige Andreas Meulendijks Bertus aangepakt. Wilhelmus slaat hem met zijn fiets(!) tegen het hoofd, terwijl Andreas, als Bertus op de grond ligt, hem enkele keren tegen het hoofd schopt. Bertus’ linkeroor is twee cm ingescheurd, zijn linkerwang en keel zijn opgezwollen, terwijl uit mond en oor veel bloed vloeit, aldus het proces-verbaal dat brigadier Adam opmaakt. Opmerkelijk is de passage in de krant dat dokter Timmers Bertus niet wil helpen, omdat hij nog een schuld te betalen heeft van zeven jaar geleden. Of dit op waarheid berust is niet zeker, wel is het een feit dat de dokter hem pas de volgende morgen behandelt. Een van de gendarmes heeft op de dag zelf een eerste verband gelegd.
 
De officier eist hiervoor vier maanden cel en op 5 april wordt het vonnis uitgesproken: terecht worden beiden schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Laat duidelijk zijn, hier is sprake van zware mishandeling, terwijl de motieven van de twee -na het lezen van het krantenartikel- eigenlijk nog wel te begrijpen maar zeker niet goed te keuren zijn. De schuldigen van de mishandeling zijn zelf geen staker, maar Goossens is de zoon van staker Cornelis Goossens. Ook zijn broer is staker en op die manier zal hij het verhaal te horen hebben gekregen.
Later is dezelfde Andreas Meulendijks betrokken bij een ander incident, waarbij hij op 24 april onderkruiper Johannes Lahaije herhaaldelijk op het hoofd heeft geslagen, waarvoor hij op 7 juni door de rechtbank in Roermond veroordeeld wordt tot drie maanden cel. En Bertus krijgt op 2 juli, enkele dagen voordat de staking eindigt, nog eens klappen in het bierhuis van Engelbert Versteegen op Donk. Hendricus Martinus v.d. Kerkhof is de dader die meteen hierna ook Martinus Martinali, schoonzoon van Bertus, slaat. Het vonnis is ƒ15,- boete.
 
Hinderlijk volgen
De in het been gewond geraakte staker Martinus Jac. v.d. Elzen is in april bij een ander incident betrokken. Een groep van dertien vrij jonge stakers waartoe hij behoort, volgt op hinderlijke wijze onderkruiper Martinus van Bracht, opzichter bij Van Thiel. Dat gebeurt op 16 april en brigadier Adam heeft hiervan proces-verbaal opgemaakt. De officier van justitie eist tegen hen een geldboete van  ƒ10,- of een gevangenisstraf van tien dagen; tegen de 15-jarige Elemans eist hij voorwaardelijke tuchtschool van een maand met een proeftijd van twee jaar. Een forse eis. Gelukkig is er geen hard bewijs op tafel gekomen en wordt de groep door rechter Bink op 30 juni vrijgesproken. Maar er wordt hoger beroep aangetekend en op 29 november is dit vonnis in de arrondissementsrechtbank in Roermond alsnog teruggedraaid. De groep wordt gevonnist met geldboetes van ƒ2,- en ƒ3,-. Dit hinderlijk volgen van onderkruipers stopt eind april, nadat burgemeester Verhaak met de stakers om de tafel heeft gezeten.
 
Ordehandhaving
Onze burgemeester vroeg op 15 december, dus nog vóór de staking, aan de procureur-generaal van justitie versterking van 15 á 20 manschappen áls deze zou uitbreken, waarvan toen al sprake was. Hierop kreeg hij geen antwoord en toen de staking daadwerkelijk een feit was, kwam een vijftal marechaussees per auto, eigendom van de Van Thiels, uit Eindhoven hier aan. Zij werden op Donk ingekwartierd en half januari waren drie man bij weduwe Dahmen (de “Zaal” in de Mgr. Verhagenstraat) en een brigadier en twee marechaussees bij J. Kuijpers in Beek ondergebracht.
Vooral in het begin van de werkstaking treden rijkspolitie en marechaussees hard op. Op 26 december is al ’n geweldsuitbarsting waarover de burgemeester zeer verbolgen is. Dit is voor de Van Thiels aanleiding hem ervan te beschuldigen dat hij de stakers goedgezind is, hetgeen uit de briefwisseling van Verhaak aan de bevoegde instanties niet blijkt. Hierin komt hij vrij neutraal over, hoewel hij veel gezag en invloed heeft bij de stakers en hun gezinnen.
 
Het geweld van de zijde van de “sabels en karabijnen” wordt ook door de voltallige gemeenteraad afgekeurd in de vergadering van 26 februari. Raadslid Hendricus Rooijakkers vraagt dan naar de stand van zaken met betrekking tot de werkstaking en de burgemeester schetst het verloop en de maatregelen door hem genomen in 't belang der goede orde en hoe in het begin vooral door de Rijkspolitie werd opgetreden. Met het gevolg dat daardoor niets dan verbittering ontstond. De raadsleden keuren dat optreden algemeen af en zouden het goed vinden dat daarop bij de autoriteiten gewezen werd. Lid Martinus v.d. Leemputten is bereid een ontwerpbrief op te stellen, begeeft zich even ter secretarie en geeft bij zijn terugkeer in de vergadering voorlezing van een motie die, na enige wijziging aangebracht op voorstel van raadslid Adrianus v. Hoof, met algemene stemmen wordt aangenomen. Deze luidt:
“De Raad der gemeente Beek en Donk op 26 februari 1910 in voltallige zitting bijeen;
Gehoord de besprekingen naar aanleiding der werkstaking bij de firma Van Thiel ontstaan;
Keurt goed de houding van het hoofd der politie inzake de genomen maatregelen;
Laakt tevens het streng optreden der Rijkspolitie;
Blijft zijn volle vertrouwen schenken in den Burgemeester die steeds de orde en de vrede in de gemeente wist te bewaren en nu bij den staking met zooveel bezadigdheid, beleid en opoffering, eveneens de rust, ondanks het optreden der rijkspolitie wist te handhaven.
En zal van dit besluit bericht doen aan Z.E. de Minister van Binnenlandse Zaken, den Heer Commissaris der Koningin en in afschrift gezonden worden aan den Heer Procureur Generaal, den Heer Officier van Justitie en den Heer Kantonrechter.”
Burgemeester Verhaak dankt voor het in hem gestelde vertrouwen en geeft de verzekering dat hij zal trachten voort te gaan met het nemen van maatregelen in 't belang der goede rust in de gemeente.
 
Petten en uniformen
Tijdens deze staking lopen niet alleen de rijkspolitie en marechaussee in ons dorp rond om de orde te handhaven. Natuurlijk blijven ook onze veldwachter Jan Cornelis Douze en de onbezoldigde rijksveldwachter Antonie van Balkom op hun post om hun plicht te doen. Van laatstgenoemde werd beweerd dat hij, evenals de burgemeester, op de hand van de stakers zou zijn en marechaussee Kolen beschuldigde hem tijdens een rechtszitting in Roermond ervan dat dit het geval was. Antonie is er namelijk van beschuldigd onderkruiper Petrus van Boxtel uit Veghel bij de keel te hebben gegrepen. Getuigen worden gehoord, maar hij wordt tijdens de rechtszaak vrijgesproken, omdat er geen rechtsgeldig bewijs is dat hij hem heeft willen mishandelen.
 
Uit de stukken zijn de nodige namen van politie en marechaussee te halen die voor korte of langere tijd in ons dorp hebben rondgelopen:
Augustus Adolphus Adam                 brigadier detachementscommandant te Gemert
Erasmus Kolen                                  brigadier Koninklijke Marechaussee te Eindhoven
Jacobus Duijsters                              marechaussee
Edmond Lauwers                               marechaussee
Johannes van der Aa                         brigadier der marechaussee
J.J. Hofstede                                      brigadier der marechaussee te Asten
Fr.H. Priem                                        brigadier der marechaussee te Budel
J.H. Balvers                                       marechaussee te Eindhoven
Jan Tavenier                                      wachtmeester te Helmond
Matheus van Baar                             brigadier Koninklijke Marechaussee
Wilhelmus Donkers                           brigadier Koninklijke Marechaussee
Paulus Straatman                              brigadier Koninklijke Marechaussee in Eindhoven
Willem Robijn                                     marechaussee in Eindhoven
Cornelis Johannes Malipaard            brigadier in Eindhoven
Hendricus Prothoff                            brigadier detachementscommandant marechaussee
 
Familie Van de Laarschot
Vader Arnoldus van de Laarschot, geboren in Erp, is getrouwd met Maria van den Berg die in Gemert geboren is. Zij komen in 1892 naar Beek en Donk, waar zij op verschillende adressen wonen, eerst Oranjelaan A142, dan Pater Becanusstraat A 24 en A23, daarna Kapelstraat C47 en tijdens de staking wonen zij in de Leekerstraat D77, wat later de Mgr. Verhagenstraat nummer 36 is gaan heten. Arnoldus werkt bij de firma Van Thiel en overlijdt op 19 november 1916, terwijl Maria de dag erna sterft.
In het huis aan de Leekerstraat wonen de volgende personen:
Zoon Martinus, geboren in Erp op 27-12-1875, is draadtrekker/machinesteller en werkt ook tijdens de staking bij de firma, maar verhuist op 7 mei 1910 naar Woensel om vervolgens op 30 juni weer terug te keren naar de Leekerstraat.
Zoon Johannes (Hannes), geboren in Erp op 21-2-1880, is baas/klinkboutendrukker. Hem werd een vergunning tot het hebben van een revolver geweigerd.
Zoon Hendricus, geboren in Erp op 3-10-1887, de schutter uit dit artikel.
Op 26 april 1910 komt stoker Frederik Derks, onderkruiper uit Veghel, bij hen in huis wonen en op 15 juli, als de staking voorbij is, komt daar ook nog Johannes Petrus van de Ven uit Veghel bij.
 
Bronnen:
Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Historische Kranten, diverse kranten
RHCL, regionaal historisch centrum Limburg, Maastricht archief Rechtbank Roermond 08.011-338 en 593
BHIC, Den Bosch, Toegangsnummer 17 Provinciaal Bestuur, Inventarisnummers 1785 t.m. 1788
BHIC, Den Bosch, Toegangsnummer 24 Justitie, 475 Rechtbank Den Bosch
BHIC, Den Bosch, Toegangsnummer 34 Kantongerecht Helmond, inventarisnr. 105
BHIC, Den Bosch, Toegangsnummer 188 Archief Van Thiel, 54 Kasboek

RHC, Eindhoven, Archief Beek en Donk 1811-1930, inventarisnummers 39, 40, 439, 738, en 952



[i] RHC, Eindhoven , Archief Beek en Donk 1811-1930, Inventarisnummer 738 correspondentie Officier van Justitie.

[ii] Tijdens de raadsvergadering van 22 juni 1938 was het voorstel van B&W de naam Leekerstraat te veranderen in Mgr. Verhagenstraat, terwijl in eerste instantie het advies van de commissie voor straatnamen was om het Sluisstraat te noemen. Alleen raadslid Willemen was tegen, zodat het voorstel met tien tegen een is aangenomen.

[iii] In het raadhuis bevindt zich een politiekantoortje met gevangenis.

[iv] Tijdens de staking zijn in het dorp marechaussees gestationeerd die een oogje in het zeil moeten houden.

[v] Volgens de Nieuwe Tilburgsche Krant van 14 februari heeft Hendricus “de revolver van den jongenheer H.v.T., zoontje van een der firmanten, gekregen om tusschen de stakers te schieten.” Overigens is uit mijn onderzoek nergens gebleken dat Hendricus voor dit wapen een vergunning aangevraagd én gekregen heeft.

[vi] Definitie doodslag: poging iemand van het leven te beroven zonder dat er sprake is van een van te voren beraamd plan.

[vii] In de stakingsperiode werd voor ƒ243,60 aan tramgeld uitbetaald uit de firmakas. En ƒ372,- werd uitgegeven aan fietsen en betaalde vracht van huisraad. Maar… toen de staking stopte, werd onmiddellijk de “goedgeefsheid” van de firma richting Veghelnaren gestopt.

[viii] Doorslag: ijzeren werktuig voor het maken van gaten in de trekijzers; zo’n doorslag was ongeveer 12 cm lang en 2 cm middellijn, een gevaarlijk wapen.

[ix] Het Volk dagblad voor de arbeiderspartij, vrijdag 21 januari 1910.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten