Aanleiding
voor dit artikel zijn twee zaken die nauw met elkaar in verband staan.
In de
eerste plaats een digitale krantenartikel bij de Koninklijke Bibliotheek in Den
Haag waarin staat dat een van de Van Thiels revolvers heeft gekocht.
Interessant genoeg voor nader onderzoek! In de tweede plaats kom je begin 1910 in
het archief van de Commissaris der Koningin in Den Bosch vanuit het hele
provinciale gebied diverse aanvragen tegen voor een vergunning tot het dragen
van een revolver. Je zou bijna denken dat het een gevaarlijke periode en gebied
is. Ook vanuit ons dorp vraagt koopman Johannes Engels op 24 januari
toestemming om in de wintermaanden van november tot mei een revolver te dragen,
omdat hij met zijn paard en vrachtkar twee keer per week naar Eindhoven gaat. Vaak
met het nodige geld op zak. Bij dergelijke aanvragen wordt eerst altijd de plaatselijke
burgemeester gevraagd of dit verantwoord is. In ons geval vindt onze burgemeester
Verhaak dat de man “bedaard en van onbesproken gedrag” is, zodat geen gevaar
bestaat voor een verkeerd gebruik van het wapen.
Zoals
u weet was op 20 december 1909 in Beek en Donk een grote staking uitgebroken
bij de firma P. van Thiel & Zn. die pas op 4 juli 1910 werd opgeheven. 170
Arbeiders gingen in staking, maar de firma wilde koste wat kost de fabriek
draaiende houden. Dat gebeurde onder andere met enkele werkwilligen (in
vakbondstaal onderkruipers), kinderen van de firmanten zelf en later ook
stakingsbrekers die vanuit de omgeving werden geronseld.
Dat
zette natuurlijk kwaad bloed en de stakers postten daarom regelmatig bij de
poort om deze mensen op andere gedachten te brengen en hen te laten weten dat
dit eigenlijk niet door de beugel kon. Ook volgden zij regelmatig de
onderkruipers bij het komen en gaan naar de fabriek en de mensen uit Erp en
Veghel werden bijna elke dag door een grote groep stakers “begeleid” van en
naar het Beekse tramstation. De Van Thiels vonden dit blijkbaar zo intimiderend
dat een van hen besloot bij een wapenhandelaar in Helmond voor hun bescherming revolvers
te kopen. Uit de archieven zijn drie namen van onderkruipers te achterhalen die
bij de Commissaris der Koningin een vergunning aanvroegen voor het bezit van zo’n
revolver. Lieshoutenaar Wilhelmus van Aarle vroeg dit op 29 december ’09 en kreeg
als eerste vergunning. In januari kreeg Martinus van Bracht ook toestemming,
omdat burgemeester Verhaak dit geoorloofd vond, daar hij “als baas en door zijn
wat luidruchtig partij kiezen voor zijn patroon, wel vijanden gemaakt kan
hebben.”
De
derde persoon, baas en ladingmeester der boten, Johannes (Hannes) van de
Laarschot vroeg ook een vergunning aan, maar de burgemeester stak hier een
stokje voor. Hij vond Hannes weliswaar “een bedaard man die tot voor kort
weinig de herbergen bezocht”, maar thans “bezoekt hij ze met enige andere
personen geregeld en trof ik hem zelf zondagavond in een bierhuis aan, wat in
deze mij ook niet aanbevelenswaardig voorkomt.” Dus géén vergunning.
 |
Brief van de firma Van Thiel aan de burgemeester van Beek en Donk met het verzoek een samenscholingsverbod in te stellen
|
Hoewel
in het krantenbericht sprake is dat ene Van Thiel tien revolvers zou hebben aangeschaft,
zijn er slechts drie te achterhalen, althans waar vergunning voor is
aangevraagd. Maar er zijn meer wapens illegaal in omloop geweest, hetgeen
blijkt uit een niet ondertekend briefje in het Beek en Donkse archief[i]. Daarin is te lezen dat
verschillende onderkruipers revolvers dragen en op 17 april hebben zij nog een
duif geschoten bij sluis 5 in Erp. Bovendien zijn de stakers Cor v.d. Putten en
Wil Martinali door drie onderkruipers met een revolver bedreigd op de weg naar
Gemert. Niet vermeld is wanneer dit gebeurde. Ook klaagde weduwe Verbakel
Boerdonk dat bijna elke avond onderkruipers op haar hond schieten. Het aantal
van tien revolvers waar in het krantenartikel sprake is, kan dus goed in
overeenstemming met de werkelijkheid zijn.
In een
klein dorp als de onze lopen bij zo’n grote staking de spanningen tussen
onderkruipers en stakers met hun aanhang soms hoog op en zijn incidenten daarom
onvermijdelijk, zeker gezien deze wapens. Er zijn enkele opgewonden standjes
die rekeningen te vereffenen hebben en ’n paar van deze afrekeningen passeren
hier de revue. Ik baseer me hiervoor op archiefstukken, krantenartikelen uit
die periode en rechtbankverslagen uit Den Bosch en Roermond.
Poging tot doodslag
Op
woensdagavond 9 februari rond zeven uur wandelt een groep stakers bij het huis in
de Leekerstraat D77 (later is dit Mgr. Verhagenstraat 36 geworden) waar
onderkruiper Hendricus van de Laarschot en zijn familie woont[ii].
Hij is de broer van Johannes die vergunning voor het dragen
van een revolver aanvroeg en niet kreeg en werkt sinds het uitbreken van de
staking ook bij de firma. Hij is op dat moment binnen en hoort rumoer op
straat, even later gevolgd door een harde knal tegen de deur, althans hij
beweert later dat er met stenen gegooid is, hetgeen de stakers ten stelligste
ontkennen. Als door een wesp gestoken stormt hij naar buiten en wordt
geconfronteerd met ’n groep stakers, wel vijfentwintig man sterk. Hij grijpt
zijn met hagelpatronen geladen revolver, onderwijl roepend: “Wacht verdomme, ik
zal jelui eens leren”, schiet en raakt de twintigjarige Martinus Jacobus van
den Elzen in
zijn linkerknie. Hij vuurt nog eens en treft hem in zijn linker elleboog. Voor
de derde keer haalt ie de trekker over en schiet bij Matheus van den Elzen de
pijp aan diggelen die hij in de mond hield. Hij houdt alleen een stuk van de
pijpensteel over.
Gelukkig
voor de stakers valt de schade mee, twee wondjes en een kapotte pijp, maar
toch. Er wordt door vier personen direct aangifte van het gebeurde bij
burgemeester Verhaak gedaan, die opdracht geeft Hendricus op te brengen naar
het raadhuis[iii].
Hier wordt hij verhoord door detachementcommandant Prothoff[iv] en Hendricus verklaart
dat hij de revolver van een zoon van een der firmanten heeft gekregen[v]. In zijn rapport
omschrijft Prothoff de daad van Van de Laarschot als zijnde “poging tot
doodslag”[vi], een ernstig feit
waarvoor ie een zware pijp zal gaan roken, dunkt me. Vervolgens is Hendricus
gearresteerd en naar de gevangenis in Roermond overgebracht waar hij op 16
februari weer in vrijheid wordt gesteld, volgens de Tilburgsche Courant.
 |
Krantenbericht over het schietincident in Het Volk van 15 februari 1910
|
Op
woensdag 30 maart volgt in de rechtbank te Roermond het gerechtelijk onderzoek
onder leiding van president Baron de Bieberstein. Deze hoort acht getuigen,
waaronder dokter Timmers die de wonden van Van den Elzen heeft behandeld. Hij
verklaart dat de wonden ongevaarlijk waren. Wachtmeester der marechaussee Bil
uit Roermond heeft de revolver geïnspecteerd, proeven gedaan met de
hagelpatronen en geconstateerd dat op een afstand van drie meter zwaar
lichamelijk letsel wordt toegebracht, maar op een afstand van zes tot zeven
meter niet. En dat is ongeveer de afstand waarop Hendricus schoot. Vervolgens
komt marechaussee Prothoff aan het woord die het voorval nog eens beschrijft.
Gewonde Van den Elzen, pijproker Van den Elzen, Antonius van den Eijnde,
Hendrikus Engels en tenslotte Martinus van der Sanden leggen hun getuigenissen
af met allemaal hetzelfde verhaal van het gebeurde. Ook verdachte Hendricus zelf
komt nog met zijn kant van het verhaal. Hij wordt bijgestaan door Jhr. Mr. G.
Michiels van Kessenich, advocaat in Roermond.
Op 12 april volgt de uitspraak waarbij de verdachte zelf niet
aanwezig is. De officier van justitie heeft ondanks poging tot zware
mishandeling toch maar acht dagen cel geëist. Hoewel de rechter “bedreiging met
eenig misdrijf tegen het leven” bewezen acht en Van de Laarschot daadwerkelijk
met opzet het leven van de mensen bedreigde door te vuren -zijn advocaat
beweerde dat hij gehandeld heeft uit noodweer-, komt de rechtbank toch tot een
vonnis van maar drie dagen hechtenis, omdat ter rechtszitting niet rechtsgeldig
bewezen kon worden dat sprake was van “poging tot zware mishandeling”. Wel moet
de revolver worden vernietigd en de als bewijsstukken dienende jas en broek van
Martinus Jacobus van den Elzen moeten worden teruggegeven.
Saillant
detail: niet alleen steunden de Van Thiels de onderkruipers materieel met
revolvers, ook financieel was er back-up. Toen Hendricus moest vóórkomen kreeg
hij op 21 maart drie gulden voor reisgeld naar Roermond. Dit werd nota bene
betaald uit de kas van de firma, zoals ook het tramgeld hieruit werd betaald
aan de onderkruipers die elke dag vanuit Erp en Veghel kwamen werken, tot zelfs
fietsen en verhuiskosten voor de Veghelnaren[vii]. Overigens blijkt uit de
kasboeken niet dat de advocaat door de firma werd betaald. Wél leende Hendricus
op 17 mei ƒ60,- uit de firmakas, wellicht om hem daarmee te betalen en voor
andere kosten. Vaak werd in dergelijke gevallen zulke leningen via het loon
terugbetaald.
 |
Reactie van de slachtoffers van Van de Laarschot in een ingezonden stuk in de in Helmond verschijnende krant De Zuid-Willemsvaart van 19 februari 1910
|
 |
Deel van het kasboek van de firma Van Thiel, waarin vermeld staat dat ƒ3,- werd betaald aan Van de Laarschot als reisgeld naar de terechtzitting in Roermond
|
De
drie dagen hechtenis van een onderkruiper staan in schril contrast tot de eisen
en vonnissen bij andere gelegenheden waarbij stakers of hun aanhangers betrokken
zijn. Je kunt je afvragen of hier sprake is van klassenjustitie.
Zo
wordt op 27 april bij het gerechtshof in Den Bosch Petrus Engels in hoger
beroep veroordeeld tot vier maanden cel. Petrus, zelf geen staker, stond op 30
januari samen met de stakers Cornelis v.d. Berg en Arnoldus v.d. Kerkhof op de
weg van Beek naar Donk. Toen Cornelis ’n steen gooide naar de onderkruipers
Antonius en Johannes van Doore uit Veghel ontstond ruzie, waarop Petrus beiden
met een doorslag[viii]
sloeg. Eerder was hij hiervoor al in Roermond veroordeeld tot zes maanden en
vernietiging van de doorslag. En Cornelis was door het kantongerecht in Helmond
op 24 februari wegens dit stenen gooien veroordeeld voor straatschenderij tot
een boete van ƒ5,- ongeveer een weekloon.
Zware mishandeling
Het
volgende voorval is gedestilleerd uit een krantenbericht en
getuigenverklaringen bij de rechtbank[ix]. Op de fabriek werken
vader Bertus (Albertus) C(K)ouwenberg en de twee zonen Wilhelmus en de getrouwde
Theodorus. Vader Bertus is onderkruiper, terwijl beide zonen wél met de staking
meedoen en bij de fabriek posten, wat natuurlijk tegen het zere been van Bertus
is. Als de ongetrouwde Wilhelmus op ’n dag thuiskomt, zegt vader hem dat de
drie gulden ondersteuning die hij voor de staking krijgt te weinig is. Hij zegt
de zoon de wacht aan en vertelt hem dat, als hij nog eens zou posten en niet
mee naar het werk ging, hij “hem kapot zou slaan of de deur uitgooien”. Tijdens
de stakersvergadering de dag erna vertelt de zoon dit; iedereen is
verontwaardigd en broer Theo zei dat hij wel bij hem kon komen als vader hem
uit huis gooide.
Dit huiselijke
akkefietje wordt in het dorp bekend en op maandag 16 januari hebben de
21-jarige Wilhelmus Goossens en de 19-jarige Andreas Meulendijks Bertus aangepakt.
Wilhelmus slaat hem met zijn fiets(!) tegen het hoofd, terwijl Andreas, als Bertus
op de grond ligt, hem enkele keren tegen het hoofd schopt. Bertus’ linkeroor is
twee cm ingescheurd, zijn linkerwang en keel zijn opgezwollen, terwijl uit mond
en oor veel bloed vloeit, aldus het proces-verbaal dat brigadier Adam opmaakt.
Opmerkelijk is de passage in de krant dat dokter Timmers Bertus niet wil
helpen, omdat hij nog een schuld te betalen heeft van zeven jaar geleden. Of
dit op waarheid berust is niet zeker, wel is het een feit dat de dokter hem pas
de volgende morgen behandelt. Een van de gendarmes heeft op de dag zelf een
eerste verband gelegd.
De
officier eist hiervoor vier maanden cel en op 5 april wordt het vonnis
uitgesproken: terecht worden beiden schuldig verklaard en veroordeeld tot een
gevangenisstraf van drie maanden. Laat duidelijk zijn, hier is sprake van zware
mishandeling, terwijl de motieven van de twee -na het lezen van het
krantenartikel- eigenlijk nog wel te begrijpen maar zeker niet goed te keuren
zijn. De schuldigen van de mishandeling zijn zelf geen staker, maar Goossens is
de zoon van staker Cornelis Goossens. Ook zijn broer is staker en op die manier
zal hij het verhaal te horen hebben gekregen.
Later
is dezelfde Andreas Meulendijks betrokken bij een ander incident, waarbij hij
op 24 april onderkruiper Johannes Lahaije herhaaldelijk op het hoofd heeft geslagen,
waarvoor hij op 7 juni door de rechtbank in Roermond veroordeeld wordt tot drie
maanden cel. En Bertus krijgt op 2 juli, enkele dagen voordat de staking eindigt,
nog eens klappen in het bierhuis van Engelbert Versteegen op Donk. Hendricus
Martinus v.d. Kerkhof is de dader die meteen hierna ook Martinus Martinali,
schoonzoon van Bertus, slaat. Het vonnis is ƒ15,- boete.
Hinderlijk volgen
De in
het been gewond geraakte staker Martinus Jac. v.d. Elzen is in april bij een
ander incident betrokken. Een groep van dertien vrij jonge stakers waartoe hij
behoort, volgt op hinderlijke wijze onderkruiper Martinus van Bracht, opzichter
bij Van Thiel. Dat gebeurt op 16 april en brigadier Adam heeft hiervan
proces-verbaal opgemaakt. De officier van justitie eist tegen hen een geldboete
van ƒ10,- of een gevangenisstraf van
tien dagen; tegen de 15-jarige Elemans eist hij voorwaardelijke tuchtschool van
een maand met een proeftijd van twee jaar. Een forse eis. Gelukkig is er geen
hard bewijs op tafel gekomen en wordt de groep door rechter Bink op 30 juni vrijgesproken.
Maar er wordt hoger beroep aangetekend en op 29 november is dit vonnis in de
arrondissementsrechtbank in Roermond alsnog teruggedraaid. De groep wordt
gevonnist met geldboetes van ƒ2,- en ƒ3,-. Dit hinderlijk volgen van onderkruipers
stopt eind april, nadat burgemeester Verhaak met de stakers om de tafel heeft
gezeten.
Ordehandhaving
Onze
burgemeester vroeg op 15 december, dus nog vóór de staking, aan de
procureur-generaal van justitie versterking van 15 á 20 manschappen áls deze
zou uitbreken, waarvan toen al sprake was. Hierop kreeg hij geen antwoord en
toen de staking daadwerkelijk een feit was, kwam een vijftal marechaussees per
auto, eigendom van de Van Thiels, uit Eindhoven hier aan. Zij werden op Donk
ingekwartierd en half januari waren drie man bij weduwe Dahmen (de “Zaal” in de
Mgr. Verhagenstraat) en een brigadier en twee marechaussees bij J. Kuijpers in
Beek ondergebracht.
Vooral
in het begin van de werkstaking treden rijkspolitie en marechaussees hard op.
Op 26 december is al ’n geweldsuitbarsting waarover de burgemeester zeer
verbolgen is. Dit is voor de Van Thiels aanleiding hem ervan te beschuldigen
dat hij de stakers goedgezind is, hetgeen uit de briefwisseling van Verhaak aan
de bevoegde instanties niet blijkt. Hierin komt hij vrij neutraal over, hoewel
hij veel gezag en invloed heeft bij de stakers en hun gezinnen.
Het
geweld van de zijde van de “sabels en karabijnen” wordt ook door de voltallige
gemeenteraad afgekeurd in de vergadering van 26 februari. Raadslid Hendricus Rooijakkers
vraagt dan naar de stand van zaken met betrekking tot de werkstaking en de burgemeester
schetst het verloop en de maatregelen door hem genomen in 't belang der goede
orde en hoe in het begin vooral door de Rijkspolitie werd opgetreden. Met het
gevolg dat daardoor niets dan verbittering ontstond. De raadsleden keuren dat
optreden algemeen af en zouden het goed vinden dat daarop bij de autoriteiten
gewezen werd. Lid Martinus v.d. Leemputten is bereid een ontwerpbrief op te
stellen, begeeft zich even ter secretarie en geeft bij zijn terugkeer in de
vergadering voorlezing van een motie die, na enige wijziging aangebracht op
voorstel van raadslid Adrianus v. Hoof, met algemene stemmen wordt aangenomen.
Deze luidt:
“De
Raad der gemeente Beek en Donk op 26 februari 1910 in voltallige zitting
bijeen;
Gehoord
de besprekingen naar aanleiding der werkstaking bij de firma Van Thiel
ontstaan;
Keurt
goed de houding van het hoofd der politie inzake de genomen maatregelen;
Laakt
tevens het streng optreden der Rijkspolitie;
Blijft
zijn volle vertrouwen schenken in den Burgemeester die steeds de orde en de
vrede in de gemeente wist te bewaren en nu bij den staking met zooveel
bezadigdheid, beleid en opoffering, eveneens de rust, ondanks het optreden der
rijkspolitie wist te handhaven.
En zal
van dit besluit bericht doen aan Z.E. de Minister van Binnenlandse Zaken, den
Heer Commissaris der Koningin en in afschrift gezonden worden aan den Heer
Procureur Generaal, den Heer Officier van Justitie en den Heer Kantonrechter.”
Burgemeester
Verhaak dankt voor het in hem gestelde vertrouwen en geeft de verzekering dat
hij zal trachten voort te gaan met het nemen van maatregelen in 't belang der
goede rust in de gemeente.
Petten en uniformen
Tijdens
deze staking lopen niet alleen de rijkspolitie en marechaussee in ons dorp rond
om de orde te handhaven. Natuurlijk blijven ook onze veldwachter Jan Cornelis
Douze en de onbezoldigde rijksveldwachter Antonie van Balkom op hun post om hun
plicht te doen. Van laatstgenoemde werd beweerd dat hij, evenals de
burgemeester, op de hand van de stakers zou zijn en marechaussee Kolen
beschuldigde hem tijdens een rechtszitting in Roermond ervan dat dit het geval was.
Antonie is er namelijk van beschuldigd onderkruiper Petrus van Boxtel uit
Veghel bij de keel te hebben gegrepen. Getuigen worden gehoord, maar hij wordt
tijdens de rechtszaak vrijgesproken, omdat er geen rechtsgeldig bewijs is dat
hij hem heeft willen mishandelen.
Uit de
stukken zijn de nodige namen van politie en marechaussee te halen die voor
korte of langere tijd in ons dorp hebben rondgelopen:
Augustus Adolphus Adam brigadier detachementscommandant
te Gemert
Erasmus Kolen brigadier Koninklijke Marechaussee
te Eindhoven
Jacobus Duijsters marechaussee
Edmond Lauwers marechaussee
Johannes van der Aa brigadier der
marechaussee
J.J. Hofstede brigadier der marechaussee te
Asten
Fr.H. Priem brigadier der marechaussee te
Budel
J.H. Balvers marechaussee te Eindhoven
Jan Tavenier wachtmeester
te Helmond
Matheus van Baar brigadier Koninklijke Marechaussee
Wilhelmus Donkers brigadier Koninklijke Marechaussee
Paulus Straatman brigadier Koninklijke Marechaussee in
Eindhoven
Willem Robijn marechaussee in Eindhoven
Cornelis Johannes Malipaard brigadier in Eindhoven
Hendricus Prothoff brigadier
detachementscommandant marechaussee
Familie Van de Laarschot
Vader
Arnoldus van de Laarschot, geboren in Erp, is getrouwd met Maria van den Berg
die in Gemert geboren is. Zij komen in 1892 naar Beek en Donk, waar zij op
verschillende adressen wonen, eerst Oranjelaan A142, dan Pater Becanusstraat A
24 en A23, daarna Kapelstraat C47 en tijdens de staking wonen zij in de
Leekerstraat D77, wat later de Mgr. Verhagenstraat nummer 36 is gaan heten. Arnoldus
werkt bij de firma Van Thiel en overlijdt op 19 november 1916, terwijl Maria de
dag erna sterft.
In het
huis aan de Leekerstraat wonen de volgende personen:
Zoon
Martinus, geboren in Erp op 27-12-1875, is draadtrekker/machinesteller en werkt
ook tijdens de staking bij de firma, maar verhuist op 7 mei 1910 naar Woensel om
vervolgens op 30 juni weer terug te keren naar de Leekerstraat.
Zoon
Johannes (Hannes), geboren in Erp op 21-2-1880, is baas/klinkboutendrukker. Hem
werd een vergunning tot het hebben van een revolver geweigerd.
Zoon
Hendricus, geboren in Erp op 3-10-1887, de schutter uit dit artikel.
Op 26
april 1910 komt stoker Frederik Derks, onderkruiper uit Veghel, bij hen in huis
wonen en op 15 juli, als de staking voorbij is, komt daar ook nog Johannes
Petrus van de Ven uit Veghel bij.
Bronnen:
Koninklijke
Bibliotheek, Den Haag, Historische Kranten, diverse kranten
RHCL,
regionaal historisch centrum Limburg, Maastricht archief Rechtbank Roermond 08.011-338
en 593
BHIC,
Den Bosch, Toegangsnummer 17 Provinciaal Bestuur, Inventarisnummers 1785 t.m.
1788
BHIC,
Den Bosch, Toegangsnummer 24 Justitie, 475 Rechtbank Den Bosch
BHIC,
Den Bosch, Toegangsnummer 34 Kantongerecht Helmond, inventarisnr. 105
BHIC,
Den Bosch, Toegangsnummer 188 Archief Van Thiel, 54 Kasboek
RHC, Eindhoven, Archief
Beek en Donk 1811-1930, inventarisnummers 39, 40, 439, 738, en 952
[i] RHC,
Eindhoven , Archief Beek en Donk 1811-1930, Inventarisnummer 738
correspondentie Officier van Justitie.
[ii] Tijdens
de raadsvergadering van 22 juni 1938 was het voorstel van B&W de naam
Leekerstraat te veranderen in Mgr. Verhagenstraat, terwijl in eerste instantie
het advies van de commissie voor straatnamen was om het Sluisstraat te noemen.
Alleen raadslid Willemen was tegen, zodat het voorstel met tien tegen een is
aangenomen.
[iii] In het
raadhuis bevindt zich een politiekantoortje met gevangenis.
[iv] Tijdens
de staking zijn in het dorp marechaussees gestationeerd die een oogje in het
zeil moeten houden.
[v] Volgens
de Nieuwe Tilburgsche Krant van 14 februari heeft Hendricus “de revolver van
den jongenheer H.v.T., zoontje van een der firmanten, gekregen om tusschen de
stakers te schieten.” Overigens is uit mijn onderzoek nergens gebleken dat
Hendricus voor dit wapen een vergunning aangevraagd én gekregen heeft.
[vi]
Definitie doodslag: poging iemand van het leven te beroven zonder dat er sprake
is van een van te voren beraamd plan.
[vii] In de
stakingsperiode werd voor ƒ243,60 aan tramgeld uitbetaald uit de firmakas. En
ƒ372,- werd uitgegeven aan fietsen en betaalde vracht van huisraad. Maar… toen
de staking stopte, werd onmiddellijk de “goedgeefsheid” van de firma richting
Veghelnaren gestopt.
[viii]
Doorslag: ijzeren werktuig voor het maken van gaten in de trekijzers; zo’n
doorslag was ongeveer 12 cm lang en 2 cm middellijn, een gevaarlijk wapen.
[ix] Het
Volk dagblad voor de arbeiderspartij, vrijdag 21 januari 1910.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten