Geschiedenis

donderdag 9 maart 2023

De Ganzesteeg

Als een nieuwe straat wordt aangelegd, vraagt het college van burgemeester en wethouder (B&W ) tegenwoordig eerst advies aan een zogeheten “commissie straatnaamgeving” voor een toepasselijke naam. Daarna wordt een definitief voorstel voorgelegd aan de gemeenteraad. Vroeger ging het er anders aan toe, toen democratisering van het bestuur nog niet had toegeslagen. B&W stelde zelf zonder tussenkomst een naam voor aan de gemeenteraad die hierover besliste. En nog verder terug in de tijd ontstonden straatnamen vaak spontaan onder de bevolking. Dit artikel gaat over zo’n weg of beter gezegd zandpad die tegenwoordig alweer van de kaart verdwenen is, de Ganzesteeg.

Laten we, voor we verdergaan, verduidelijken waar deze steeg heeft gelegen. Op bijgevoegde kadasterkaart uit het jaar 1832 liep vanaf de Donkse brug de Lekerstraat[i]. De Ganzesteeg kwam hierop uit, liep richting het kasteel en iets verderop ging deze met een haakse bocht richting Donkse brug. Het eigenaardige is nu dat alleen het eerste gedeelte vanaf de Lekerstraat over een afstand van ongeveer 150 meter de naam Ganzesteeg kreeg, terwijl de rest van de zandweg, die over de Donkse heide liep, geen naam had. Als we dit verhaal beginnen is het kanaal nog niet gegraven.

Cijns
We schrijven het jaar 1621. Op 11 oktober van dat jaar legde de Heer van Helmond, Alexander baron van Cortenbach, samen met Hubert Peters, Jan Aerts en Willem den jongen, in een overeenkomst vast dat deze Donkenaren voor het gebruik van een wagenweg achter het “Bosvelt” jaarlijks drie ganzen of tien solz[ii] per gans zullen betalen. Deze overeenkomst is terug te vinden in een Helmondse schepenprotocol. De inwoners hebben deze weg nodig om bij hun akkers te komen. Deze zogeheten cijns of betaling moest ieder jaar rond de 21ste oktober worden voldaan. Nog een andere voorwaarde van deze Heer was, dat zij wilgen en andere bomen op eigen kosten moesten aanplanten.
De lezer begrijpt nu hoe de Ganzesteeg aan haar naam kwam, niet omdat daar misschien ganzen rondwaggelden, wel omdat voor het gebruik van deze steeg betaald moest worden in natura met ganzen.

 

Interessant voor genealogen onder de lezers zijn de personen die aan de Heer van Helmond ganzen moesten leveren. Het volgende, niet complete, overzicht van namen is te halen uit de rekeningen opgesteld door de rentmeester van de Heer van Helmond.

1688-1695      Hubert Peeters en consorten

1696-1699      Willem Jansens representeert Hubert Peeters en consorten

1700                Willem Hendrix, Jan Aerts Huberts en Lenert Jan Theunis

1701                Aert Gielis Theunis, Jan Aerts Roeffs

1702                Jan Aerts bezorgt voor Lenert Jacobs, de kinderen van Michel Antheunis, Willem Hendrix Willems

1703                Jan Aerts Huberts, Jan Aerts, Willem Dirix

1709                Linder Jacobs 2 ganzen, Jean Aerts Hubers 1 gans, Matthaus Jansen 2 ganzen voor de afgelopen 4 jaar

1722                Marieken Mattewis, vrouw Jan Wilberts, Aerdt Jansen, Willem Hendrix van Dinter, wed. Delis Dirix, wed. Rombout Aerdts uit Gemert

1721-1735      Jan Janssen van Meerbeek

1722                Jan Aerdt Huijberts, Jan Wilbers

1723                wed. Dilis Dirix 3 ganzen t.m. 1724, Aerdt Janssen

1725                Aerdt Janssen

1726                Jan Willems Vermeulen namens wed. Dilis Dirix, Aerdt Janssen, wed. Rombout Aerts, Jan Wilberts

1734                Aerdt Janssen van Meerbeeck, achterstand 19 ganzen

1732-1739      Ard Janssen van Meerbeeck


Van 1621 tot 1687 zijn helaas geen andere namen bekend dan de drie eerder genoemden die de overeenkomst hadden getekend. Men hield zich niet elk jaar trouw aan de betaling, want vermeld werd dat in 1722 een akkoord was gesloten over achterstand van betaling. Twintig ganzen werden overgedragen door Marieken Mattewis, vrouw Jan Wilberts, Aerdt Jansen, Willem Hendrix van Dinter en weduwe Delis Dirix, terwijl de weduwe van Rombout Aerdts uit Gemert negen ganzen leverde en daarbij een bedrag betaalde van acht stuivers per gans voor vijf ganzen. De ontvangen ganzen werden daarna verkocht aan Jan Kets de snijder, leidekker De Haen en aan Jan Nooten voor totaal ƒ6 en 2 stuivers. Deze laatsten woonden in Helmond. En in 1734 had Aerdt Jansen van Meerbeeck een betalingsachterstand van maar liefst negentien ganzen. Ook kunnen we lezen dat de ganzen regelmatig vlak voor Kerst werden geleverd, waarna zij op het bord van de Heer van Helmond belandden. Gaan we ervan uit dat de eerste ganzen al in het jaar 1621 richting Helmond gingen en dat deze betaling tot in ieder geval het jaar 1814 doorging, zijn er in bijna twee eeuwen een fors aantal gevederde dieren aan de verschillende eigenaren van de steeg geleverd. Zo nu en dan werd in plaats van ’n gans het equivalent in geld gegeven[iii].


Juridische strijd

We maken nu een sprong naar het jaar 1815 waar de Ganzesteeg een hoofdrol speelt.
Gemeenten waren destijds verplicht om tweemaal per jaar een zogeheten schouw uit te voeren. Dan voerden burgemeester met een of twee raadsleden inspecties uit aan wegen, dijken en sloten of deze in orde waren. Als dat niet het geval was, moesten de eigenaren alles herstellen. Als die niet werden uitgevoerd kregen zij een boete.
In december van dat jaar schreef districtscommissaris Wesselman aan de Gouverneur van de provincie ‑tegenwoordig heet deze bestuurder Commissaris van de Koning- dat zijn vader Carel, toen hij in 1781 de heerlijkheid Helmond kocht en heer van Helmond werd, daarmee ook de Ganzesteeg kocht, waarop de eerder genoemde pacht van de drie ganzen rustte.
Maar het gemeentebestuur van Beek en Donk besloot om deze steeg schouwbaar te maken, wat inhield dat deze een publieke weg werd waarvan iedereen gebruik mocht maken. En dat ging ten koste van de pachters, die daarop de toegang tot de steeg hadden geblokkeerd. In de ogen van het plaatselijk bestuur waren zij daarom in overtreding en waren hiervoor beboet. De districtscommissaris legde de zaak zonder daarover een oordeel te vellen voor aan de Gouverneur om niet de schijn tegen te krijgen een “testis in propia causa” (getuige in zijn eigen zaak) te zijn.

Deel van het schouwverbaal uit 1815, waarop staat vermeld
dat weduwe Verbakel de boete heeft betaald

Burgemeester Johan de Jong klom ook in de pen en ging uitgebreid in op Wesselmans brief. Toen Johan te horen kreeg dat de grote steeg die liep van de Donk en uitkwam op de Lekerstraat was gestremd, ging hij poolshoogte nemen. Hij stelde vast dat de weduwe van Antonie Verbakel het recht in eigen handen genomen had en de steeg had geblokkeerd door het graven van een sleuf, zodat anderen er geen gebruik meer van konden maken. Om er zeker van te zijn dat Johan gelijk had dat deze steeg altijd een openbare weg was geweest, had hij de voornaamste en oudste mensen uit die buurt uitgenodigd en gevraagd hoe het zat. Dat was in die tijd een goed gebruik. Zij verklaarden dat deze steeg altijd door iedereen gebruikt mocht worden, ook daar waar het graafwerk had plaats gevonden. Zij waren nooit gehinderd geweest als zij gebruik maakten van de steeg. Daarop had Johan veldwachter Mathijs van de Weijenberg opgedragen weduwe Verbakel aan te zeggen de sleuf dicht te gooien en weer in goede staat terug te brengen. Zij weigerde. Johan liet haar naar het Raadhuis komen en wees haar op haar onrechtmatig handelen en waarschuwde dat het haar geld zou kosten als zij zou blijven weigeren het te herstellen.
 
Voor hij tot schouwing overging was Johan samen met vice-burgemeester Johannes van Veghel en  raadsleden naar de oude en aanzienlijke buurtbewoners gegaan om hun eerdere getuigenissen te laten herhalen. De burgemeester was met de Heer van Helmond en de Vrederechter van Helmond ter plaatse geweest en hadden vastgesteld dat de steeg tot publiek gebruik bestemd was. Daar was ook Antony Leenders aanwezig, een van de schatting plichtigen van de 3 ganzen en hij was bereid te getuigen vóór de Heer van Helmond. Hij verklaarde dat de steeg al eerder was opgegraven en een sleuf was aangebracht. Maar zijn getuigenis was in strijd met die van de anderen. Leenders verklaarde wel dat de steeg eerder al aan schouw onderhevig was geweest en de pachters hadden deze hersteld en onderhouden. De burgemeester merkte in zijn brief nog fijntjes op dat hij voor de helft eigenaar van genoemde steeg was en als hij ook, zoals de Heer van Helmond, de overtocht over zijn grond zou beletten en de inspectie zou tegenhouden, meer dan 20 morgen -ongeveer 20 hectare- van het beste land onbebouwd zou blijven.

Veldwachter van de Weijenberg had voor een gulden en twaalf stuivers de sleuf dichtgegooid. Dit bedrag moest samen met de boete door weduwe Verbakel betaald worden, wat zij deed op 30 maart 1816: drie gulden en vier stuivers. Vermeldenswaard is nog dat Johan in 1814 al een geschil had met de weduwe van Antonie Verbakel. Zij had namelijk een weg gegraven waardoor de burgemeester niet meer bij zijn goederen kon, die in hetzelfde gebied lagen. Het lijkt erop dat zij daarna wraak heeft willen nemen, maar kwam van een koude kermis thuis.
 
Gedoe
In het jaar 1816 was er een andere bestuurlijke ophef over de Ganzesteeg. Door de hoge waterstand als gevolg van de aanhoudende regen was de schouwvoering uitgesteld tot 9 en 10 oktober. De pas 22 jaar jonge Christiaan de Jong was intussen Johan de Jong opgevolgd als burgemeester. Johan was lid geworden van Gedeputeerde Staten van Brabant. Christiaan voerde de schouw, hierbij geassisteerd door de raadsleden Hendrik van Will en Peter Jan Peters. Er waren al enkele boetes opgelegd en toen ze bij de Ganzesteeg aankwamen werd vastgesteld dat deze in zo’n slechte staat verkeerde dat geen voertuig daar kon rijden. Van Will weigerde de steeg te schouwen en ook tekende hij het proces-verbaal van de al verrichte schouw niet, waarop ook Peters zijn handtekening niet wilde zetten. Daarop staakte de burgemeester de schouw waardoor de reeds genomen boetes kwamen te vervallen. De Jong drong er bij de Gouverneur op aan zodanige voorzieningen te treffen dat het werk toch kon worden voortgezet. In een brief aan de Gouverneur verdedigde Van Will zijn gedrag. Hij vond dat de burgemeester verordeningen maakte die niet bijdroegen aan verbetering van het geheel. De Gouverneur, niet onder de indruk van Van Wills verdediging, was van mening dat Hendrik verplicht was de schouw te voeren en het proces-verbaal te ondertekenen.
 
Toen een jaar later de voorjaarsschouw in mei gepland stond, was het weer Van Will die weigerde de Ganzesteeg te inspecteren. Hij kreeg steun van mederaadslid A. van der Aa die ook meehielp met de schouwvoering. Hendrik klom weer in de pen en bracht de Gouverneur op de hoogte van zijn motieven. Hij wilde zich niet aan zijn verplichting onttrekken, maar met zijn leeftijd van 66 jaar was hij niet in staat de jonge burgemeester bij te houden en de hele dag dit werk te doen. Aangekomen bij de Ganzesteeg was hij zo moe dat hij het werk moest staken. Hij voelde zich ook bezwaard de steeg te schouwen, omdat deze eerder nooit was geschouwd, wat dus niet waar was. Bovendien vond hij dat er sprake was van willekeur omdat de burgemeester zich aanmatigde het recht te hebben de steeg te schouwen. Andere dorpsgenoten waren die mening ook toegedaan. Hendrik wilde hierdoor niet in moeilijkheden gebracht worden.
Tegen de districtscommissaris vertelde Hendrik nog dat hij als Beekenaar niet graag ruzie had met de burgemeester. En bij de vorige schouw had de burgemeester tegen de zin van de raadsleden die hem assisteerden, de breuken op de dubbele weerpenning[iv] aanbesteed. De Ganzesteeg was daarvoor tevoren nooit geschouwd en dat riep haat en nijd op in de gemeente. De vorige boetes waren nooit ingevorderd wegens tegenwerking van de gechargeerden (bekeurden), aldus Hendrik. Ook dit keer vond de Gouverneur dat Van Will en Van der Aa gewezen moesten worden op hun verantwoordelijkheid. Zij moesten de steeg alsnog schouwen. Als zij bleven weigeren moest de burgemeester twee andere raadsleden aanwijzen dit te doen.
 
Zo zie je maar, dat over een onbeduidend steegje als de Ganzesteeg gans veel boven water te halen valt als je in oude archiefstukken duikt.

Bronnen:
RHC Eindhoven, 12063 archief Heerlijkheid Helmond
RHC Eindhoven, 13046 archief gemeentebestuur Beek en Donk 1811-1930, inventarisnummer 633
BHIC Den Bosch, archief Provinciaal Bestuur Noord-Brabant 1814-1920, inventarisnummers 88, 117 en 136


[i] nu de Mgr. Verhagenstraat, overgaand in de Lekerstraat

[ii] sol, een oude Franse munt ter waarde van tien centiemen

[iii] bovenstaande informatie kreeg ik van Lia van Zalinge-Spooren, waarvoor hartelijk dank.

[iv] breuk: boete waarmee een overtreding op een inspectie wordt bestraft;

  dubbele weerpenning: geldbedrag dat de beboete persoon in geval van gebrekkig onderhoud moet betalen voor gemaakte kosten van de nodige herstelwerkzaamheden, meestal verdubbeld met een gelijk bedrag aan boete

Geen opmerkingen:

Een reactie posten