Op 18 augustus 1864 schrijft burgemeester Van Will aan de officier van justitie dat Martinus van Bragt, geboren op 25 februari 1835, geschikt is voor de functie van onbezoldigd Rijksveldwachter, ondanks of juist dankzij het feit dat hij in het verleden dikwijls veroordeeld is voor stroperij en daarom beter in staat is om stropers op te sporen, onder het motto: dieven vang je met dieven. “Van Bragt is van een goed burgerlijk en maatschappelijk gedrag die geen misbruik maakt van drankgebruik.” Op 5 september bericht de burgemeester aan de Commissaris van de Koning dat Van Bragt de volgende dag voor het Kantongerecht in Helmond wordt beëdigd als veldwachter.
Op 18 november van dat jaar vermeldt de burgemeester dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar het gedrag van Van Bragt tijdens het St.-Leonardusfeest op 6 november. Het komt hem voor dat de klachten van de marechaussee en de Rijksveldwachter van Gemert belachelijk zijn en “mij nog niet de moeite waardig toeschijnt alle beuzelarijen daarvan te expliceren.” De klachten waren dronkenschap en het afbreken van boomtakken.
Toch moet hij de officier drie dagen later berichten, dat hij Van Bragt heeft ontboden om de zaak uit te leggen. Van Bragt verklaarde het volgende:
“Er bestond eene weddingsschap tusschen H. van der Putten en C. van Will alhier naar het schieten der prijsvogels om met den enkelden kogel een aardappel uit een kanadascheboom te schieten om vier borrels; daarbij tegenwoordig zijnde verzochten zij mij, daar ik goed kan en durf klimmen, om een aardappel boven inden boom aan een takje te steken, hetgeen ik deed; om dien aardappel aan een takje te krijgen heb ik natuurlijk een stukje groen hout moeten afbreken en bij het in- en uitklimmen van den boom zijn ook dorre takken gevallen welke ik opraapte en bij den kastelein H. Maas bragt lagchende zeggende: “daar kunt gij wel een driecenter voor geven want gij kunt er uw moor wel overkoken”; eventwel geloof ik niet dat alles bij malkaar genomen een halve takkebosch betreft kunt gij gerustelijk bij vertrouwde menschen informeren…”
Ook had de burgemeester gehoord van een sterk staaltje lichaamsacrobatiek van Van Bragt, maar de veldwachter had een heel ander relaas van het gebeurde en ging verder: “… en deze zullen geloof ik rondweg verklaren dat ik in ’t geheel niet dronken ben geweest en wat het wateren in mijne zakken betreft moet ik ook zeggen dat zulks onwaarheid is althans het is in deze voege geschied: tegen de avond toen men voor het laatst het vaandel ging draaijen zeide ik “dan zal ik nog eens een fransche mars op de trom slaan”, waarop de wethouder Van de Ven [Antonie van de Ven, landbouwer op Donk, wethouder van 1859 tot juli 1868; ZvdL] zeide: “wel van Bragt doe zulks”; onder het slaan der trom was ik gelijk zulks gewoon is van eene menigte kinderen en menschen omgeven en toen werd er gelacht en daarom merkte ik wel dat er iets gaande was en veegde van achteren over mijne jas die ook nat was en daarom geloof ik wel dat iemand mij bewaterd had doch niet in mijne zakken en ook zonder de minste schade.”
De burgemeester is ervan overtuigd dat de veldwachter de waarheid spreekt en dat alles meer op jaloezie berust dan waar plichtsbesef bij de marechaussee en ”wellicht aangezet door iemand die de stropers voorstaat welke nu na de aanstelling van Van Bragt het minste niet kunnen uitvoeren zonder bekeurd te worden.”
Tweede van rechts is M.v.Bragt
Bron:
Inventarisnr. 38:
correspondentieregister Burgemeester, oud archief Beek en Donk,
HIC Helmond

Geen opmerkingen:
Een reactie posten