Als
een nieuwe straat wordt aangelegd, vraagt het college van burgemeester en
wethouder (B&W ) tegenwoordig eerst advies aan een zogeheten “commissie
straatnaamgeving” voor een toepasselijke naam. Daarna wordt een definitief
voorstel voorgelegd aan de gemeenteraad. Vroeger ging het er anders aan toe,
toen democratisering van het bestuur nog niet had toegeslagen. B&W stelde
zelf zonder tussenkomst een naam voor aan de gemeenteraad die hierover
besliste. En nog verder terug in de tijd ontstonden straatnamen vaak spontaan
onder de bevolking. Dit artikel gaat over zo’n weg of beter gezegd zandpad die
tegenwoordig alweer van de kaart verdwenen is, de Ganzesteeg.
Laten we, voor
we verdergaan, verduidelijken waar deze steeg heeft gelegen. Op bijgevoegde
kadasterkaart uit het jaar 1832 liep vanaf de Donkse brug de Lekerstraat[i]. De Ganzesteeg kwam hierop
uit, liep richting het kasteel en iets verderop ging deze met een haakse bocht
richting Donkse brug. Het eigenaardige is nu dat alleen het eerste gedeelte vanaf
de Lekerstraat over een afstand van ongeveer 150 meter de naam Ganzesteeg
kreeg, terwijl de rest van de zandweg, die over de Donkse heide liep, geen naam
had. Als we dit verhaal beginnen is het kanaal nog niet gegraven.
We schrijven
het jaar 1621. Op 11 oktober van dat jaar legde de Heer van Helmond, Alexander
baron van Cortenbach, samen met Hubert Peters, Jan Aerts en Willem den jongen,
in een overeenkomst vast dat deze Donkenaren voor het gebruik van een wagenweg
achter het “Bosvelt” jaarlijks drie ganzen of tien solz[ii] per gans zullen betalen.
Deze overeenkomst is terug te vinden in een Helmondse schepenprotocol. De
inwoners hebben deze weg nodig om bij hun akkers te komen. Deze zogeheten cijns
of betaling moest ieder jaar rond de 21ste oktober worden voldaan. Nog
een andere voorwaarde van deze Heer was, dat zij wilgen en andere bomen op eigen
kosten moesten aanplanten.
De lezer
begrijpt nu hoe de Ganzesteeg aan haar naam kwam, niet omdat daar misschien
ganzen rondwaggelden, wel omdat voor het gebruik van deze steeg betaald moest
worden in natura met ganzen.
Interessant
voor genealogen onder de lezers zijn de personen die aan de Heer van Helmond ganzen
moesten leveren. Het volgende, niet complete, overzicht van namen is te halen
uit de rekeningen opgesteld door de rentmeester van de Heer van Helmond.
|
1688-1695 Hubert Peeters en consorten
1696-1699 Willem Jansens representeert Hubert
Peeters en consorten
1700 Willem
Hendrix, Jan Aerts Huberts en Lenert Jan Theunis
1701 Aert Gielis Theunis, Jan Aerts
Roeffs
1702 Jan Aerts
bezorgt voor Lenert Jacobs, de kinderen van Michel Antheunis, Willem Hendrix
Willems
1703 Jan Aerts
Huberts, Jan Aerts, Willem Dirix
1709 Linder Jacobs
2 ganzen, Jean Aerts Hubers 1 gans, Matthaus Jansen 2 ganzen voor de afgelopen
4 jaar
1722 Marieken
Mattewis, vrouw Jan Wilberts, Aerdt Jansen, Willem Hendrix van Dinter, wed.
Delis Dirix, wed. Rombout Aerdts uit Gemert
1721-1735 Jan Janssen van
Meerbeek
1722 Jan Aerdt
Huijberts, Jan Wilbers
1723 wed. Dilis
Dirix 3 ganzen t.m. 1724, Aerdt Janssen
1725 Aerdt Janssen
1726 Jan Willems
Vermeulen namens wed. Dilis Dirix, Aerdt Janssen, wed. Rombout Aerts, Jan
Wilberts
1734 Aerdt Janssen
van Meerbeeck, achterstand 19 ganzen
1732-1739 Ard Janssen van
Meerbeeck
|
Van 1621 tot
1687 zijn helaas geen andere namen bekend dan de drie eerder genoemden die de
overeenkomst hadden getekend. Men hield zich niet elk jaar trouw aan de
betaling, want vermeld werd dat in 1722 een akkoord was gesloten over
achterstand van betaling. Twintig ganzen werden overgedragen door Marieken
Mattewis, vrouw Jan Wilberts, Aerdt Jansen, Willem Hendrix van Dinter en weduwe
Delis Dirix, terwijl de weduwe van Rombout Aerdts uit Gemert negen ganzen leverde
en daarbij een bedrag betaalde van acht stuivers per gans voor vijf ganzen. De
ontvangen ganzen werden daarna verkocht aan Jan Kets de snijder, leidekker De
Haen en aan Jan Nooten voor totaal ƒ6 en 2 stuivers. Deze laatsten woonden in
Helmond. En in 1734 had Aerdt Jansen van Meerbeeck een betalingsachterstand van
maar liefst negentien ganzen. Ook kunnen we lezen dat de ganzen regelmatig vlak
voor Kerst werden geleverd, waarna zij op het bord van de Heer van Helmond belandden.
Gaan we ervan uit dat de eerste ganzen al in het jaar 1621 richting Helmond
gingen en dat deze betaling tot in ieder geval het jaar 1814 doorging, zijn er
in bijna twee eeuwen een fors aantal gevederde dieren aan de verschillende eigenaren
van de steeg geleverd. Zo nu en dan werd in plaats van ’n gans het equivalent
in geld gegeven[iii].

Juridische strijd
We maken nu een
sprong naar het jaar 1815 waar de Ganzesteeg een hoofdrol speelt.
Gemeenten waren
destijds verplicht om tweemaal per jaar een zogeheten schouw uit te voeren. Dan
voerden burgemeester met een of twee raadsleden inspecties uit aan wegen,
dijken en sloten of deze in orde waren. Als dat niet het geval was, moesten de eigenaren
alles herstellen. Als die niet werden uitgevoerd kregen zij een boete.
In december van
dat jaar schreef districtscommissaris Wesselman aan de Gouverneur van de
provincie ‑tegenwoordig heet deze bestuurder Commissaris van de Koning- dat
zijn vader Carel, toen hij in 1781 de heerlijkheid Helmond kocht en heer van
Helmond werd, daarmee ook de Ganzesteeg kocht, waarop de eerder genoemde pacht
van de drie ganzen rustte.
Maar het
gemeentebestuur van Beek en Donk besloot om deze steeg schouwbaar te maken, wat
inhield dat deze een publieke weg werd waarvan iedereen gebruik mocht maken. En
dat ging ten koste van de pachters, die daarop de toegang tot de steeg hadden
geblokkeerd. In de ogen van het plaatselijk bestuur waren zij daarom in
overtreding en waren hiervoor beboet. De districtscommissaris legde de zaak zonder
daarover een oordeel te vellen voor aan de Gouverneur om niet de schijn tegen
te krijgen een “testis in propia causa” (getuige in zijn eigen zaak) te zijn.
 |
|
Deel van het schouwverbaal uit
1815, waarop staat vermeld dat weduwe Verbakel de boete heeft betaald
|
Burgemeester Johan de Jong klom ook in
de pen en ging uitgebreid in op Wesselmans brief. Toen Johan te horen kreeg dat
de grote steeg die liep van de Donk en uitkwam op de Lekerstraat was gestremd,
ging hij poolshoogte nemen. Hij stelde vast dat de weduwe van Antonie Verbakel het
recht in eigen handen genomen had en de steeg had geblokkeerd door het graven
van een sleuf, zodat anderen er geen gebruik meer van konden maken. Om er zeker
van te zijn dat Johan gelijk had dat deze steeg altijd een openbare weg was
geweest, had hij de voornaamste en oudste mensen uit die buurt uitgenodigd en
gevraagd hoe het zat. Dat was in die tijd een goed gebruik. Zij verklaarden dat
deze steeg altijd door iedereen gebruikt mocht worden, ook daar waar het
graafwerk had plaats gevonden. Zij waren nooit gehinderd geweest als zij
gebruik maakten van de steeg. Daarop had Johan veldwachter Mathijs van de
Weijenberg opgedragen weduwe Verbakel aan te zeggen de sleuf dicht te gooien en
weer in goede staat terug te brengen. Zij weigerde. Johan liet haar naar het
Raadhuis komen en wees haar op haar onrechtmatig handelen en waarschuwde dat
het haar geld zou kosten als zij zou blijven weigeren het te herstellen.
Voor hij tot
schouwing overging was Johan samen met vice-burgemeester Johannes van Veghel en
raadsleden naar de oude en aanzienlijke buurtbewoners
gegaan om hun eerdere getuigenissen te laten herhalen. De burgemeester was met de Heer van
Helmond en de Vrederechter van Helmond ter plaatse geweest en hadden vastgesteld
dat de steeg tot publiek gebruik bestemd was. Daar was ook Antony Leenders aanwezig,
een van de schatting plichtigen van de 3 ganzen en hij was bereid te getuigen
vóór de Heer van Helmond. Hij verklaarde dat de steeg al eerder was opgegraven
en een sleuf was aangebracht. Maar zijn getuigenis was in strijd met die van de
anderen. Leenders verklaarde wel dat de steeg eerder al aan schouw onderhevig was
geweest en de pachters hadden deze hersteld en onderhouden. De burgemeester
merkte in zijn brief nog fijntjes op dat hij voor de helft eigenaar van
genoemde steeg was en als hij ook, zoals de Heer van Helmond, de overtocht over
zijn grond zou beletten en de inspectie zou tegenhouden, meer dan 20 morgen -ongeveer
20 hectare- van het beste land onbebouwd zou blijven.
Veldwachter van
de Weijenberg had voor een gulden en twaalf stuivers de sleuf dichtgegooid. Dit
bedrag moest samen met de boete door weduwe Verbakel betaald worden, wat zij
deed op 30 maart 1816: drie gulden en vier stuivers. Vermeldenswaard is nog dat
Johan in 1814 al een geschil had met de
weduwe van Antonie Verbakel. Zij had namelijk een weg gegraven waardoor de
burgemeester niet meer bij zijn goederen kon, die in hetzelfde gebied lagen.
Het lijkt erop dat zij daarna wraak heeft willen nemen, maar kwam van een koude
kermis thuis.
Gedoe
In het jaar
1816 was er een andere bestuurlijke ophef over de Ganzesteeg. Door de hoge
waterstand als gevolg van de aanhoudende regen was de schouwvoering uitgesteld
tot 9 en 10 oktober. De pas 22 jaar jonge Christiaan de Jong was intussen Johan
de Jong opgevolgd als burgemeester. Johan was lid geworden van Gedeputeerde
Staten van Brabant. Christiaan voerde de schouw, hierbij geassisteerd door de
raadsleden Hendrik van Will en Peter Jan Peters. Er waren al enkele boetes
opgelegd en toen ze bij de Ganzesteeg aankwamen werd vastgesteld dat deze in
zo’n slechte staat verkeerde dat geen voertuig daar kon rijden. Van Will
weigerde de steeg te schouwen en ook tekende hij het proces-verbaal van de al
verrichte schouw niet, waarop ook Peters zijn handtekening niet wilde zetten.
Daarop staakte de burgemeester de schouw waardoor de reeds genomen boetes kwamen
te vervallen. De Jong drong er bij de Gouverneur op aan zodanige voorzieningen
te treffen dat het werk toch kon worden voortgezet. In een brief aan de
Gouverneur verdedigde Van Will zijn gedrag. Hij vond dat de burgemeester
verordeningen maakte die niet bijdroegen aan verbetering van het geheel. De
Gouverneur, niet onder de indruk van Van Wills verdediging, was van mening dat Hendrik
verplicht was de schouw te voeren en het proces-verbaal te ondertekenen.
Toen een jaar later
de voorjaarsschouw in mei gepland stond, was het weer Van Will die weigerde de
Ganzesteeg te inspecteren. Hij kreeg steun van mederaadslid A. van der Aa die
ook meehielp met de schouwvoering. Hendrik klom weer in de pen en bracht de
Gouverneur op de hoogte van zijn motieven. Hij wilde zich niet aan zijn
verplichting onttrekken, maar met zijn leeftijd van 66 jaar was hij niet in
staat de jonge burgemeester bij te houden en de hele dag dit werk te doen.
Aangekomen bij de Ganzesteeg was hij zo moe dat hij het werk moest staken. Hij
voelde zich ook bezwaard de steeg te schouwen, omdat deze eerder nooit was
geschouwd, wat dus niet waar was. Bovendien vond hij dat er sprake was van
willekeur omdat de burgemeester zich aanmatigde het recht te hebben de steeg te
schouwen. Andere dorpsgenoten waren die mening ook toegedaan. Hendrik wilde
hierdoor niet in moeilijkheden gebracht worden.
Tegen de
districtscommissaris vertelde Hendrik nog dat hij als Beekenaar niet graag
ruzie had met de burgemeester. En bij de vorige schouw had de burgemeester tegen
de zin van de raadsleden die hem assisteerden, de breuken op de dubbele
weerpenning[iv] aanbesteed. De Ganzesteeg
was daarvoor tevoren nooit geschouwd en dat riep haat en nijd op in de gemeente.
De vorige boetes waren nooit ingevorderd wegens tegenwerking van de
gechargeerden (bekeurden), aldus Hendrik. Ook dit keer vond de Gouverneur dat
Van Will en Van der Aa gewezen moesten worden op hun verantwoordelijkheid. Zij
moesten de steeg alsnog schouwen. Als zij bleven weigeren moest de burgemeester
twee andere raadsleden aanwijzen dit te doen.
Zo zie je maar,
dat over een onbeduidend steegje als de Ganzesteeg gans veel boven water te
halen valt als je in oude archiefstukken duikt.
Bronnen:
RHC Eindhoven, 12063 archief Heerlijkheid Helmond
RHC Eindhoven, 13046 archief gemeentebestuur Beek en Donk
1811-1930, inventarisnummer 633
BHIC Den Bosch, archief Provinciaal Bestuur Noord-Brabant
1814-1920, inventarisnummers 88, 117 en 136
[i] nu de Mgr. Verhagenstraat,
overgaand in de Lekerstraat
[ii] sol, een oude Franse
munt ter waarde van tien centiemen
[iii] bovenstaande
informatie kreeg ik van Lia van Zalinge-Spooren, waarvoor hartelijk dank.
[iv] breuk: boete waarmee
een overtreding op een inspectie wordt bestraft;
dubbele weerpenning: geldbedrag dat de beboete
persoon in geval van gebrekkig onderhoud moet betalen voor gemaakte kosten van
de nodige herstelwerkzaamheden, meestal verdubbeld met een gelijk bedrag aan
boete
Geen opmerkingen:
Een reactie posten